JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

RAADSELS ROND JAN-WILLEM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RAADSELS ROND JAN-WILLEM

— DEEL 2 —

7 minuten leestijd

Gerard doet 't raam een eindje open. Ze luisteren scherp. Horen ze daar iets? Een schuivend geluid? Of is het de avondwind, die door de denneb omen speelt?

„Een dief? " oppert Arie zacht. „Dat kan gemakkelijk in zo'n eenzaam zomerhuisje. Zullen we gaan kijken? "

„Nou... eh..." Gerard aarzelt. Ineens is hij zo stoer niet meer. Maar Arie dringt aan en Jan-Willem wordt ook plotseling wakker. „Ja jongens, we moeten gaan kijken, 't Is één van vaders zomerhuisjes. Dat kan ik niet zomaar laten gaan". Hij staat al bij de deur.

Maar Karei, de voorzichtige, zegt: „Je hebt er niets aan om er zo op af te vliegen. Als ze ons zien, gaan ze er vandoor. En wat heb je dan nog? Iemand van ons kan beter de politie gaan bellen. Die kan ze op heterdaad betrappen". De jongens moeten toegeven dat er iets in zit. „Maar waar moeten we bellen? En zou dat niet te lang duren? "

„Nou nee. Nu komt de politie helemaal niet. En wat moeten wij doen als we daar inbrekers ontdekken? Met touwen vastbinden en proppen in hun mond doen? Dat loopt alleen in jongensboeken goed af. Nee, jij kan 't beste even gaan bellen, Jan-Willem. Bij jou thuis is 't meest dichtbij zeker? Dan letten wij hier op".

Jan-Willem vindt het een goed plan. Hij doet z'n jack aan, maar dan zegt hij: „Als ze maar geen argwaan krijgen, nu ik opeens weg ga".

„Je moet heel gewoon doen", zegt Arie. „Net of je visite is afgelopen".

„Oké". Jan-Willem stapt naar buiten en zoekt z'n fiets op. „Nou, tot morgen dan maar hé", roept hij hard tegen Karei die in de deuropening staat. „Om acht uur bij ons en brood meenemen. Ajuus!"

Arie en Gerard horen het binnen aan. Als 't niet zo spannend was, zouden ze kunnen bulderen van de lach.

„Geloof je écht dat er dieven zijn? " vraagt Gerard. Er klinkt zowaar een vleugje angst in zijn woorden door.

't Kan", doet Arie achteloos. „We komen er wel achter". Nu is hij dei meerdere, voelt hij. En hij kan het niet laten om dat nog even te onderstrepen.

Het eerste eindje fietst Jan-Willem vrij rustig. Maar als hij de bocht om is begint hij te jakkeren als een razende. Binnen een paar minuten is hij thuis. De achterdeur is op slot. Hij bonkt er wild op. „Doe open!"

Z'n moeder schiet gehaast toe. „Wat is er? " vraagt ze geschrokken.

Als Jan-Willem haar ontdane gezicht ziet, kan hij zich wel voor het hoofd slaan. Meteen valt de zorg, die hij even vergeten was, weer op hem. Wat dom, om moeder zo te laten schrikken. Juist nu... nu vader weg is.

„Ik moet even bellen", zegt hij gejaagd. Terwijl hij naar de telefoon loopt, legt hij vlug uit waarom 't gaat.

„Hè, wat is dat nu weer", doet zijn moeder verbaasd. „Dat is toch het huisje van de Janssens, hé. Kijk es op het sleutelbord".

Naast de telefoon hangt, een houten bord met alle sleutels van de zomerhuisjes. Van ieder huisje zijn er twee sleutels. Aan iedere sleutel hangt een kaartje met de naam en het adres. Jan-Willem neemt de hoorn van de haak en zoekt tegelijk de betreffende sleutels op. Opeens schrikt hij. Langzaam legt hij de hoorn weer terug. Hij kijkt zijn moeder aan.

„Wat is er, Jan-Willem? "

„Ik zie maar één sleutel", zegt hij moeilijk. „De andere is... weg".

Ze kijken elkaar zwijgend aan. Jan-Willem ziet haar kombineren. Sleutel weg... vader weg. Heeft dat iets met elkaar te maken? Zou dat het zijn? „Bel de politie maar niet", zegt ze zacht. „Denkt u..."

„Ik weet 't niet, jongen". Haar ogen stromen plotseling vol tranen en haar gezicht is vol zorgelijke lijnen.

Jan-Willem voelt een hevige woede in zich opkomen. Wat doet z'n-vader ook...

't Gaat weer verkeerd, hij voelt het. Lang is het goed gegaan. Maar vanavond, toen hij thuis kwam. van orgelles, zag hij 't al aan moeders gezicht. Direkt had hij gevraagd: „Waar is vader? " „Weg", had ze toonloos gezegd. In dat ene woord lag een wereld van ellende. „Weg", dat betekende, .,

Jan-Willem kijkt naar die ene sleutel op het sleutelbord. Hij pakt 'm op en slingert hem heen en weer tussen z'n duim en wijsvinger. Hij speelt er mee, zoals hij ook met een gedachte speelt. Opeens is z'n besluit genomen. Geladen zegt hij: „Ik ga., ."

Zijn moeder ziet dat hij de sleutel in z'n zak stopt en begrijpt wat hij wil. „Och kind", hapert ze, „zou je dat wel doen? Zal ik met je meegaan? "

„Néé". Jan-Willem is vastbesloten en duwt haar als een klein kind terug. „Nu wil ik 't weten". Hij voelt zich als een rechter, die recht móet spreken, hoe zwaar 't hem ook valt.

Ze ziet dat hij niet tegen te houden is. En misschien is het juist wel goed. Maar hij is nog zo jong, zo hartbrekend jong voor zo'n grote zorg. Ze doet de deur voor hem open en legt even schuw haar hand tegen zijn harde jongenswang.

„Wees voorzichtig", waarschuwt ze. Ze kijkt hem na, tot de duisternis hem heeft opgenomen. Dan keert ze terug naar haar plaatsje aan de tafel. Als vanzelf vouwen haar handen zich.

Jan-Willem fietst langzaam terug, Hoe moet hij 't nu aanpakken? Zal hij alleen 't huisje binnengaan? Maar dat zien de jongens natuurlijk direkt. En trouwens... wat zal hij vinden daar? Je weet maar nooit. Alleen durft hij eigenlijk niet. Maar wat moet hij nu zeggen? Plij houdt z'n voeten stil en laat de fiets uitlopen. Eén ogenblik denkt hij er over terug te gaan. Maar dat lost immers niets op. Hij móet er heen! Als hij bij het huisje van de familie Hoogenboom komt, heeft hij nóg zijn houding niet bepaald. Hij zet z'n fiets tegen een boom en loopt omzichtig naar de deur.

Onmiddellijk is Arie er. In de kamer wachten Karei en Gerard met gespannen gezichten. „En? "

Jan-Willem zucht en zegt dan: „Ik heb de politie niet gebeld".

„Wääät? " Ze vragen het alledrie tegelijk.

„Nee... 't Is namelijk zo... mijn moeder ..." Zo goed en kwaad als 't gaat, vertelt Jan-Willem wat er thuis voorgevallen is.

De jongens begrijpen er niets van. „Maar waar is die sleutel dan? Is jouw vader dan in het huisje? En wat doet hij daar dan? "

Jan-Willem staart naar de grond. Hij kan het immers niet zeggen? Opeens valt hem iets in, „Ik denk dat hij er even geweest is om poolshoogte te nemen. Dat doet hij wel meer. flij heeft natuurlijk even 't licht aan gehad om rond te kijken".

De anderen denken na. 't Zou kunnen... Maar dan zegt Gerard: „'t Was toch nét of er met een zaklantaarn geschenen werd". En Karei bedenkt: „We hebben toch niemand weg zien gaan? "

Arie heeft tot nu toe niet veel gezegd. Hij vindt 't vreemd. Eerst was Jan-Willem haantje de voorste om de politie te bellen en nu wU hij opeens niet meer. „Heb je die sleutel bij je? " vraagt hij. „Ja, die heb ik bij me".

„Als je tóch denkt dat 'er niemand is, kunnen we net zo goed even gaan kijken, vind je niet. Nu zitten we ons maar lekker te maken op een avontuur en misschien is alles verbeelding".

(wordt vervolgd)

Dordrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1980

Daniel | 28 Pagina's

RAADSELS ROND JAN-WILLEM

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1980

Daniel | 28 Pagina's