JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

RAADSELS ROND JAN-WILLIEM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RAADSELS ROND JAN-WILLIEM

— DEEL I —

6 minuten leestijd

Mevrouw Hoogenboom siBaat in de deuropening en aarzelt.

„Kan 't nu echt wel? "

„Tuurlijk, mam. Gaat u nu maar..."

„'k Vind 't toch een beetje vervelend om jullie hier alleen achter te laten", zegt ze wat bezorgd, „'t Is hier zo stil". Ze kijkt naar haar beide zoons, Karei en Gerard, die om het hardst protesteren.

„Thuis zijn we toch wel vaker alleen.

We zijn oud en wijs genoeg", vindt Gerard. Buiten zit haar man al in de auto te wachten. Hij claxoneert ongeduldig. „Jij geeft er toch ook niet om, Arie? " vraagt ze nog vlug aan de vriend van Karei, die met hen mee is gegaan op deze korte vakantie.

„O nee, hoor, mevrouw Hoogenboom, gaat u maar gerust. U wilt immers graag? "

„Ja, dat wel. Nou, jullie vinden 't wel, , hè. Tot vanavond dan".

Ze loopt naar de auto en gaat zitten, 't Is waar, ze zijn oud en wijs genoeg. Nu kunnen zij eindelijk die bejaarde kennissen eens opzoeken. Om daar nu drie van die slungels mee naar toe te nemen, is wel iets te veel van het goede.

Als ze weg zijn gereden, sluit Gerard, de oudste, de deur. „Zo", zegt hij. Het klinkt een beetje voldaan, vindt Arie. Net of hij zeggen wil; „Die zijn weg". Maar ja, als hij eerlijk is, kan hij niet ontkennen, dat 't best wel eens leuk is, zo „onder ons". Hij laat zich neervallen op de bank, zakt lui onderuit en kijkt om zich heen. Die Hoogenboompjes hebben 't toch maar getroffen met zo'n eigen zomerhuisje, 't Is wei niet zo groot, maar gezellig is 't wel. Hij is nu al vaak met hen meegeweest. Nu is het nog ver voor het hoogseizoen en overal is het heerlijk rustig.

Het huisje staat aan de bosrand. Van hieruit ziet Arie de smalle kronkelweg, die er voor langs loopt. Aan de andere kant van de weg strekken akkers en weiden zich uit. Een glanzend zwart paard staat met droevige ogen bij een hek te staren. Opeens ziet Arie een lange gebogen figuur op een oude fiets de bocht om racen. Wacht, hij ziet al wie het is!

„Daar komt Jan-Willem!" zegt hij verheugd.

„Nou wordt 't leuk", vindt Karei. Hij loopt naar 't raam en ziet dat hun gast zijn fiets in een st'ruik mikt en het tegelpad opbeent. Met een zwaai doet Karei de deur open. „Kom binnen", zegt hij joviaal. „We zitten met smart op je te wachten..."

„Hoezo? " vraagt Jan-Willem op zijn hoede.

Karel grijnst. „We zitten zonder oppas, zie je".

Jan-Willem Feenstra is wat je noemt een „end zonder end". Uit de verte zou je hem op een volwassen kerel schatten. Maar van dichtbij kun je wel zien, dat hij dat nog niet is. Zijn mager gezicht is jong en wat onzeker. Zijn ogen zijn heel lichtblauw en kijken over het algemeen vriendelijk de wereld in. Een fijne knul, vinden de Hoogenboompjes. Hij is de zoon van Gerrit Eshuis, die naast zijn werk op een textielfabriek, de zorg op zich heeft', genomen voor een aantal zomerhuisjes. Hij verhuurt ze voor de eigenaars en houdt toezicht. Helaas is hij het laatste half jaar werkeloos, wat hij slecht verkroppen kan.

De avond kabbelt rustig voort. Karei zet koffie — of wat er voor door gaat — en ze genieten van de boterkoek die mevrouw Hoogenboom voor hen had klaar gezet. Eigenlijk waren ze van plan geweest het dorp nog even in te gaan. Maar nu is Jan-Willem er. Hij heeft trouwens niet veel praatjes, vindt Arie. Hij zit maar een beetje voor zich uit te staren en meer dan ja en nee kan er niet af.

„Je zit te kijken of je je laatste cent verloren hebt, Jan-Willem", zegt hij.

Jan-Willem lacht wat zuur. „Ach..." zegt hij vaag. , , 't Leven is nu eenmaal geen lolletje". Hij staat op en gaat voor 't raam staan, met zijn handen gevouwen op zijn rug.

„Zoek je iemand buiten? "

„Zoeken? Hoezo? " Jan-Willem kijkt om. 't Lijkt wel of hij geschrokken is. „Nou, je staat de weg zo af te turen. Moet je meisje langs komen? "

„Toe nou, zeg", 't Klinkt gemelijk. Arie geeft 't op. Maar Karei komt hem te hulp. „Laten we wat drinken", vindt hij. Hij gaat naar de keuken en komt' terug met glazen en een fles frisdrank.

„Kom zitten, Jan-Willem. Doe een beetje gezellig, zeg".

Karel wil voor ieder een glas vol schenken. Maar Gerard zegt: „Is er niets anders? Al dat flauwe spul!" Hij rommelt in een kast en diept zowaar een fles jonge jenever op, die nog half vol is. „Kijk es, wat bier no: g staat!"

Karel aarzelt. „Zou pa dat wel goed vinden? "

Maar dat is tegen 't zere been van Gerard. Is hij niet oud, en wijs genoeg om dat zelf te beslissen?

„Maar je kunt zien als er iets uit is", werpt Arie tegen.

„Ach, die fles staat er al zo lang. Ze zullen heus niet precies weten, hoeveel er nog in zat. Lust je 't soms niet? "

„Tuurlijk wel". Arie wil zich groot houden, hoewel hij nog maar één keer een half glaasje op heeft. „Schenk maar in!" Karei zoekt kleinere glaasjes op. „Vooruit dan maar. Jij ook, Jan-Willem? "

„Nee", zegt Jan-Willem. „Ik niet". „Niet? "

De anderen kijken verbaasd, . Ze dachten dat Jan-Willem wel voor een lolletje te vinden zou zijn.

„Nee, ik wil niet. Geef mij maar limonade".

„Toe nou, Jan-Willem. Wat ben jij voor een halfzachte. Zo'n borreltje kan heus geen kwaad, hoor", betoogt Gerard. Nee, dat wil Jan-Willem wel toegeven. „Nou dan. In de Bijbel staat zelfs " „Houdt de Bijbel er alsjeblieft buiten!" snauwt Jan-Willem.

De jongens durven niet verder aan te dringen. Wat die Jan-Willem vanavond toch heeft... Arie voelt zich niet helemaal rustig. Had hij ook moeten weigeren? De jenever brandt in zijn keel. Hij begint te hoesten. Jan-Willem kijkt hem spottend aan. „Verslik je niet, Arie!" Het klinkt zo sarcastisch, dat Arie vuurrood wordt van benauwdheid, schaamte en woede. „Je hoeft je heus niet als een heilig boontje voor te doen", ketst hij kwaad terug. „Anders ben je ook zo'n brave niet..."

Hierna lijkt het of de rechte stemming niet meer komen wil. Ze praten wel wat, maar verder dan wat flauw algemeenheden komen ze niet. Gerard schenkt zichzelf nog eens in. Wil hij zich bewijzen tegenover Jan-Willem? Eigenlijk kan hij er niet eens zo goed tegen. Hij wordt een beetje doezelig en staart suf naar buiten, waar de duisternis nu snel valt. Opeens komt hij half overeind •uit z'n stoel, , , 'k Zie een licht buiten", schrikt hij.

„Je ziet zeker dubbel!" Dat is natuurlijk Jan-Willem weer.

Gerard werpt hem een venijnige blik toe, maar zegt dan opgewonden: „Nee, 'k zie 't weer. Kijk dan zelf! 't Is bij het zomerhuisje hiernaast. Of nee, 't lijkt wel of 't er binnen is. Nou is 't weg".

De jongens kijken ook, maar ze zien niets meer. Maar Gerard houdt vol: „ s k Weet 't zeker, 't Leek wel of er iemand met een zaklantaarn rondscheen...!"

(Wordt vervolgd)

Dordrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1980

Daniel | 28 Pagina's

RAADSELS ROND JAN-WILLIEM

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1980

Daniel | 28 Pagina's