DE VREEMDELING
ONS VERVOLGVERHAAL (3)
Wanneer Hagabak in Wiohoe aankomt, is er bij het dorp niemand te zien. Vroeger kwam Hagabak hier veel, maar sinds dit dorp op een andere manier is gaan leven, is hij er niet meer geweest. Hagabak loopt het dorp in en dan ziet hij mensen. Ze zitten op het dorpsplein bij elkaar. Een paar mannen kijken heel vreemd op wanneer ze Hagabak aan zien komen. Even worden ze zelfs bang. Een zwarte krijger? Volgen er nog meer? De kerels springen op en gaan naar de man toe. „Wat moet je hier? Wie ben je? Ben je alleen? "
„Wees niet bang", zegt Hagabak. „Ik kom zo maar eens op bezoek".
„Goed, maar dan moet je pijl en boog wel verdwijnen. Die dragen we hier niet meer in ons dorp". Hagabak gehoorzaamt en gaat mee. Bij de mannen zet hij zich op de grond neer. „We luisteren", zeggen de mannen. „We luisteren vandaag naar het woord van God. We hebben steeds een dag rust. We gaan niet naar onze tuinen".
Hagabak begrijpt dat niet. Hij kijkt alleen erg goed rond, naar alle kanten waar hij mensen ziet.
En dan opeens... Hagabak kijkt verschrikt op. Voor de groep mensen gaat een man staan. Hij is nog jong. O, Hagabak ziet het direkt. Die jongen is licht, zijn vel is anders dan dat van de andere mensen. Hagabak trilt even. Hij trilt over zijn hele lijf. Die man dat is zijn zoon! De jongen gaat spreken. Iedereen luistert stil.
„Luister", zegt er één tegen Hagabak. „Die man is een vreemde hier. Hij werd hier gebracht als een heel klein kind. Hij is wel één van ons volk, maar je ziet wel, hij is licht. We hebben hem geen kwaad gedaan. En nu is hij belangrijk hier. Hij is knap. Hij leerde veel van de zuster: Zij helpt de zieken in ons dorp en zij leert ons van God. De
jongeman hebben we maar Goeson genoemd, dat begrijp je natuurlijk wel". Hagabak luistert. Zijn zoon, niemand die dat hier weet. Even komt er weer woede op in zijn hart. Hij ziet wel dat zijn zoon een soort hoofdman is hier. Maar een krijger, dat is hij niet. Hagabak hoort hoe Goeson vertelt, dat hij een vreemde was hier in het dorp. „We hebben feest gevierd", zegt Goeson. „Op dat feest denken we eraan dat lang geleden een kind geboren werd. Dat kind was eigenlijk ook een vreemde in zijn eigen dorp. Jullie hier in Wichoe wilden mij eerst ook niet hebben. Maar dat was niet zo-erg. Wel erg is het, zoals bij het Kind in Bet'hlehem. Dat kind was een Koning. Wat erg dat bijna niemand dat zag en geloofde. Die Koning kan ons gelukkig maken, toen al heel lang geleiden gaf
Hij mensen echter blijdschap. Dat kan Hij nu ook nog. Ga dan mensen, naar die Koning!"
En dan opeens staat Hagabak op. Hij doet zijn handen aan zijn mond en roept luid: „Jij daar, die daar spreekt. Ja jij, jij bent mijn zoon! Je weet het niet, maar ik ben je vader!"
De mensen schrikken op. Was Goeson een zoon van die krijger?
Goeson loopt' wat naar Hagabak toe. „Luister man", zegt hij rustig. „Ik zou weer graag bij mijn vader zijn. Maar dat kan alleen als ik in jouw dorp ook mag spreken van die Koning van Bethlehem. Jij en jouw mensen kennen Hem niet. Vader, laat de mensen in jouw dorp, wat ook mijn dorp is, horen van die Koning!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1980
Daniel | 28 Pagina's