JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE VREEMDELING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VREEMDELING

ONS VERVOLGVERHAAL (1)

7 minuten leestijd

Het is nog erg vroeg in de morgen.

Het daglicht heeft nog maar zojuist zijn intree gedaan in de kleine vallei.

Deze kleine vallei is erg smal. Aan weerszijden liggen hoge bergruggen en daarboven uit springen hier en daar nog weer hogere bergtoppen omhoog.

Midden in de vallei ligt een klein dorpje. Er staan zomaar wat hutten rondom een steenachtig pleintje. Het is nog erg stil in het kleine dorp.

Uit enkele hutten kringelt een rookwolkje omhoog.

Slapen de mensen nog in deze vroege ochtend, nu het buiten nog erg kil is?

Nee, toch niet, daar loopt iemand over het pleintje heen. Het is een oudere vrouw. Ze loopt met een wat gebogen rug. Haar armen houdt ze gekruist over haar borst. Wel loopt ze snel. Ze gaat naar de grote hut van Hagabak.

Hagabak is de grote hoofdman van deze vallei.

Bij de hut buigt het vrouwtje om binnen te stappen in het kleine voorportaal. Ze rammelt wat aan losse rechtopstaande plankjes, die dienst doen als deur. „Hagabak Hagabak, ben je al wakker? ". Luister eens man, in de vrouwenhut is je een zoon geboren!"

„Wah wat, een zoon? "

In een ogenblik is de hoofdman te voorschijn gekomen. Hij hoort nu nog eens wat de dorpsvrouw hem zegt. „Hagabak, man je hebt nu een zoon". Op het gezicht van Hagabak verschijnt een brede lach. Een zoon! Prachtig, mooier kan het niet. Hagabak, de hoofdman was tot nu toe niet kinderloos gebleven, maar hij had nog steeds geen zoon. Een vrouw kon hem toch niet opvolgen? Nee, al lang had Hagabak op dit moment gewacht. „Ha, ha", opeens buldert hij van de lach. Zijn zoon zal sterk zijn, een goede opvolger voor straks. „Kom mee Hagabak, dan gaan we maar kijken".

Hagabak loopt met de vrouw mee. Hij merkt niet, dat ze verder eigenlijk weinig spreekt. Af en toe kijkt ze de hoofdman ook wat schuchter aan.

Maar Hagabak ziet en merkt het niet.

Wanneer Hagabak de vrouwenhut binnenstapt, is het daar echter wel vreemd stil. In een hoek ziet Hagabuk zijn vrouw. Andere vrouwen zitten naast haar, allen met gekruiste benen op de grond. Op de schoot van Hagabuks vrouw ligt een net. Het is dichtgevouwen. Nu Hagabuk binnen is en één van de vrouwen de deuropening weer heeft

dichtgeschoven, wordt het net aarzelend opengedaan. Nog steeds heerst een vreemde stilte in de hut. De vrouwen blijven zwijgen als Hagabak zich over het net buigt.

En dan? Het gezicht van Hagabak betrekt. Zijn ogen worden groot en kwaad. O, hij ziet het al. Het kind is niet goed. Zijn kind is niet goed! Zijn huid is licht, veel te licht van kleur. En de kleine oogjes zijn ook licht. Ze hebben een roodachtige gloed. Hagabak trekt het net wat naar de vuurplaats, midden in de hut. Hij kijkt nog eens goed. Hij ziet het nu wat beter, het is duidelijk nu. Zijn zoon is niet goed, zijn huid is te licht.

Hagabak legt het net met het kind weer terug, zegt niets, staat op en klimt de hut weer uit. Met gebalde vuisten loopt hij weer buiten; op weg naar zijn eigen hut.

Woedend is Hagabak! Eindelijk een zoon en nu een zoon met een verkeerde huid. Hagabak wist het wel. Lang geleden was er ook zo'n kind geboren.

Het was goed gezond en het was groot geworden, maar zijn huid bleef licht.

De mensen deden altijd vreemd tegen hem. Hij was één van het volk, maar toch hoorde hij er niet bij.

En...? Moest dat nu ook zo met zijn zoon?

Hagabak kon wel schreeuwen van woede. Geen krijger, geen hoofdman, maar een lelijke, lichtgekleurde jongen zou het zijn. En dat dan zijn zoon, de zoon van Hagabak!

In zijn hut denkt Hagabak na, diep na. Hoe moet het nu? Wat kan hij doen? Er moet snel iets gebeuren, zo snel als het kan. Hagabak staat weer op en klimt zijn hut uit. Snel loopt hij voor de tweede keer naar de vrouwenhut achterin het dorp.

De vrouwen kijken angstig als ze merken dat het Hagabak is voor een tweede bezoek. „Luister goed" begint Hagabak met norse stem. „Vrouw jij gaat naar Sora, het dorp waar de grote medicijnman woont. Hij is erg knap.

Hij kan onze zoon helpen. Eerst moet jij er ook blijven en als het kind aardappelen kan eten kom je terug. Zeg tegen niemand waar je heengaat en jullie andere vrouwen, jullie spreken niet over mijn zoon". De vrouwen zeggen niets. Jarè moet direkt verdwijnen met haar zoon, zo wil Hagabak het.

Jarè vertrekt. Ze neemt haar kind mee en wat zoete aardappelen voor onderweg. Alleen en verdrietig loopt ze het dorp uit, klimt over de omheining heen en daalt het kronkelend paadje af.

Die dag komt er in het dorp van Hagabak een grote groep mensen bijeen. In een ki'ing zetten de mannen zich neer op de grond. Vooraan de vrouwen achteraan de mannen. Hagabak heeft de mensen bijeengeroepen. Het wordt dan ook helemaal stil, wanneer de hoofdman gaat staan temidden van zijn volk. Hij heeft zich wat extra opgetuigd met veren en het varkensvet giimt op zijn blote lijf. „Luister mensen", begint de hoofdman.

„Ik heb belangxijk nieuws voor jullie. De afgelopen nacht is mij een zoon geboren. Ha Ha!" Een lach en een wrede grijns zijn te zien op Hagabaks gezicht.

„Maar mijn zoon is niet zomaar een kind. Nee, hij is bijzonder. Hij zal een groot man en een groot krijger worden in de toekomst. Daarom gaat hij nu eerst weg uit ons dorp. Hij zal bij de grote medicijnman wonen.

Maar als mijn zoon groot zal zijn, komt hij weer terug. Door hem zal ons volk sterk worden. Wij zullen niet meedoen aan nieuwe zaken, wij blijven een echt krijgersvolk. Laten we blij zijn met onze nieuwe kleine hoofdman".

„Wah wah", roepen de mensen. „Dank je wel hoofdman voor dit fijne bericht".

Jarè loopt voort steeds verder van haar eigen dorp af en steeds dichter komt ze bij Sora, het dorp waar de grote medicijnman woont.

Af en toe stopt ze even, neemt een zoete aardappel en geeft haar kind wat te drinken. Wanneer Jarè al dicht bij Sora is, stopt ze weer even. .

Ze haalt het net van haar hoofd en legt het op haar schoot. Het kind is wakker. Het ziet er goed uit. Alleen de kleur is licht. Waarom toch dit alles? Jarè weet het wel. Een licht kind is niet groot te midden van haar volk. Maar de medicijnman dan? Ach, Jarè weet het niet. Ze is bang dat haar kind nooit donker zal zijn. Niemand kan daar toch iets aan doen?

Wat dan? Jarè maakt een heel plan. Snel, ze moet direkt weer op pad.

Ze hangt de netten goed om haar hoofd, kromt haar rug wat en loopt weer verder in een stevig tempo. Lopen zal ze, verder... verder dan Sora zelfs!

Jarè wil naar Wichae, het volgende dorp. In Wichoe zijn nieuwe mensen.

Jarè weet dat ze erg knap zijn. Zouden zij haar kind niet kunnen helpen?

Maar Jarè, wat zal Hagabak boos zijn! „Ik vertel het hem niet", denkt ze. In Sora zal er vast iets vreselijks gebeuren met haar kind. En daar is ze zo bang voor. Na enkele uren komt Jarè aan bij het dorp Wichoe.

Nu is ze toch wel even bang. Bij de omheinig van het dorp staan wat vrouwen. Gelukkig denkt Jarè. Daarheen ga ik eerst. Gelukkig ook dat ze met de vrouwen praten kan. De taal van Wichoe is ook Jarè's taal.

wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1980

Daniel | 28 Pagina's

DE VREEMDELING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1980

Daniel | 28 Pagina's