MEDEMENSELIJKHEID IN DE MODERNE THEOLOGIE
Reeds enkele eeuwen voor de geboorte van Christus sprak dfe griekse wijsgeer Aristoteles uit dat de mens naar zijn aard een „zoon politikon", een sociaal wezen is. De ervaring had hem geleerd dat een mens niet op zichzelf kan staan in dit leven, maar dat omgaan met de ander levensvoorwaarde is. Wie 1 toch probeert zijn leven van dat van anderen af te zonderen wordt tenslotte een prooi van de eenzaamheid en gaat daaraan ten onder.
Bijbels uitgangspunt
Aristoteles was een heiden; hij kende het Woord van God niet.. Anders had hij kunnen konstateren dat de Bijbel al eeuwen eerder dezelfde waarheid verkondigde. In Gen. 2 : 18 had' die HEERE God immers gesproken: Het is niet goed dat d; e mens alleen zij." Weliswaar slaat dat in de eerste plaats op de: n te stellen huwelijksverhouding, maar andere sociale relaties vallen daar niet buiten. Huwelijk en gezin vormen de cellen van de samenleving. We zouden kunnen zeggen: et gezin is een maatschappij in het klein. Dat zal nog. duidelijker zijn als we er op letten dat de HEERE Go'd bovengenoemde woorden sprak bij de schepping van de mens. Die schepping is bepalend voor het leven van heel de latere mensheid. Zo was er na de schepping dus sprake van mens en medemens, en dat in een relatie zonder zonde.
In het derde hoofdstuk van Genesis lezen we over onze zondeval. Zodra de zonde bezit neemt van het mensenhart is de relatie tussen mens en medemens verstoord, . Ze schamen zich voor eikaars naaktheid en op Gods schuldig stellende vragen aarzelt Adam niet de schuld van het gebeurde op zijn medemens, op zijn vrouw, te schuiven, Eva blijkt overigens niet beter: ok zij schuift de schuld van zich af. Uit deze geschiedenis blijkt duidelijk dat de intermenselijke relaties door de zonde grondig bedorven zijn. Onze diepe val doet echter de rechtvaardige eis Gods niet te niet. De Heere blijft ons aanspreken op ons „zeer goed" geschapen zijn, het geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis. Het is alsof Hij tot ons zegt: Hoe komt je relatie met je medemens zo verstoord? Ik heb je toch naar Mijn beeld geschapen? Waar zijn dan die kennis, gerechtigheid en heiligheid die je verhouding tot je naaste moeten kenmerken? " Mede aan het gebod: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" hangen de ganse wet en de profeten. (Matth. 22 : 40). Dat wil zeggen: et gehele
Oude Testament is van die rechtvaardige eis Gods vervuld. Ook in de nieuwe bedeling blijft die eis van kracht, want de Heere Jezus is immers niet gekomen om de wet te ontbinden.
De bijbelse boodschap aangaande onze relatie met onze medemens omvat echter meer. Anders was het voor ons allen een uitzichtloze zaak.
Heit is opvallend dat de Heere Jezus Christus in het Nieuwe Testament in enkele teksten het beeld Gods wordt genoemd (o.a. in 2 Cor. 4:4). Bij de Heere is dus het beeld Gods dat wij niet meer vertonen in Jezus Christus voorhanden. De Heere Jezus heeft de wet Gods wel niet ontbonden, maar wel vervuld. En die Heilige Geest zal het uit Hem nemen en ons verkondigen (Joh. 16 : 14). Hier geldt het woord uit Psalm 81: Al wat u ontbreekt, schenk ik zo gij 't smeekt, mild: n overvloedig".
Als ik door een oprecht geioof in Christus word ingelijfd, word ik ook in Hem Gods beeld weer deelachtig. In dit beeld is mede onze relatie tot de naaste begrepen, want: God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze" (Gen. 1 : 27).
Als we de bovengenoemde bijbelse gegevens overzien, moeten we wel tot de konklusie komen dat naastenliefde, zeg medemenselijkheid en liefde tot God niet los van elkaar staan. Misschien herinneren we ons nog het bekende „Getuigenis" uit 1971. Dat getuigenis van een aantal, rechtzinnige theologen tegenover de moderne theologie formuleerde het als volgt: „Wij belijden dat de liefde tot de naaste alleen mogelijk is op grond van de liefde tot God, Het eerste, gebod: blijve het eerste en het tweede gebod het tweede."
Het woord „medemenselijkheid"
Misschien is' het iemand opgevallen dat de titel van dit artikel niet is „naastenliefde", maar „medemenselijkheid". Is daar verschil tussen of dekken die beide termen elkaar geheel? De gehele kerkgeschiedenis door sprak men van „naastenliefde". Dat is ook een bijbelse term (zie Lev. 19 : 18 en Matth, 22 : 39). Het is daarom goed daaraan vast te houden. In de moderne theologie heeft m, en dat echter niet gedaan en spreekt men van „medemenselijkheid". Deze term is ontleend aan een moderne filosofie, het existentialisme. Het woord existentie betekent „bestaan". Bij die filosofie vraagt men niet zozeer naar het wezen van de dingen, maar veel meer naar het konkrete bestaan van de mens. Bij deze levensbeschouwing staat de mens centraal. God en het goddelijke is volkomen uit het gezichtsveld verdwenen. Zelfs in het woordgebruik komt dit uit. Vandaar het begrip medemenselijkheid, als het gaat over de ontmoeting van de ene mens met de andere. We hebben hier dus te maken met een vrucht van een humanistische, anti-bijbelse mens-en levensbeschouwing.
Moderne theologie
Helaas moeten we menigmaal konstateren dat de moderne theologie haar grondslagen meer heeft in wereldse filosofieën dan in de Heilige Schrift. Deze moderne theologie is na de Tweede Wereldoorlog min of meer ingeluid door Karl Barth. Heel zijn theologische denken cirkelde om het thema Christus en de wereld. Van hieruit bekritiseerde hij de oude gereformeerde theologie. Die zou te weinig onderkend hebben dat de christelijke boodschap de verandering van die wereld tot doel heeft. Het evangelie is volgens Barth het „ja" van God tot de wereld. De: gereformeerde theologie zou volgens hem de genade, te beperkt hebben gezien, te persoonlijk en te weinig betrokken op de wereild. Karl Barth komt zo tot. de leer van de algemene verzoening.
Een christen deelt bewust, een niet-christen onbewust in die verzoening, volgens die duitse theoloog. Met deze opvatting, is cle scheiding tussen kerk en wereld totaal doorbroken. Het is dan niet langer nodig door het geloof in Christus ingelijfd te zijn en in die v/eg al Zijn weldaden aan te nemen. Allen hebben dan deel aan al Christus' weldaden, of ze ervan willen weten of niet. In deze visie is de sekularisatie geen kwaad meer, zijn christelijke organisaties uit den boze en ligt de weg open om over de mens te gaan theologiseren zonder zijn verhouding tot God er bij te betrekken. Die verhouding is immers toch een verzoende, zelfs voor de meest overtuigd, e atheïst. In dit klimaat deed het filosofische begrip „medemenselijkheid" zijn intrede in de theologie. De verhouding van de mens tot God raakt op de achtergrond en de intermenselijke verhouding werd tot het een en het al en zelfs tot het wezen van de godsdienst verheven. De duitse moderne theologe Dorothee Sölle zei het zo: „Ik ontmoet God incognito^ in de ander". Ze bedoelde daarmee: „Als ik de ander ontmoet, ontmoet ik God in hem of haar op een verborgen wijze". Een ongebreideld horizontalisme werd het resultaat van de moderne theologie 1 . Eigenlijk kunnen we hier niet meer van theologie, dat wil zeggen godgeleerdheid, spreken. Het is immers alles de (eventueel vergoddelijkte) mens wat de klok slaat.
De verschuiving van de theologische aandacht van God naar mens ging in de moderne theologie samen met het geven van een andere inhoud aan allerlei bekende bijbelse begrippen. Die werden uit de sfeer van het goddelijke gehaald en in wereldse denkkaders geplaatst. Bij Barth ging het nog om de eeuwige zaligheid, maar bij moderne theologen als Bonhoeffer en Gollwitzer gaat het niet om de eeuwige zaligheid in een hiernamaals, maar om de heerschappij Gods op aarde, dat wil zeggen een volkomen wereldse verlossing hier en nu. In deze visie wordt de mens partner van God in de verwerkelijking van een aardse heilstaat. Wie meent dat deze aardse heilstaat er een is op basis van de Wet der Tien geboden vergist zich, want slechts de mening van de (gevallen) mens is van belang. Treffende voorbeelden van bijbelse woorden die een onbijbelse inhoud kregen zijn de woorden „gerechtigheid" en „Koninkrijk Gods". Bij ons heeft gerechtigheid te maken met onze verhouding tot d.e Heere God, die overigens wel van invloed is op ons dagelijks leven. De moderne theologie geeft aan „gerechtigheid" echter een puur wereldse inhoud. Ze verschraalt het tot medemenselijkheid. Niet alleen de eerste tafel van Gods Wet wordt hierbij als norm buiten beschouwing gehouden, maar ook de tweede' tafel wordt zodanig versmald dat zaken als abortus en euthanasie alle. ruimte krijgen. Wie een dergelijke verschraalde gerechtigheid gestalte helpt geven, heet in de moderne theologie „partner Gods" en bouwt mee aan het „Koninkrijk Gods". Dit bouwen aan „een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont" kan op allerlei manieren geschieden, o.a. door revolutie. De bijbelse gegevens van o.a. Rom. 13 zijn daarbij voor de moderne theoloog geen bezwaar. Het stadium waarin alles aan de Bijbel getoetst diende te worden heeft hij reeds lang achter zich gelaten. Hij erkent, de Bijbel niet meer als Gods Woord. Hoogstens zegt hij: „Gods Woord staat in de Bijbel" en vormt zo een bijbel(tje) naar eigen goeddunken, bestaande uit een aantal uit het bijbelse verband gerukte teksten die hem van pas komen. In dit klimaat wordt niet alleen revolutie goedgekeurd, maar er ontstaat zelfs een theologie der revolutie in de naam van de medemenselijkheid. Re-
volutie is volgens de moderne theologie geen vrucht van ongeloof, zoals Groen van Prinsterer eens-stelde, maar een gevolg van geloof. In allerlei bevrijdingsbewegingen meent men de stem van Jezus van Nazareth te horen die oproept allen die vermoeid en belast zijn door onderdrukking te helpen bevrijden en binnen te voeren in een aards „Koninkrijk Gods", vaak naar atheïstisch kommunistisch model. Vandaar de steun van de Wereldraad van Kerken aan afrikaanse bevrijdingsbewegingen.
Onze roeping
Ondertussen mag het misbruik van het woord „medemenselijkheid" ons er niet van weerhouden onze roeping op het gebed van de naastenliefde gestalte te geven. De goddelijke eis „Hebt uw naaste lief als uzelf" is absoluut. Alle egoïsme, mijn gerichtheid op mezelf, is daarmee volstrekt veroordeeld. De Heere Jezus heeft dat duidelijk laten blijken in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De priester en de Leviet weigerden als naaste van de joodse man die overvallen was te handelen, hoewel ze tot hetzelfde verbondsvolk behoorden. De Samaritaan wilde echter de naaste van een vijand zijn. Kohlbrugge heeft op de vraag „Wie is onze naaste? " eens geantwoord: Degene op wie wij van onze gewaande hoogte neerzien". De naaste is dus de verre naaste in de derde wereld, maar ook de man of vrouw in onze straat die zich een vijand van alle godsdienst betoont. De christelijke naastenliefde kent geen grenzen. Onze persoonlijke, misschien begrijpelijke, voorkeuren doen niet ter zake. De uitspraak van de apostel Paulus in Gal. 6 : 10: Laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs", sluit die „allen" niet uit, maar juist in. De christelijke naastenliefde kan zich uiten in allerlei welzijnswerk en hulpverlening, zowel dichtbij als veraf. Deze hulpverlening is principieel anders dan de moderne humanistische medemenselijkheid. Ze handelt in verbondenheid aan de bijbelse normen en laat in de praktijk van alle dag iets zien van een leven in afhankelijkheid van de Heere God. Ze schept zo'n sfeer om zich heen dat een woord op zijn tijd uit hèt Woord niet in disharmonie met het handelen is. Moderne wereldse zaken als abortus en euthanasie in zich, of ze is hoogstens een mooie plant van de christelijke wortel afgesneden.
De bron van de naastenliefde
Terloops is reeds opgemerkt dat de liefde tot God in orde aan de naastenliefde voorafgaat. Mogelijk zal iemand zeggen: us ik most eerst God liefhebben voor ik aan echte naastenliefde toe; ben. Wie echter denkt dat die waarheid een exkuus is om naastenliefde te veronachtzamen vergist zich. Het moet een spoorslag zijn die God te zoeken die zegt: Zoekt de HEERE en leeft!" (Aroos 5 : 4) en „Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen." (Ps, 81 : 11). Beide woorden sprak de Heere eenmaal tot het hele volk van Israël en dus ook tot ieder van ons. Daarom kan niemand zich in welke omstandigheid dan ook op zijn onbekeerd zijn beroepen. Voor ons geldt slechts de opdracht God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Het geloof, dat bij de Heere te verkrijgen is, mag vanuit alle menselijke onmogelijkheid zien op de Heere Jezus Christus, die aan alle eisen Gods voldaan heeft. Uit de geloofsvereniging met Hem vloeit het nieuwe leven der heiliging voort als het water uit een bron. In deze heiliging heeft de naastenliefde haar plaats op een onbaatzuchtige wijze. Op de Jongste Dag zullen Gods kinderen immers zeggen: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd? of dorstig en te drinken gegeven? En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd? of naakt en gekleed? En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen? En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit aan een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan." (Matth. 26 : 37 e.v.). Ze hebben heilig geleefd in het besef onheilig te zijn. Zulk een leven, waarin wij bekennen midden dn de dood te liggen en onze zaligheid buiten onszelf in de Heere Jezus Christus te zoeken, is tot eer van God en het heil van onze naaste.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1980
Daniel | 28 Pagina's