KNELPUNTEN BIJ SOCIALE WETENSCHAPPEN
Voor een goed begrip is het noodzakelijk om eerst de eigen invalshoek van de sociale wetenschappen te omschrijven.
In het dagelijks spraakgebruik heeft „sociaal" meestal betrekking op bepaalde toestanden die als probleem gezien worden. Denk aan het spreken over sociale noden of bijvoorbeeld het beroep van een sociaal werkster, die bepaalde maatschappelijke noden lenigt.
In de aanduiding sociale wetenschappen heeft „sociaal" echter een veel algemener betekenis. Het wil uitsluitend zeggen, dat deze wetenschap zich richt op de studie van groeperingen. Het onderzoek richt zich op iedere verzameling van individuen die maatschappelijke funkties vertoont. Dat kan een gezin zijn als een kleine groep met vele direkte kontakten; het kan evengoed een grotere formele organisatie zijn (een grote onderneming of een ziekenhuis); het kan ook een sociale klasse zijn (bijvoorbeeld de middenstandsklasse) waarbij de leden onderling weinig sociale betrekkingen onderhouden, maar die toch gemeenschappelijke kenmerken vertonen.
Uit het voorgaande valt af te leiden, dat het in de sociale wetenschappen gaat om een bepaalde wijze van kennen van de maatschappelijke werkelijkheid. De inzichten van de sociale wetenschappen hebben derhalve als zodanig niets te maken met „sociaalvoelend" zijn. Ook de verwarring die men hier en daar proeft, waarbij sociale wetenschappen en socialist-zijn min of meer op een lijn gesteld worden, is onjuist.
Uiteraard heeft wel iedere beoefenaar van de sociale wetenschappen zijn eigen verantwoordelijkheid voor het onderzoek dat hij pleegt en voor het toepassen van de verkregen inzichten. Dat kan en mag niet waardenvrij plaatsvinden; de sociale Wetenschapper is niet alleen gebonden aan bepaalde wetenschappelijke normen, maar hij weet zich — als het goed is — in zijn doen en laten gebonden aan de Wet van God, ook als richtsnoer voor het maatschappelijke leven. We komen daar zo dadelijk op terug.
Levensbeschouwelijke knelputen
Aangetekend zij, dat de genoemde knelpunten variëren per vak binnen de sociale wetenschappen. We zullen echter proberen om enkele algemene lijnen te trekken, waarbij geenszins aanspraak op volledigheid gemaakt wordt.
- aspekt-wetenschap
We beginnen met iets, wat op zichzelf geen knelpunt behoeft te zijn, maar het in de praktijk toch wel is als men intensief met de studie bezig is. De benadering van de sociale wetenschappen houdt in, dat de aandacht gericht is op het gedrag van individuen voorzover beïnvloed door de omgeving. Deze omgeving blijkt — veel sterker dan wij ons meestal bewust zijn — een grote invloed op ons handelen te hebben. Zeer scherp komt dit aan het licht, als bepaalde verschijnselen in verschillende samenlevingen bestudeerd worden.
Blijvend noodzakelijk is het om in te zien, dat een sociale wetenschap een aspektwetenschap is, dart wil zeggen steeds gekoncentreerd is op één bepaalde invalshoek. Het is nodig steeds voor ogen te houden, dat de mens — hoezeer ook in zijn gedrag
door anderen beïnvloed - als mens verantwoordelijk is en blijft voor zijn gedrag ten opzichte van zijn Schepper.
— feit en norm
Nauw hierbij aansluitend is het punt, dat wij door de beoefening der sociale wetenschappen tot een sterk relativerend gezichtspunt kunnen komen in levensbeschouwelijk opzicht. De sociale wetenschap vraagt niet zozeer: hoe behoort iets te zijn, maar meer: hoe is het feitelijk?
Onderzoeksresultaten tonen veelal aan, dat er een tegenstelling is waar te nemen tussen hoe iets behoort te zijn enerzijds en het feitelijke gedrag anderzijds. Het is steeds opnieuw nodig om te bedenken, dat de eventuele kloof tussen leer/moiraal enerzijds en het gedrag anderzijds nooit mag leiden tot een relativering van de wet van God. Immers, Gods geboden hebben onveranderlijk kracht van gelding voor alle tijden en alle plaatsen, omdat deze geboden de uitdrukking van Zijn heilige Wil zijn.
— mensbeeld
In een aantal gevallen wordt in de vakliteratuur soms openlijk, soms wat meer verkapt een bepaald mensbeeld ingebracht. Het is dan in de eerste plaats nodig om deze mensbeelden te onderkennen. In een aantal gevallen wordt dan duidelijk, dat uitgegaan wordt van een humanistisch/optimistisch mensbeeld. Het is onze taak om dergelijke buiten-wetenschappelijke uitganspunten te toetsen aan de Schrift en de daarop gegronde belijdenisgeschriften. Lees bijvoorbeeld eens wat in hoofdstuk 3 en 4, art. I en art. XI van de Dordtse Leerregels gezegd wordt over het mensbeeld, zowel ten aanzien van het verstand, de wil als het gevoel van de mens.
- maatschappijbeschouwing
Wat in het voorgaande punt gezegd is over het mensbeeld, geldt op overeenkomstige wijze .voor de maatschappijbeschouwingen in de sociale wetenschappen.
Zo is er in de laatste tien jaar een stroming waar te nemen, die niet alleen het feitelijk onderzoek voorstaat, maar dit nadrukkelijk wil dienstbaar maken in het streven naar een ideale samenleving. In de zogenaamde „kritische sociologie" wordt een samenleving nagestreefd, waarin de mensen vrij zijn en tot ontplooiing komen. Door middel van verandering van de gevestigde ekonomische en politieke verhoudingen wil men dit bewerkstelligen.
Naar aanleiding hiervan moeten wij ons de vraag stellen, wat men precies bedoelt met de genoemde vrijheid en zelfontplooiing. Spoort dit met wat de Schrift ons over deze zaken zegt?
We moeten er verder voor waken, dat de oorzaken van bepaalde misstanden uitsluitend gezocht worden in de maatschappelijke verhoudingen. Sommigen zien de wortel van alle kwaad in de belangentegenstellingen die er zouden zijn tussen de „bezittende" en „niet-bezittende" klassen. Heeft niet de grote Leraar der gerechtigheid het Zelf gesproken, dat uit het hart van de mens allerlei ongerechtigheid voortkomt?
En wij, wat sollen wij doen?
Tot besluit willen wij voor twee zaken aandacht vragen,
In de eerste plaats is er binnen de sociale wetenschappen een veelheid van stromingen en scholen. Als je bemerkt, dat je eenzijdig in een bepaalde richting gedrongen wordt, dan is het van belang de aandacht te richten op stromingen die een andere benaderingswijze vertegenwoordigen. Veelal bestaat er immers keuzevrijheid bij te bestuderen literatuur, te ondernemen onderzoeken en te kiezen vakken.
In de tweede plaats is belangrijk om allerlei uitgangspunten en inzichten te toetsen aan het Woord van God en de daarop gegronde belijdenisgeschriften van de kerk. We lezen in Lukas 3, dat achtereenvolgens de scharen, de tollenaars en de krijgslieden tot Johannes kwamen met de vraag: „En wij, wat zullen wij doen? " Zij kregen een antwoord voor de situatie waarin zij elk in. het bijzonder verkeerden,
We willen deze bijdrage besluiten met een citaat uit de bijbelverklaring van Calvijn bij dit hoofdstuk: „Johannes vermaant d: e tollenaars niet slechts in het algemeen tot bekering, maar hij eist ook datgeen van hen wat meer bijzonder op hun beroep betrekking had. Wij weten toch dat ieder, behalve de algemene regel der wet, ook die bijzondere behoort in acht te nemen, welke de betrekking waarin hij geplaatst is hem oplegt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1980
Daniel | 28 Pagina's