STUDIE VAN NEDERLANDSE TAAL- EN LETTERKUNDE
Je gaat studeren en je hebt „nederlands" als studierichting gekozen. Van harte gefeliciteerd, want je hebt een goede keus gedaan. Sterkte toegewenst, want je zult het niet gemakkelijk krijgen.
Deze twee uitspraken, die elkaar lijken uit te sluiten en ik toch beide serieus poneer, moet ik natuurlijk wat toelichten.
In de eerste plaats: e hebt een prachtig studievak gekozen. Je wordt immers — evenals bij elke talenstudie — gekonfronteerd met het verschijnsel „taal". Daarover is onder ons nog te weinig nagedacht; het wezenlijke van de taal aksepteren we al te vanzelfsprekend. Hierdoor zullen we de gave van de taal ook niet als een wonder beschouwen, wat ze echter wél is. Eén van de theologen die onder ons bekendheid genieten is dr. W. Aalders. Hij is één van de weinigen die in zijn publikaties bijna elke keer blijk geeft de scheppingsgave van de taal wél te bewonderen. Het meest pregnant heeft hij dat tot heden wellicht gedaan iii een artikel, getiteld „De Hervorming en het wonder van de taal" in de Reformatorische School (6e jrg., no. 5, aug. 1978) Hij stelt in dit .artikel dat de taal de zinvolle ruimte is waarin ieder mens leeft. Elke taal is in oorsprong ook religieus geworteld. De eerste tekst in de Bijbel waarin van taal sprake is (Gen. 1 : 3) luidt: En God xeide: aar zij licht! en daar werd licht". En twee verzen verder luidt het: En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht". Deze Goddelijke taal-aktiviteit wil de Heere ook aan Zijn schepsel de mens geven: it Gen. 2 : IS en 20 blijkt dat Adam aan alle vee, alle gedierte en gevogelte namen geeft. „En zo als Adam alle levende ziel noemen zou, dat zou haar naam zijn".
De Heere heeft Zich van taal, van het gesproken en geschreven woord, willen bedienen om Zijn wil aan de mensen bekend te maken. Daardoor is ook de Bijbel, het Woord Gods, tot ons gekomen. Het „sola Scriptura" is juist ten tijde van en dóór de Hervorming weer ten volle geaksentueerd. Wij noemen ons gaarne „zonen en dochteren" der Reformatie. Laten we ook hierin dan navolgers zijn van de reformatoren, die opnieuw het wonder van de taal ontdekt hebben. De taal, zo merkt Aalders op, werd in de tijd van de Reformatie weer gezien als orgaan van de Geest Gods. „Men wist op grond van de pinkstergeschiedenis, dat de Heilige Geest elke verlaagde en verleugende taal kan aanraken en vanuit de scheppingsoorsprong kan vernieuwen. Men ervoer dat in de prediking, in de vertaling van de Schrift in de volkstalen, in de berijmde psalmen, in de confessies".
Ik hoop dat je vanuit deze reformatorische gezindheid je taalstudie mag doen. Je staat dan in een zinvolle traditie, omdat taalwetenschap in de tijd van de Hervorming altijd in ere is geweest. Daardoor immers kon het in Duitsland komen tot de imponerende vertaling van de Bijbel door Luther in het duits, daardoor mocht Engeland de King James-version en ons land de even indrukwekkende Staten-Vertaling als taalmonument en - document van de eerste orde ontvangen.
Moderne grammatica
Je zult het, staande in déze traditie, echter niet gemakkelijk krijgen. Je leeft namelijk — dat weet je even goed als ik — in een wereld waarin het woord „God" veelal een lege klank geworden is. En dat betekent — aldus opnieuw Aalders — dat de taal die immers religieuze wortels heeft, de dood moet sterven. „De eigen vórm van taalbederf en taaiondergang (met alle gevolgen van dien voor mens en samenleving!) vanuit het atheïsme is de volstrekt geseculariseerde, ontheiligde, verzakelijkte, geheimnisloze taal, zoals die in socialistische landen is ontstaan. Het is de taal van het technisch milieu, kunstmatig, gekonstrueerd, gepland, berekend, zodat er nauwelijks meer kontakt is met een konkrete omgeving en met organisch leven. Alleen het verstand voelt er zich thuis. In zulk een milieu móét de taal verworden, omdat men niet anders meer kan denken dan in de voorstellingen, begrippen en modellen van planning en fabrikage. Hier kan niets meer groeien".
Juist een dergelijke verzakelijkte houding zul je ook in veel moderne taaltheorieën aantreffen.
Met name wanneer je met moderne grammatika wordt gekonfronteerd is dit het geval. Ik denk aan de zgn. t.g.g., de transformationeel generatieve grammatika. Wanneer men bepaalde t.g.g.-publikaties leest, waant men zich bezig met een wiskunde-boek.
Je struikelt over de vele formules. Je leest van „onafhankelijke PP-komplementen van nomina, van fokus-presuppositieverhoudingen, je verneemt van Wh-verplaatsing en Cl-verplaatsing in het nederlands, over de gespeeifieeerd subject conditie, over de motivatie voor de SSC, etc. Je leert met zinsstrukturen goochelen, zoals bijvoorbeeld met het toch eenvoudige zinnetje: , , Ik ken de jongen die daar zit":
Natuurlijk weet ik, dat elke v/etenschap bepaalde symbolen behoeft om zich kort en zakelijk uit te drukken. Wat de taalwetenschap betreft kan ik me echter niet losmaken van het citaat van dr. Aalders dat ik met zoveel nadruk doorgaf. Ik meen verband te zien tussen een dergelijke wijze van taalbeschouwing en het atheïstische, gesekulariseerde, verzakelijl^te klimaat waarin wij zowel buiten als binnen de uiiiversiteit leven. Voor het wonder van de taal is daarin geen plaats,
Historische grammatica
Nu zijn er gelukkig meer facetten aan de studie nederlands dan die welke ik noemde. Ik denk aan de historische grammatika en het gotisch. Wanneer wij onze taal serieus nemen, dienen we ook de etj^mologie van onze woorden te respekteren. Welnu, hoe „droog" de historische grammatika aanvankelijk ook is of lijkt te zijn, daar dient zij voor! Ik denk ook aan het middelnederlands en het 17e eeuwse nederlands. Met name het laatste aspekt van de studie acht ik voor een reformatorisch neerlandicus essentieel! Trouwens, als je opgevoed bent in de sfeer van de „oude schrijvers" zal het 17e eeuwse nederlands als vanzelf aantrekkingskracht op je uitoefenen. Ik denl? : ook aan de algemene taalv»? etenschap, aan de dialektkunde, aan de geschiedenis van de nederlandse taal. Wat de algemene taahvetenschap betreft, raad ik je aan ook kennis te nemen van publikaties van dr. K. Heeroma. Met name denk ik aan zijn „Nader tot een taaltlièologie". Hoe men theologisch ook over publikaties als deze moet denken — naar ik meen afwijzend — zij vormen toch een heilzaam tegenwicht tegen taalbeschouwingen die de taal volkomen exact-objektief, , , ding-matig" te lijf gaan.
Historische literatuur
Genoeg nu over de taalkundigs kant van het vak. Naast de taalkunde is er ook de letterkunde. Vele studenten hebben de studie van dit vak juist om de literaire kant ervan gekozen. Geboeid door de literatuurlessen op de middelbare school kozen zij de studie nederlands, _ om dan natuurlijk grote tegenvallers te moeten inkasseren, omdat de studie nu eenmaal niet alleen uit literatuur bestaat.
Wat nu echter de literaire kant betreft, hoop ik dat je de historische literatuur niet zult veronachtzamen. Je krijgt namelijk een unieke kans om via de literatuur kennis te maken met het nederlandse kultuurleven gedurende een achttal eeuwen.
Onder ons is het historisch besef gelukkig niet geheel verdwenen. Juist wij hebben dan ook, naar ik meen, de plicht om de historische literatuurstudie volkomen serieus te nemen.
Met name denk ik dan ook aan figuren die ons in de eerste plaats zouden moeten interesseren. Ik noem: Marnix van St. Aldegonde, Petrus Datheen, Valerius, Revius, Sluiter, Van Lodestein, de overige predikant-dichters van de 17e en 18e eeuw, de vertalers die meegewerkt hebben aan de Staten-Vertaling, de verschillende berijmers van de psalmen gedurende de 16e tot en met de 20e eeuw. Ik denk ook aan figuren als Bilderdijk, Da Costa, Willem de Clercq (die een uitermate boeiende figuur is in de beweging van het Reveil), aan de protestants-christelijke dichters en schrijvers van
de 20e eeuw. Waarom zouden, we ook hierin onze geestelijke afkomst niet getrouw zijn? Is het eigenlijk geen blamage voor ons, als een rooms-katholiek hoogleraar te Nijmegen, dr. P. J. Buynsters, een uitermate goede bloemlezing en inleiding van het dichtwerk van Jodocus van Lodestein verzorgt? Ik noem zo maar één tekst.uit.gave; er zouden er meerdere te noemen zijn!
Moderne literatuur
En dan is er onvermijdelijk de moderne literatuur. Hoe dan ook en aan welke universiteit dan ook je krijgt met de moderne literatuur te maken. Als je op een reformatorische school voor havo of vwo gezeten hebt, zul je niet met de meest kwetsende uitingen van moderne literatuur in aanraking gekomen zijn, althans niet via de lessen of de verplichte literatuurlijst.
Op de universiteit is die beschutting, die je misschien wel eens als knellend ervaren hebt, echter volledig weggevallen. Je hebt Wolkers en Claus, Hermans en Van het Reve maar te lezen, of je wilt of niet. Je zit bijvoorbeeld in een werkgroep die „De walgvogel" van Jan Wolkers uitgebreid gaat analyseren. Wat dan te doen? Een in alle gevallen afdoend antwoord is niet te geven. Wél dit: wees te allen tijde eerlijk tegenover je mede-studenten en degene die op dit punt je studie leidt. Ik kan me heel goed voorstellen dat je onoverkomelijke bezwaren hebt om maandenlang intensief met „De walgvogel" om te gaan. Leg de bezwaren die je hebt (m.i. is de eerste bladzijde van dit boek daarbij al doorslaggevend!) eerlijk op tafel en probeer taktvol en open de groep tot een andere keuze te bewegen. Wanneer dit niet lukt, wordt het pas écht moeilijk. Ik kan hierin niet meer dan een advies geven: Dat luidt: doe mee met deze werkgroep, maar zeg van te voren dat je stééds dwars zult liggen, omdat je niet anders kunt en mag!
Je zult die echter nooit alleen kunnen. Moge een dergelijke positie je op de knieën brengen. Want alleen de Heere kan jou wijsheid geven om te spreken in moeilijke situaties; alleen Hij is machtig om je dóór te helpen in de dagen van de benauwdheid, in de dagen ook van innerlijke twijfel en aanvechting.
In „Jij en..." schreef ik en daar sta ik nog geheel achter: „Lezen is kiezen! Niet alleen maar kiezen in de zin van: dit vind ik interessant en dat niet, dus laat ik dat liggen. Maar vooral kiezen met op de achtergrond de vraag: kan ik voor God verantwoorden wat ik lees? Je wordt bij de beantwoording van die vraag niet op jezelf teruggeworpen, maar je krijgt richtlijnen uit die Heilige Schrift mee".
„Lezen is kiezen. Dat is een verantwoordelijke bezigheid. Daarom kun je alleen lezen bij het licht van een geopende Bijbel en vanuit een werkelijke verbondenheid met Hem Die gezegd heeft: „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven"."
Je eigen identiteit
Tenslotte nog één ding! We spreken heden ten dage veel over onze eigen identiteit. Mijn dringend verzoek aan jullie is om niet. alleen als student maar straks ook als christen-neerlandicus je eigen identiteit te bewaren en te doen blijken. Dat betekent een kritische, door de Schrift genormeerde benadering van je studie. Dat betekent m.i. ook op literair gebied het ontwikkelen van een speciale „antenne" voor datgene wat ik als christelijke literatuur zowel in verleden als heden aanduid. Ik besef: deze is niet rijk vertegenwoordigd, maar ze is (vroeger overtuigender dan nu) onmiskenbaar aanwezig. Wij hebben de plicht die te ontdekken, te bestuderen en te analyseren. Uit eigen ervaring weet ik: de geschiedenis van de christelijke literatuur — ook daar waar we theologisch moeten afwijzen — is rijker dan menigeen vermoedt. Naar mijn mening moeten we (ook) andere figuren aan de orde durven stellen in de literatuurles dan „men" doet. Maar dit is voor jullie voorlopig nog. niet aan de orde! Vergeet het echter niet.
„Vaert wel ende levet schone", luidt een middelnederlandse wens. Ik zou het anders willen zeggen: „Vaert wel ende levet suver"!
Bedenk dit te allen tijde: onze scheppingsopdracht was oorspronkelijk de. lof van God verkondigen. Door middel van taal. Aan die eis houdt de Heere vast, ook na alles wat er gebeurd is in het paradijs. Dat brengt de spanning in het christelijke leven. Moge die spanning er ook zijn in ons christelijke bestuderen van de nederlandse taal-en letterkunde, en later in ons christelijk taai-onderwijs.
Dan zal het heimwee naar een volmaakt talig bezig-zijn onze aktiviteiten hier en nu reeds doortintelen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1980
Daniel | 28 Pagina's