SAMEN HET NIEUWE JAAR IN . . .
ONS VERVOLGVERHAAL (I)
Moeder Raboeska zit voor het raam. Gespannen kijkt ze naar buiten, de handen krampachtig in elkaar op haar blauwe schort. In. haar trilt de spanning: komen ze nog niet?
Maar in de lange smalle straat ziet ze noig niemand lopen. Het enige wat beweegt zijn de dansende vlokken, die speels langs het raam, naar beneden dwarrelen. De lange rij grijze huizenblokken aan de overkant lijkt nog grauwer achter het witte sneeuwdek op de straat. Maar moeder Raboeska ziet het niet. Even huivert ze. Het is o zo koud en het raam sluit niet al te best. Ze kijkt naar de kachel en de houtvoorraad. Zou ze er nog wat opgooien? Het is wel gezelliger straks, als het lekker warm is... En op zo'n bijzondere dag mag dat wel eens.
De vonken spatten gretig op, als het blok hout in de kachel verdwijnt. De twee meisjes, die op de igrond zitten te spelen, schuiven met glanzende 0; gen no'g wat dichter naar de warmte.
„Lekker, hè mam? " ze, gt Olga.
„Dat is fijn voor Ivan, hè moeder? " voegt Natasja eraan toe.
Moeder knikt, zit alweer bij het raam. Ivan... hoe zou het met hem zijn?
Haar gedachten gaan terug naar zes jaar geleden. Wat een verschrikkelijke dag was dat...
Huilend kwam Ivan uit school.
„Wat is er? " vroeig moeder Raboeska verschrikt.
Snikkend, zijn hoofd verborgen in haar blauwe schort, kwami het hele verhaal: de meester had, zoals wel vaker, gescholden op de christenen, die zo achterlijk waren, dat ze nog in God geloofden.
„Er zit er hier tooh zeker niet één, hé? " had hij gevraagd.
Niemand had gereageerd.
„Nee, dat dacht ik wel", had hij tevreden gezegd.
Maar toen kwam het: de kinderen moesten een diktee opschrijven. Er kwamen zinnen in voor als: De mensen, die in God geloven, zijn dwaas. Christenen zijn een pest voor onze maatschappij.
Ivan, met een rood hoofd, had voor zich uit zitten kijken. Het stormde in zijn jonge hart.
„Wat is er, Ivan? " had d; e onderwijzer gevraagd.
„Hij gaat ook wel eens naar de kerk, " had een jongen, die een goede beurt wilde maken, eruit geflapt.
De onderwijzer sprong op. „Wat!"
Hij had Ivan voor de klas geroepen en hem allerlei vragen gesteld: was hij gedoopt? Was hij geen lid van de kommunistische jeugd-organisatie? Maar deed hij wel mee met het jeugdwerk van de kerk? Vreselijk, wat ging hij tekeer tegen de jongen.
Moeder Raboeska had ontzet naar het verhaal geluisterd., .
Die middag had ze tevergeefs op haar jongen gewacht. Ivan kwam niet thuis Uiit school, ..
Met een vreselijk vermoeden had ze in angstige spanning op haar man gewacht. Maar die kwam ook niet thuis...
Toen had ze de twee kleine meisjes bij een buurvrouw gebracht en was gaan zoeken en vragen. Eerst naar de school, toen naar de onderwijzer. Die had haar met leedvermaak verteld, dat twee heren haar jongen hadden opgehaald. Hij moest naar een staatsschool.
Daar zou hij een goede staatsopvoeding krijgen...
Toen was ze naar de fabriek gegaan, waar haar man werkte. Ook daar waren twee heren geweest, vertelde de portier, die haar man hadden meegenomen. Ze moesten hem wat vragen... Lated had ze bericht gekregen, dat haar man in een proces tot vijf jaar dwangarbeid was veroordeeld. Als de Heere haar in die tijd niet ondersteund had, was ze bezweken onder de ellende.
Maar Hij had haar kracht gegeven, ook om hier en daar wat werk te doen. Ze moest toch nog voor haar twee kleine meisjes zorgen?
Een jaar geleden was haar man thuis gekomen. Lichamelijk was hij een wrak, bijna niet meer in staat te werken. „Maar wat de Heere hier heeft gelegd kunnen ze toch nooit meer wegkrijgen", had hij met tranen in de ogen gezegd, en hij wees op zijn borst. Gelukkig dat ze via de dominee af en toe geld kregen uit het buitenland. Waar moesten ze anders van leven?
Van Ivan hadden ze al die jaren niets meer gehoord. Maar er ging geen dag voorbij, of ze dachten aan hem en smeekten de Heere om Zijn bewaring. Zij konden hun jongen niet meer bereiken, maar de Heere was overal. Hij kon, ondanks die goddeloze kommunistische opvoeding, in het hart van hun jongen werken met Zijn Geest.
En nu... het nieuwe jaar was pas begonnen en... nu zou hij thuiskomen. Ze hadden een baantje voor hem gezocht. Ze waren blij, natuurlijk. Maar ook... bevreesd. Wat een bange vragen waren er: Hóe zou hij thuiskomen? En waaróm lieten ze hem gaan? Ze wisten toch, dat zijn ouders christenen waren? Of waren ze er zo van overtuigd dat hun staatsopvoeding succes had gehad, dat ze niet meer bang waren voor een terugval, als hij weer in een christelijk kwam? Zou alles van vroeger in dat jonge hart verstikt zijn? Hij was nog maar tien jaar, toen hij wegging...
En waarom mocht hij thuis wonen? Moest hij... rapporteren?
Moeder Raboeska gaat even verzitten en ze zucht diep. Er is nog niets te zien in de smalle straat.
Natasja komt bij haar staan.
„Komen vader en Ivan er nog niet aan, moeder? "
„Ja, zo hoor, kind."
De meisjes weten niet eens meer, wie Ivan is, denkt ze dan. Ze waren nog zo klein. Maar ze heeft hen wel steeds verteld, dat ze nog een grote broer hebben, die Ivan heet.
Ineens schokt ze op. Gespannen tuurt ze...
Er komen twee figuren om de hoek. Aan het lopen ziet ze, dat die éne haar man is. Dan moet de andere Ivan zijn. Hij is nog langer dan zijn vader.
Moeder Raboeska kan bijna niet opstaan. Zo trillen haar benen opeens.
„Olga... Natasja... daar komen ze!" zegt ze.
Even later staat hij in de kamer: Ivan! Lang, slungelig, zijn bontmuts zenuwachtig in de handen verfrommelend.
„Moeder!" zegt hij en hij moet zich bukken om zich te laten omhelzen.
„Kijk eens, Ivan, dit zijn je zusjes. Dit is Olga en dit is Natasja. Ze hebben zo verlangd naar hun grote broer".
„Toen lagen ze nog in de box", zegt Ivan.
Toen... Even hangt dat woord zwaar in de stilte.
„Weet je dat dan nog? " vraagt moeder. Ze ziet zijn gespannen gezicht, die gejaagde ogen. Dan neemt ze resoluut de leiding, pakt hem bij een arm en duwt hem in een stoel.
„Zo, nu gaan we er eerst eens rustig bij zitten. Olga, jij mag de muts en de wanten wegbrengen en Natasja hangt de jas van Ivan op. Dan drinken we eerst eens wat lekkers".
„En we hebben krentebrood! Mama heeft er een paar uur voor in de rij gestaan!" flapt Olga eruit.
Ivan kijkt verrast op. „Weet u dat nog, dat ik dat zo heerlijk vond? "
„Jongen, dacht je, dat ik dat zou vergeten? "
Het gezicht van de jongen ontspant iets. Met een tevreden zucht kijkt hij rond.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1980
Daniel | 28 Pagina's