HET LICHT SCHIJNT IN DE DUISTERNIS
ONS KERSTVERHAAL
- DEEL II -
Door de donkere nacht rijdt een zware vrachtauto. In de goed verwarmde cabine zitten twee mensen. Een man en een jongen. Ze zeggen weinig tegen elkaar. Af en toe een enkelwoord. „Vader". „Ja Jaap".
„Zou, zou hij slapen? " , , 'k Denk 't wel joh". Jaap, zijn benen op de zitting, knuffelt zich heerlijk met z'n rug in de leren bank. Vanuit z'n ooghoeken kijkt hij naar het silhouet van de man achter het stuur. Hij voelt zich warm worden van binnen. Wat een fijne vader heeft hij toch. Wie zou het durven wat vader doet? Wat een vreemde dag was het gister. Toen ze bij het huis van Victor kwamen zei vader, dat hij maar even in de auto moest wachten, dan hoefde hij hem niet af te sluiten. Vader was nog geen minuut binnen, of een man kwam op de auto toelopen. „Holland? " zei hij, op de nummerplaat wijzend. Toen Jaap het raampje neerdraaide, kwam hij brutaalweg op de treeplank staan en loerde nieuwsgierig naar binnen.
„Was musz du bei Victor? " vroeg hij. Al z'n kennis van de duitse taal bijeenschrapend vertelde Jaap het. De kerel haalde z'n schouders op en keek hem ongelovig aan. Toen vader na een kwartier terugkwam, had hij geen pakje bij zich. „Wo ist das uhrwerk? " vroeg de vent, Vader vertelde hem vriendelijk dat de klok nog niet klaar was en op een volgende reis zou worden afgehaald. De man sprong pas van de treeplank, toen vader gas gaf. Wat een rare kerel was dat. „We gaan vandaag nog niet op huis aan
Jaap", zei vader toen ze buiten het dorpje waren. „Vanavond moet ik nog een passagier ophalen, hier vlakbij". Stil had hij toen naar vaders verhaal geluisterd. Het verhaal over ds. Vlamir, dat Victor in heit kort had verteld.
Die avond hebben ze de dominee opgehaald, 't Was aardedonker, maar vader wist precies waar hij zijn moest. Het sneeuwde weer en er woei een harde wind. Voorzichtig stuurde vaderde wagen van de grote weg af, een bospad in. Na een kwartiertje rijden draaide hij de auto weer met de neus naar de grote weg, zette de motor stil en deed de lampen uit. „Jij blijft in de wagen Jaap, hoe lang het ook duurt". „Ja vader", had hij kleintjes geantwoord. Wat werd het koud in de cabine en wat was hij bang!
Kwam vader nu maar. 't Duurt toch wel erg lang. De lichtende wijzers van het klokje op het dash.ba.rd vertellen dat het bijna negen uur is. Zou hij eens buiten gaan kijken? Nee, hij heeft vader beloofd in de auto te blij Wat, wat is da.t? Er valt iets op de wagen. Jaap zit stokstijf van schrik. Hoor, daar is het weer, nu een beetje meer naar voren. Het huilen staat Jaap nader dan het lachen. Plots schuift er iets langs de ruit, vlak voor hem. Het valt met een plof op de motorkap. Jaap wil roepen, maar er komt geen geluid uit z'n keel. Er er probeert vast iemand binnen te komen en het portier aan vaders kant is niet op slot. Jaap maakt zich zo klein als hij kan, z'n hart bonkt, z'n handen zijn klam. Weer ploft er wat nu achteraan op de auto; Jaap houdt het niet langer uit in z'n hoekplaatsje. Hij springt overeind en klautert over de rugleuning heen, in de slaapplaats daar achter. Hij stoot z'n hoofd, hij voelt het niet; hij bezeert z'n knie, maar hij merkt het niet. Hij kruipt weg onder de wollen paardedeken, z'n hoofd diep in het hussen. Het zweet breekt hem uit. 't Is nu weer stil geworden buiten. Of nee, toch niet, er morrelt iemand aan het portier, dat wordt met een zwaai opengetrokken en een bekende stem zegt: „Voorzichtig dominee, 't is een hele stap". „Oh, v-vader", sniklacht Jaap, „b-bent u daar? "
Zou hij slapen, vader ?
Toen de vrachtwagen een halfuurtje later de grote weg opdraaide, lag dominee Vlamir op Jaaps plaatsje achter de rugleuning. Tussen vader en Jaap in zat Victor. „Zet mij maar in de stad af", had hij gezegd. „Ik blijf daar zo vaak een nachtje over. Dat valt niet op".
Jaap had het eerlijk verteld aan zijn vader van zijn bangheid, , , 't Was zo' donker, zo aardedonker, 'k Had alles wel willen geven voor één lichtje". Rustig had vader Jaap uit laten praten. Toen zei hij: „Weet je, dat toen de Heere Jezus geboren werd, het zo donker was in de wereld als daarnet bij jou in de auto? Donker als de nacht, maar God had beloofd, dat het Licht zou komen. En dat Licht is gekomen Jaap. Vraag maar of het in jouw hart wil schijnen. Want daar is het ook donker". Stil had Jaap in z'n hoekje gezeten, hij was pas in beweging gekomen toen hij de lichten van de stad zag. Toen ze stopten was Victor tussen de geparkeerde wagens verdwenen.
Vader was direct daarna doorgereden. Als 't niet harder zou gaan sneeuwen konden ze om een uur of vijf bij de grens zijn. 't Blijft heel stil achter in de slaapplaats. „Zou hij slapen? " , , 'k Denk het wel Jaap".
De grens
De grote vrachtwagen nadert de grens. Rustig zit vader van Bergen achter het stuur. Hij voelt geen slaap. Hij is ook niet bang om wat er gebeuren kan. Een half uurtje geleden heeft hij de wagen even stilgezet. Samen hebben ze toen de Heere gevraagd of Die wilde helpen. „Hij zal geen half werk doen meneer van Bergen", had ds. Vlamir gezegd. Nu ligt Jaap op de slaapplaats en de dominee is in de bak onder de matras gekropen. De reservekussens en - dekens zijn eruit gehaald. En toen de dominee met enige moeite in de bak was gaan liggen en het deksel dichtgeklapt was, werd de matras er weer opgelegd en lag Jaap even later op drie kussens en onder twee wollen dekens. Er waren gelukkig twee ronde gaten in de bak, zodat het niet al te benauwd was voor de dominee. Ondanks alle spanning is Jaap in slaap gevallen. Hij wordt zelfs niet wakker als de grenspost is bereikt.
„Papieren und mitkommen", beveelt een norse stem. Vader neemt alles wat nodig is en volgt de douanebeambte in het kantoor. Nauwkeurig wordt alles bekeken. „Nichts an zu geben? " Nee, vader heeft niets aan te geven. „Mmm, kontrole". Eén man onderzoekt de laadbak en laat z'n sterke zaklamp in alle hoeken schijnen. De man met de norse stem klimt de cabine binnen.
Wo ist der Jungen?
Door het dichtslaan van het portier is Jaap ontwaakt. Hij weet eerst niet goed waar hij is, maar al gauw herinnert hij het zich. Maar waarom staan ze stil en — hij richt zich
wat op — waar is vader? Oh, de grens! Hij voelt z'n hart bonzen. Als ze de dominee eens ontdekken! Vreemd, toen ds. Vlamir zo vol vertrouwen zei: „De Heere doet geen half werk", geloofde hij dat ook. Maar nu. O, 't portier gaat open.
„Wo ist der Jungen", hoort, hij kortaf vragen. „Die slaapt", zegt dan de rustige stem van vader. Ja., hij zal zich slapend houden, dan zullen ze de bank vast niet onderzoeken. Jaap knippert niet eens met de ogen als de douaneman zijn felle lamp op de slaapplaats laat schijnen. Aan de andere kant hoort hij gestommel en geschuif in de laadbak. Het onderzoek is. gauw afgelopen. „Gut", bromt de man, „sie können aha, der Telefon". Hij holt naar binnen. Langzaam gaat de roodwitte slagboom omhoog en met een dankgebed in zijn hart rijdt vader erlangs. Het is gelukt, ze zijn de grens over. Nu nog een paar kilometer niemandsland en dan de Oostenrijkse grens. Terwijl hij langzaam wat vaart meerdert — er woedt een zware sneeuwbui — wordt de deur van het douanekantoor opengesmeten en rennen er twee mannen naar buiten. Onder een afdak staat een., zware motor. Eén van de mannen trapt hem aan, de ander springt achterop en ronkend verdwijnen ze in de dichte sneeuwbui. Achter heit brullende monster gaat de roodwitte slagboom, langzaam omlaag.
Iwan, daar!
In z'n tweede versnelling, zoekt de grote vrachtwagen zijn weg door de warrelende sneeuwvlokken. In het licht van de autolampen lijken al die duizenden vlokjes wel vuurvonken, die recht op dei wagen toe schieten. Jaap is over de rugleuning geklommen, de slaapbank staat opengeklapt en de dominee kan nu volop ademhalen. Straks bij de grens zal hij voor alle zekerheid toch maar weer terugkruipen. En een goede driehonderd meter achter hen ronkt de motor. Langzaam maar zeker haalt hij de voortploegende vrachtauto in. De mannen zetten alles op alles. Het telefoontje was kort maar duidelijk. „Is die Hollander met het kenteken ZD - 23 - 24 al gepasseerd? Ja? Breng hem terug, koste wat kost. Vlamir zit erin, hij mag in geen geval het land uit". „Iwan, daar!" schreeuwt plots de man achterop. Ja, twee rode puntjes gloeien op tussen dicht opeen warrelende sneeuwvlokken. Iwan houdt links aan. Hij zal de wagen passeren en hem dan dwingen te stoppen door de motor er dwars voor te plaatsen. Wat roekeloos geeft hij gas in de bocht. De zware motor begint te slippen. „Ik houd 'erm niet!" schreeuwt hij. „Spring eraf!" Maar het is te laat, als een tol draait de motor in 't rond en slaat teigen de grond. Iwan ligt eronder en zijn passagier krabbelt twee meter verder beduusd overeind. Langzaam stroomt de benzine weg uit de kapotte tank.
Feest in de cel
't Is kerstfeest. In een donkere cel zit een man. Zijn haar is wit, z'n gestalte wat gebogen. Hij bidt. Ja hij bidt én hij luistert. Hij luistert naar een stem, in zijn hart: „Victor, Ik verkondig u grote blijdschap", 't Is feest in die donkere c, el, kerstfeest.
Feest in het kamp
't Is kerstfeest, ook voor dominee Vlamir. Kijk daar zit hij, bij zijn vrouw en de kleine Johann. Hij bidt. Ja, hij bidt én hij luistert. Hij luistert naar een stem in zijn hart: „Dominee Vlamir, Ik verkondig u grote blijdschap", 't Is feest in één van de tenten van het vluchtelingenkamp, kerstfeest.
Feest in Jaaps hart
't Is Kerstfeest, ook voor Jaap. Kijk daar zit hij op z'n hoekplaatsje in de kerk. Hij bidt. Ja, hij bidt én hij luistert. Hij luistert naar de stem van de dominee, die het zeggen mag als een gezant van God: „Ziet, Ik verkondig u grote blijdschap", 't Is feest in Jaaps hart, kerstfeest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1979
Daniel | 24 Pagina's