BEN JIJ EEN LICHTDRAGER?
Jezus zei: „Gij zijt het licht der loereld. Men steekt niet een kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt voor allen die in het huis zijn".
Het Licht kwam
De twaalf discipelen hadden het grote voorrecht dat ze in aanraking waren gekomen met Jezus van Nazareth. Zo op het oog leek Iiij een man als ieder ander, maar zodra Hij sprak tot hen hadden ze een ervaring die ze nooit te voren hadden gehad: hun harten begonnen te branden in hun binnenste. Zijn stem was met macht! Die was als een vlam die hun binnenste in gloed zette; als een doordringend licht dat hun duistere leven plotseling hel verlichtte. Ze zagen opeens het doelloze, het zelfgerichte van hun leven; en hoe schaamden ze zich! En hoe begonnen hun harten te hunkeren om door Jezus geheel verlicht, en verlost te worden! Hun bezocht „de Opgang uit de Hoogte" om het met Zacharia te zeggen. Het Licht dezer wereld was hun reddend verschenen.
En hoe goed was het om in de nabijheid, van Christus te verkeren. I-Iij had de maoht om hun harten gaande te maken. In Zijn nabijheid was het als een zich koesteren in de zonneschijn na de lange koude wintertijd. Soms ook deden Zijn woorden hun harten beven als een riet, als Hij hun hun zondigheid en hun eigengezindheid aantoonde, maar dan voelden zij toch dat ook dit voortkwam uit Zijn liefdehart, om hen van zichzelf te verlossen. Hoe goed en veilig was het zo stilletjes bij hun Meester en Heere te schuilen, ver van het woelen der wereld!
„Gij zijt het licht der wereld!"
Maar toen kwam de dag dat Jezus neerzat met hen en m.et hen ging spreken over de taak die Hij hun op de schouders wilde leggen: „Gij zijt het licht der wereld", zei Hij, „een stad boven op een berg liggende kan niet verborgen zijn. Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een korenmaat, maar o.p een kandelaar, en zij schijnt voor allen die in het huis zijn!"
Dat bracht hen in verwarring. Jezus is het Licht der wereld, ja, dat hadden ze goed ervaren. Maar nu zij? Zij in deze zondige wereld schijnen als lichten in de nacht? Hoe konden ze dat? En hoe durfden ze dat? En waar was het licht in henzelf dat zij moesten verspreiden?
Toch hadden ze het duidelijk gehoord; het licht dat ze ontvangen hadden mocht niet verborgen blijven. Jezus vroeg van hen dat het ontvangen licht van hen af zou stralen op anderen. Maar hoe dan?
Jezus de krachtbron
Wie door Jezus verlicht wordt in het diepst' van zijn ziel, verandert zelf in een brandende en lichtende kaars. Hij Zelf doorgloeit Zijn kinderen zó, dat het naar
buiten af gaat stralen, zoals een gloeilamp kracht ontvangt van de centrale en daardoor gaat gloeien. Hier is het antwoord op de vraag, hoe wij, die zo duister in ons verstand en verdorven zijn geworden door de zonde, een licht zouden kunnen zijn in deze wereld:
Door U, o Heer, geeft mijne lamp haar licht,
mijn God verdrijft de nacht uit mijn gezicht." (Ps. 18)
In het boek Zacharia wordt een ander prachtig beeld gebruikt: Zoals de zeven lampjes van de kandelaar steeds gevoed worden met olie uit de olijfbomen daarnaast, zó ontvangen wij door Gods Woord en Geest de genade en de kracht om anderen ten licht te kunnen zijn (Zach. 7).
De liefde die uit God is, noopt ons, om Zijn liefdebevel op te volgen, en ons licht te laten schijnen voor allen die „in huis zijn", en zelfs daarbuiten, in andere landen, waar mensen verstoken zijn van het licht
De heilsboodschap is: „Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op". Maar hoe zullen de duizenden hier te lande, en in den vreemde dat Licht zien, indien hun niet bestraalt de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, indien hun niet iemand deze Weg verkondigt?
Een beschamend voorbeeld
Mbam Ede is een weduwvrouw!je in Izi, Nigeria. Vier jaar geleden werd zij door God getrokken uit de donkerheid van haar heidens leven. Zondag aan zondag zat zij toen onder het grasafdakje waar het Evangelie verkondigd werd, totdat de Heere het grote Licht deed opgaan in haar ziel. Toen werd' zij zo verwonderd dat die grote God haar in dat afgelegen Izi-gebied had opgezocht en dat Christus Zijn kostbaar bloed ook voor haar had willen storten! Zij sprong op van vreugde en zong ervan. Maar toen dacht ze ook meteen aan haar familieleden en dorpsgenoten met wie zij zolang vervreemd van God had geleefd. Hoe kon ze toen blijven zitten en hen aan hun lot (een vreselijk lot!) overlaten? Ze móest erop uit gaan en hen vertellen van de komst van Jezus om ons te oordelen, én van het bloed dat ons reinigt van alle zonden. En zo kon je haar voortaan elke zaterdagavond, nadat ze haar werk in de kliniek (waar ze als hulp-vroedvrouw was aangenomen) beëindigd had, er op uit zien trekken naar andere huizen, met het hartehoekje van ds. G. A. Zijderveld (je weet wel) in de hand. Lezen kon ze niet, maar ze kon de mensen wel de plaatjes laten zien en hen vertellen van hun boze hart en het bloed van Jezus dat hen reinigt.
Een brandende kaars in een duister land! Beschamend voorbeeld voor ons, die zo veel méér gaven ontvangen hebben dan dit vrouwtje. De vraag is of wij wel zoveel liefde hebben als zij. Want de liefde is de vervulling der wet.
Het waarachtige' Licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens, is komende in de wereld. Gunnen wij anderen dit' licht? Ben jij een lichtpuntje in deze donkere wereld?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1979
Daniel | 24 Pagina's