ALLES WAT ADEM HEEFT LOVE DEN HEERE
(Psalm 150)
In de psalmen kan men het hart van de heiligen horen kloppen. Hun hartslag, dat is het geestelijk leven van Gods kinderen, kom je in de psalmen tegen.
Er wordt in de psalmen gesproken over zonde en genade; je kunt er klacht en roem in beluisteren. Ze gewagen van strijd en overwinning, droefheid en blijdschap, geween en gejuich.
Het geestelijk leven wordt dus gekenmerkt door afwisselingen, door gestalten die aan elkaar tegengesteld zijn. Natuurlijk is dat niet bij ieder van Gods kinderen op een zelfde wijze en in een zelfde mate aanwezig. Maar niemand is er vreemd aan.
Hoe zou men ook van genade kunnen getuigen als men niet weet wat zonde is, als men niet weet door de zonde doodschuldig te zijn? Maar als men alleen maar van zonde weet en niet van genade, al is het in heel geringe mate, mag men zich niet troosten geestelijk leven te bezitten.
De Heere leert de Zijnen te klagen, maar ook te roemen. Hij leert ze bidden, maar ook te danken. Zij weten van strijd, maar ook van overwinning. Droefheid en blijdschap wisselen elkaar af. „Des avonds vernacht het geween en des morgens is er gejuich". De Heere geeft het één tegenover het ander. Hij doet nooit half werk. Daarom.: als je de Heere zoekt in je zielsverdriet, houd aan. En als Hij vertoeft, verbeid Hem; Hij zal gewis komen.
Als we ons door genade op de weg des levens bevinden, dan loopt, deze weg ook uit in de hemel. Dat is ook de lijn die we in het boek der psalmen ontdekken. Want de laatste psalm, psalm 150, is een hemelpsalm. Het is één groot loflied. Het is alsof alle registers worden opengezet om in één machtig akkoord de lof des Heeren te bezingen. Deze psalm eindigt met de woorden: alles wat adem heeft love den Heere! Hallelujah! Wie de inhoud van deze psalm verstaat, heeft het beginsel van de eeuwige vroeugde in zijn hart gesmaakt.
De dichter begint met zijn opwekking te richten tot hen die in God's heiligdom zijn. Hier wordt de hemel mee bedoeld. De engelen worden opgeroepen hun Schepper groot te maken en te verheerlijken.
Van het hemels heiligdom daalt de dichter af tot de zichtbare hemel, die tussen het heiligdom Gods en de aarde is. In dat uitspansel heeft de Heere Zijn sterkte geopenbaard. Het heirleger van zon, maan en sterren schitteren daar als Zijn getuigen. Zij bevestigen, naar psalm 89, de waarheid van Zijn woorden. Daarom moeten zij evenals de engelen in het hemels heiligdom, de Heere loven. Ze worden opgeroepen Gods grootheid en heerlijkheid te doen schitteren.
Geen stem mag in het akkoord van deze lofzang ontbreken. Dus geen engel, of enig schepsel, maar inzonderheid dé mens niet. Want die is zo geschapen door God, dat hij zijn Schepper bewust loven en prijzen kon.
Daarom moet inzonderheid de gemeente dies Heeren, die in Christus nieuwe schepselen zijn, Hem verheerlijken. En dat niet alleen met de stern, , maar met allerlei muziekinstrumenten, die de dichter in deze psalm noemit. Het zijn er een achttal die in Israël bij de tempelzangen in gebruik waren.
Het is dus geen verkeerde zaak muziekinstrumenten te gebruiken. Ook niet in de eredienst in de kerk. Of thuis ter begeleiding van het zingen. Zijn ook nu de gezinnen wel eens bijeen geschaard om, bij het orgel, psalmen en geestelijke liederen te zingen? Allerlei groepen die „muziek" produceren wedijveren met elkaar om in de gunst van het publiek te komen. De meest weerzinwekkende taferelen spelen zich daarbij in allerlei „popgroepen" af. De razernij stijgt vaak ten top, alle grenzen van fatsoen worden overschreden.
Maar hier komt de oproep: de Heere te loven voor Zijn verlossing en redding. Hier moet alles, niemand en niets uitgezonderd, in de hemel, aan de hemel en op de aarde
de mogendheden en de grootheid van de Heere loven en in één Hallelujah, looft den Heere, samenstemmen.
Daar loopt de toekomst op uit. In Openb. 5 : 14 en 15 lezen we: n alle schepsel dat in dé hemel is en op de aarde en onder de aarde en die in de zee zijn en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: em, Die op de troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. En de vier dieren zeiden: men. En de vierentwintig ouderlingen vielen neder en aanbaden degene die leeft in alle eeuwigheid.
Vooral de gemeente des Heeren, die leeft bij de genade Gods in Christus aan zondaren bewezen, heeft alle reden de Heere op het hoogst te prijzen. In het bijzonder voor Zijn genade geopenbaard en geschonken in Jezus Christus tot behoud van schuldige en verloren zondaren.
Op aarde verstomt zo vaak het loflied door ongeloof en twijfel, door aanvechting en strijd. En al is het waar dat zelfs in de nacht de psalmen wel worden aangeheven, het volmaakte zingen zal eenmaal zonder ophouden geschieden waar eeuwige vreugde op hun hoofd zal zijn en treuring en zuchting voor eeuwig zijn opgehouden.
Vragen:
1. Wat wordt bedoeld met: het beginsel der eeuwige vreugde? Zie H.C. vr. en antw. 58.
2. Waarom heeft de ene ware gelovige daar meer wetenschap van dan de ander?
3. Waarom blijft het toch maar een „beginsel"?
4. Is het juist als gezegd wordt: er zullen ogenblikken zijn in de hemel waarin de engelen zullen zwijgen en de gezaligden zullen zingen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1979
Daniel | 24 Pagina's