JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

TOCH GERED

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TOCH GERED

9 minuten leestijd

Dit verhaal heeft Mej. v. d. Berg verteld op de - 16 bondsdag in Den Haag. We plaatsen nu de tweede aflevering in ons blad!

Het is duivels werk, Henk

„En jij zult de schuld zijn van het ongeluk van een ander". Met de regelmaat van een klok dreinen en dreunen deze woorden door Henks hoofd, 't Is al twee uur geweest en nóg heeft hij geen oog toegedaan. „Mijn schuld, mijn schuld". Hij had z'n tas beneden moeten zetten, zoals altijd. Maar toen er om halfacht gebeld werd, moest hij zonodig opendoen. In de haast had hij z'n tas even bovenaan de trap gezet om gauw beneden te zijn. Hij zou hem straks wel halen. Henk gooit zich voor de zoveelste maal om. Nu ligt Tineke in het ziekenhuis, zijn schuld. Hij heeft het verteld van de kermis en de waarzegster. Vader en moeder hebben hem geen straf gegeven.

Samen hebben ze gebeden en gevraagd om vergeving en of Tineke weer beter mocht worden. „Het is van de duivel wat die vrouw doet Henk" had vader gezegd.

„Arme mensen, die naar haar toegaan om de toekomst te laten voorspellen". Henk gooit zich op zijn andere zij. Ja hij heeft het wel verteld: van madame Weleda, maar over die man, waar ze hem voor waarschuwde, heeft hij geen woord gerept.

Daar heb j'em!

Het is enkele weken later. Over het oude marktplein fietst een jongen.

Hij fluit een vrolijk wijsje. Eigenlijk kan hij wel zingen, maar dat is al te gek. Vandaag komt Tineke thuis, ze is beter, helemaal beter. In z'n tas zit een kadootje voor haar, een kleurboek en een pakje viltstiften. Woest scheurt hij het plein over. Net wil hij met een zwierige bocht de Beverwijkstraat inschieten, als hij plotseling op z'n rem gaat staan. „Nee, dat niet", kreunt het van binnen. Al het blijde is weg, alle vrolijkheid verdwenen. Daar heb j'em! Levensgroot, levensecht! Henk is van z'n fiets gesprongen. Daar op de grote ronde peperbus met z'n vele kleurige aanplakbiljetten prijkt een levensgrote foto van een man. Zijn gitzwarte haar is glad achterover gekamd, zijn donkere ogen gloeien. Hij heeft een klein puntbaardje en zijn oren ! „Kijk, kijk, daar is hij, zwart, zwart als de nacht", hoort hij weer de hese stem van madame Weleda. Henk rukt zich los van die gloeiende, priemende ogen. Blindelings racet hij de De Withstraat in. Weg, weg van hier. De man met het zwarte puntbaardje kijkt hem, na. 't Is alsof er in zijn koolzwarte ogen een triomfantelijke blik verschijnt.

Demonlogos

„Demonlogos, de beroemdste helderziende ter wereld. Zoekt vermisten op, legt kontakten met reeds lang overledenen en vertelt u alles wat u weten wilt over de toe-

komst. Ook u kunt met hem kennis maken. Zondagavond om 8 uur in gebouw „Kunstmin". Dit moet u niet missen! Entree 25 gulden". Met kloppend hart leest Henk de in grote letters gedrukte advertentie. Dat is ie, dat kan niet missen. Dwars door d: ie letters heen ziet hij het gezicht van die man met zijn donkere dwingende ogen. Het gevoel van op te moeten staan en de blik in die ogen te gehoorzamen wordt zo sterk, dat het bijna niet te onderdrukken valt. Moeders stem brengt hem tot de werkelijkheid terug. „Hoor je me niet Henk. Wat heb je toch jongen? "

„Ik, o niks moeder, ik zat in gedachten", brengt hij er met moeite uit.

Als het eten op tafel staat kan hij bijna geen hap door z'n keel krijgen. Het vrolijk gesnap van Tineke hoort hij niet, het bijbellezen gaat totaal langs hem heen en als vader gaat danken, vouwt hij met een niet te begrijpen tegenzin de handen.

Komt allen tot Mij

„Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven".

Henk schrikt even op. Vermoeid, belast, ja dat is hij. Hij is zo moe, dat hij 't niemand vertellen kan. Hij draagt zo'n zware last, dat niemand het geloven zal. „Wie je ook bent, jong of oud, arm of rijk, ieder die vermoeid is, mag komen. Vermoeid door zijn zonden, belast met zijn schuld. Hij geeft rust". Even, heel even nog houdt de predikant door z'n indringende woorden I-Ienks aandacht gevangen. Dan dwalen zijn gedachten weer weg en worden gevangen genomen door de man, die hem langzaamaan volkomen in zijn macht krijgt.

’t Is nacht

't Is donker en 't giet van de regen. Een enkele auto, een brommer en af en toe een paar haastige voetgangers brengen wat beweging in de bijna verlaten straten van de stad. In sommige huizen brandt nog licht en de straatlantaarns zijn al meer dan een uur geleden op „nacht" gesprongen.

Langs het park tegenover de Julianakerk loopt een jongen. Hij heeft haast en gaat zo te zien recht op zijn doel af. Vlak bij de kerk houdt hij even zijn pas in, even maar. Dan loopt hij weer door, nog haastiger lijkt het wel. Het licht van de lantaarn voor het huis van de dominee valt op zijn gezicht. Maar, maar dat is Henk. Wat moet die nou hier, zo midden in de nacht?

Kom tot mij

Langzaam maar zeker is Henk in de macht van de man met het zwarte puntbaardje gekomen. In de greep van de mensenmoorder va.n den beginne, de Satan. Toch is Demonlogos al lang uit de stad vertrokken. Zijn foto staat al wekenlang niet meer op de grote peperbus. Langzaam maar zeker verdwijnt alle godsdienstig gevoel uit Henks hart. Hij bidt niet meer, hij leest niet meer in zijn Bijbeltje. Voor vader en moeder doet hij alsof. „Wat is er toch Henk, wat heb je jongen? " Op de vragen van zijn verontruste ouders geeft hij geen antwoord. Hij ziet eruit als een geest en haalt onvoldoende op onvoldoende op school.

Zondagavond waren vader en moeder naar de kerk. Om halfzeven klepte de brievenbus. Er lag een envelop op de mat. Toen hij hem openmaakte keken de ogen van Demonlogos hem aan, dwingend, dreigend, vol duivelse haat. „Kom", geboden die koolzwarte ogen, „kom". „Nee" had hij geschreeuwd, „nee". Tineke was gaan huilen. Dat had die satanische ban even verbroken. Hij had de foto kapotgescheurd. Vader en moeder waren over de preek begonnen, maar hij was naar zijn kamer gegaan, zijn ouders vol angstige vragen achterlatend. Vanavond had hij opgepast, vader en moeder waren bij de buren verderop in de straat op visite. Om 10 uur ging de telefoon. „Met Henk van Wingerden". En toen: „Kom tot mij, kom tot mij". Een donkere mannenstem: herhaalde tien, twintig keer dat ene korte zinnetje: „Kom tot mij, kom tot mij". En hij was gegaan, zomaar naar buiten, de stromende regen in.

Weken, maanden verstrijken. Henk is weg en hij blijft weg. Alle naspeuringen zijn vergeefs. Geen oproep in de kranten, geen bericht via de radio doet hem terugkeren naar huis. O, wat is er toch gebeurd?

Alle macht

In zijn studeerkamer zit dominee Hasman gebogen over zijn Bijbel. „En Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde". Die tekst laat hem niet los. Daar hoopt hij zondag over te preken. Alle macht, ook de macht om Henk van Win-

gerden terug te brengen bij zijn ouders. De macht om hem te redden uit de klauwen van Satan. Een wonderlijke blijdschap doorstraalt zijn ziel, een zekerheid da.t die onweerstaanbare' Almacht Henk redden zal, vervult zijn hart. Ja, alle macht in hemel én op aarde. En stil vouwt dominee Hasman de handen. „Heere, Uw Naam zal alle eer ontvangen".

Is liet een roomse kerk?

Midden in de duinen staat een kerkje. Het is helemaal zwart geverfd, de ramen zijn geblindeerd en de deur is gesloten. Tóch zijn er mensen in de kerk en branden er kaarsen op het altaar. Is het een roomse kerk? De man bij het altaar heeft wel een wit priesterboord om, maar je ziet nergens een. kruis staan of hangen. Of ja toch daar hangt het, maar maar dat is vreselijk, dat kruis hangt ondersteboven! Ja nog erger de armen van dat kruis wijzen schuin naar beneden, net alsof ze gebroken zijn. Maar dit is geen kerk waarin je God kunt dienen. Dit is een een satanskerk! En dat kruis? Dat heeft niets te maken met Golgotha. Dat. is een een satanskruis! En die man bij het altaar? Dat is... diat is Demonlogos, een satansdienaar! En die jongen daar naast hem? Maar dat is Henk! Henk, die door de duivelse listen van Demonlogos helemaal in de macht van Satan is gekomen. Wie zou hem nu nog kunnen verlossen? Wie zou hem hieruit kunnen redden?

Ja Henk is volledig in de macht, van de man met de dwingende, dreigende ogen, de hogepriester van Satan, Demonlogos, Dat is ook bekend geworden in de stad waar hij woonde. Dat weten nu ook zijn vader en moeder, de leraren op school, de dominee, zijn vrienden. En diie vergeten hem niet. Dagelijks bidden vader en moeder om zijn terugkeer. Zondag aan zondag draagt dominee Hasman hem op aan Gods troon en de gemeente bidt mee. Hoor maar, ook vandaag in gebed en preek: „Mij is gegeven alle macht. Dat is de waarheid gemeente.

Satan is machtig, maar de Heere is almachtig!" Jong en oud voelt het, ondervindt het. Zó heeft de dominee nog nooit gepreekt. Houdt dan maar moed vader en moeder van Henk. Almachtig, dat wil zeggen: alles machtig!

Geen ding is er onmogelijk voor God, want Hij is toch de Heer van alle heren.

Hij is Sions God, geducht in macht. Hij zal ondanks Satan eeuwiglijk regeren van geslachte tot geslacht!

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen

't Is vijf jaar later, 't Is Pasen. De Julianakerk is geheel gevuld. Zeventien jonge mensen zullen belijdenis des geloofs afleggen. Kijk daar staan ze, voorin de kerk. De laatste is nu aan de beurt. Stil is het, zo stil, dat je wel een speld kunt horen vallen. „Hendrik van Wingerden!" Kort en duidelijk klinkt het antwoord: „JA!" Een grote ontroering gaat er door de kerk. Jong en oud houdt de adem in. Welke teks't zal Henk meekrijgen? Even stokt de stem van dominee Hasman, maar dan: „Zo is er nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die naar het vlees wandelen, maar naar de Geest".

Stil blijft het, heel stil na deze woorden. Maar plotseling, spontaan, zonder enige aankondiging zet de organist psalm 72 in. Als één man rijst de gemeente op en juichend klinkt het uit honderden kelen:

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen; Men loov' Hem vroeg en spa; De wereld hoor' en volg' mijn zangen Met Amen, Amen, na.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1979

Daniel | 24 Pagina's

TOCH GERED

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1979

Daniel | 24 Pagina's