WIJ KONDEN NIET ZINGEN
Psalm 137
Zing eens wat!
Dat hebben de onderdrukkers van Babel aan de Joden gevraagd die aan de-oevers van de Eufraat en de Tigris, de Kabaroe en de Ulai samenschoolden in diep verdriet. De harpen hadden zij aan de wilgen gehangen. Zij konden de instrumenten wel missen. Hun harten waren niet vrolijk, hun mond was: gesloten. Zij zongen niet, zij weenden. De Babyloniërs hebben zich aan die mistroostige 1 Joden geërgerd; .
Hadden zij het niet goed in Babel en waren de stromen van Babel geen trotse rivieren waarvan je genieten kon? Houd eens op met dat sombere treuren. Zing eens wat! Dat typische zingen van de Joden vonden ze wel mooi. Het was een welkome ontspanning voor de mannen van Babel om een van de liederen van S'ion te horen. Zing eens wat!
Hoe zouden we?
De Joden hebben even hun hoofd opgeheven. Ze hebben door hun tranen heen alleen maar dit gezegd: Hoie zouden we een lied' des Heeren zingen in een vreemd land?
Zij konden niet zingen. En niet alleen omdat hun hart: treurig was, zodat ze geen lust hadden tot zingen, maar omdat het liederen des Heeren zijn. Zij .zijn Hem gewijd, tot Zijn eer en heerlijkheid. Deze liederen te zingen tot vermaak van de afgodische volken kunnen en mogen ze niet. Israël heeft wei gezongen en zingen in de vreemde, mag wel, maar niet tot het doel waartoe het nui van hen begeerd werd. Ze zouden parels voor de zwijnen werpen. Van het heilige zou een bespotting worden gemaakt.
Een soort vermaak, een vernedlering voor Israël.
Ze kunnen het niet en zij willen het niet. Deze mensen daar in Babel weten dat de eer van God: ermee gemoeid is. De Naam van de Heere is aan Israël verbonden.
Bovendien is hun ziel treurig niet alleen vanwege een heimwee naar huis, zoals elk mens dat hebben kan, wanneer wij in de vreemde gedwongen moeten blijven, maar het is bovenal een heimwee naar God.
Jeruzalem, zo ik u vergete
Jeruzalem, de stad 1 , de tempel, de altaren, die verwoest zijn, het is allemaal in hun hart. Daar woonde God 1 , daar gingen zij op naar de heiligdommen van dë Heere, daar liet de Heere Zijn gunst en Zijn gemeenschap ervaren. Zij zijn daarvan verstoken nu. Het ligt. alles terneer .geslagen. En ze weten waarom. Het is vanwege hun zonden en hun afwijken van de Heere. Maar nu is het een belijdenis in Babel geweest, dat dë Heere de hoogste plaats in hun hart had. Wie heb ik nevens u in de hemel, nevens u lust ik ook niets op d'e aarde.
Zo ik u vergete, o, Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zichzelve.
Dat wil zeggen, mijn rechterhand moge nooit meer de harp aanraken zo: ik Jeruzalem zou vergeten. En mijn tong kleve. aan mijn gehemelte, zodat ik nooit meer zingen kan, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap.
Dat is genade, wanneer we d'e droefheid naar God in ons hart kennen.
Buiten God niet meer te kunnen leven, en tegelijkertijd weten dat wij door onze zonden de scheiding hebben gemaakt. Daarom zochten zij daar de stilte van de afzondering aan de rivieren van Babel. Daar zaten zij verslagen neer en weenden. Daar waren zij stil voor God. Zoeken wij ook die stille plaatsen, om voor God uit te spreken onze
belijdenissen van schuld? Liefde tot God spreekt uit deze woorden van de ballingen, ook liefde tot - Zijn eer. En de liefde tot God en Zijn eer doet hen stil zitten en de harp aan de wilgen hangen. Daarom konden zij niet zingen.
Wraak over Edom en Babel
Kunnen we nu wel met een dergelijke gemoedsgesteldheid het woord van wraak in overeenstemming brengen aan het slot van dit lied 1 ?
O, Heere, gedenk aan Edom! Zij hebben zich verblijd over de wegvoering van Uw volk en de verwoesting van Jeruzalem. Zij hebben Israël nageschreeuwd. En dan Babel! De onderdrukker, die .zoveel smaad aandoet. Welgelukzalig zal hij zijn die uw kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal. Denk eens in wat er staat, en zie dan het ontzettende gebeuren. Kleine kinderen, baby's, die zullen worden verpletterd. Iioe kan dat? Mag dat?
Deze psalm is gezongen nadat Israël voor een deel is teruggekeerd.
I-Iet is een terugblik op de ballingschap en nu moet nog vervuld worden de profetie van de Heere over Babel en Edom. God zal de onderdrukkers straffen omdat zij het te erg gemaakt" hebben. Zij waren instrumenten in de hand van God om Zijn volk te kastijden, maar zij hebben het te erg gemaakt. Zij raakten de oogappel van God aan. En de Heere heeft door menige profetenmond de verwoesting van Babel en de ondergang van Edom laten voorzeggen. De vijanden van Israëls God zullen vergaan. En naar die volkomen overwinning ziet de zanger uit.
Hier is geen sprake van onheilige wraaklust. Hier zien we een gebed om de vervulling van de belofte van God over de vijanden. De. mensen die hier welgelukzalig worden genoemd, zijn dat niet omdat ze zulke verschrikkelijke dingen doen, maar omdat ze de uitvoerders zijn van Gods raad tot verlossing van Zijn volk. De God van Israël zorgt voor Zijn eer. De ondergang van Edom en Babel zijn de onderpanden van de verlossing van het volk van God door alle eeuwen heen en van de uiteindelijke overwinning van Christus over Zijn vijanden.
Door deze psalm loopt de scheiding tussen Israël en Babel. Een grote kloof. De ballingen die stil aan de rivieren zaten, wilden Babel in niets toegeven, om de eer van God en de liefde tot Sion. Wat gaat daar een sprake vanuit voor ons allen. De dienst van de Heere en van de wereld is niet samen te voegen. Het is een van twee: of de Heere aanhangen, of de wereld dienen. Is die keuze in ons hart gevallen? Als dat zo-is, dan kan het niet meer dat we de wereld en die zonde liefhebben en dienen. Dan is Jeruzalem het hoogste van onze blijdschap. Dan zeg je nee tegen Babel.
Deze keuze is zo belangrijk. Want we gaan met Babel en Edom ten onder, of wij zullen met Jeruzalem in Christus eeuwig overwinnen.
Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vreze van Uw Naam.
Vragen:
1. Ho-e is het laatste deel van deze psalm in overeenstemming, te brengen met het woord: van de Heere Jezus: Hebt uw vijanden lief en zegent ze die u vloeken?
2. Heeft deze psalm ook te maken met de eerste bede van het gebed des Heeren? Zie zondag 47.
3. Beloften van God over de ondergang van. Babel vinden we door de profeten heen. Sla eens op Jes. 13 : 18 en zie of je de overeenstemming, met deze psalm kan vinden.
4. Hetzelfde over Edom. Obadja, Amos 1 : 11, 12, Jeremia 49 : 7-22.
5. In onze belijdenis komt eigenlijk hetzelfde voor als hetgeen Israël in het laatste deel van de psalm belijdt. Zie dat eens na in vraag 52 van de Catechismus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1979
Daniel | 24 Pagina's