LEVEN EN DOOD IN BIJBELS LICHT...
Gods Woord geeft vele uitspraken die, wanneer de mens ze met het licht van eigen oordeel benadert, onbegrijpelijk en met de werkelijkheid strijdig schijnen. Zo schijnt het bijv. toch eigenlijk ongelooflijk, dat iemand de dood lief zou hebben, het leven niet izou begeren. Als we zien, hoe 1 juist nu de dood beschouwd wordt als een niet te vermijden zaak, die zoveel mogelijk moet worden verdoezeld, - dan lijkt dat toch niet zo te zijn.
En het leven verwerpen? I-Iet is toch juist zo, dat misschien meer dan ooit het léven van de mens, zonder allerlei verhinderingen of zonder allerlei vernederingen, hoog gewaardeerd wordt. Alles wat een vrij, onbekommerd leven zou kunnen verhinderen, moet juist zo snel mogelijk opgeruimd worden.
En toch wat de Opperste Wijsheid zegt in Spreuken 8 : 36: Allen, die Mij haten, hebben de dood lief", is wèl de werkelijkheid van ons door onze val verdorven leven, dat volgens ons doopformulier een gestadige dood geworden is, een leven, dat is aangetast en voortdurend door de dood wordt bedreigd. Zo is het geworden.......
Leven, een gave van God
Dat geeft echter niet. het recht roekeloos, onverantwoord of eigenmachtig met dat leven te handelen. Het leven is immers, in bijbels licht, een gave, van God, ook ons natuurlijk leven. Duidelijk zegt de Bijbel dat God de Schepper en Formeerder ervan is. „Ik loof U", zegt David, „omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt, ben; wonderlijk zijn Uw werken." Kinderen worden „een erfdeel des Heeren" genoemd, „des buiks vrucht een beloning". Het leven wordt van God ontvangen, wordt door Hem soms op een wonderlijke wijze onderhouden en bewaard.
Lees bijvoorbeeld hoe die Heere zorgde voor de weduwe van Zarfath, al werd Gods werk ook daar beproefd. Hoemochten, in tijden van groot gevaar, Gods kinderen de bijzondere zorg over en bewaring van. hun leven door de Heere ervaren.
„Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald", zegt Psalm 30 over de redding en bewaring die de Heere gaf.
Niet alleen het begin, ook het einde van het leven wordt door God bepaald, want: „Ik dood en maak levend; Ik versla en heel en er is niemand die uit
Mijn hand redt". In Zijn Wet geeft de Heere ook de opdracht dat leven niet aan te tasten. I-lij wil dat leven beschermen. Het is immers door Iièm gegeven en I-lij bepaalt het einde en roept voor Zijn rechterstoel. Dat leven, ook het ongeboren leven, heeft de mens als schepping Gods te zien. Het doden van ongeboren leven, de abortuspraktijken en het eigenmachtig beëindigen van het bijv. door ziekte of ouderdom niet meer als nuttig geziene leven, euthanasie, zijn dan ook een duidelijk teken dat velen afgerekend hebben met de normen, die Gods Woord ons geeft.
De dood als loon der zonde
Ons leven is een gave van God, maar ook over de dood spreekt Gods Woord. De dood is de bezoldiging, het loon d.er zonde. Die straf was bedreigd in Gen. 2 : 17: Ten dage als ge daarvan eet, zult gij de dood sterven".
Ja, het zou werkelijkheid worden: „de ziel, die zondigt zal sterven". En wij hébben gekozen en de dood is gekomen: „stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren".
En toch dat de dood de bezoldiging, het loon is voor hetgeen wij hebben gedaan, voor onze zonden, zien wij niet. Dat komt doordat niet alleen die dood, de tijdelijke dood, gekomen is, maar wij ook de geestelijke dood onderworpen zijn. Als de Bijbel zegt: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden", (Ef. 2 : 1) dan wordt die geestelijke dood bedoeld.
En dan is het opmerkelijk dat, waar die tijdelijke dood in onze tijd gecamoufleerd wordt, ook de realiteit van de geestelijke dood wordt ontkend. Gods Woord spreekt echter duidelijk van de doodstaat van de mens: die mens is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Het beeld van die geestelijke dode mens vinden we in Ezechiël 37; een vallei met zeer dorre beenderen. „En de Heere zeide tot mij: mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide tot Hem: Heere, Gij weet het".
Nodig is, dat die geestelijke doodstaat wordt doorleefd. Dat kan echter alleen als de Geest des Heer en in die dorre doodsbeenderen het leven geeft.
Zo spreekt de Schrift van de dood. als een oordeel van God, vanwege de zonde. Door de zonde vernielden wij wat God goed had geschapen. Wat zeer goed was, werd misvormd en is nu walgelijk in de ogen van God.
Het ganse schepsel zucht en is de ijdelheid onderworpen. De Bron van het Leven hebben we verlaten, en wat, wij „leven" noemen, is een gestadige dood en het ergste is, dat wij dat in onze natuurstaat, al hoorden wij er veel van, totaal niet beseffen.
Als de Heere Zelf niet in Zijn opzoekende liefde redt, gaan we op de weg des doods naar een eeuwig verderf.
De weg des levens
Wat zou het ontzettend zijn, als we hiermee dit artikel moesten beëindigen, zonder enige mogelijkheid om „de tijdelijke en eeuwige straf van God te ontgaan en wederom tot genade te' komen". Toch zou de mens dan nimmer enig gegrond verwijt aan Zijn Schepper kunnen maken, want zelf hebben wij dieweg gekozen. Nodig is dat wij door Woord en Geest leren, „dat wij naar het rechtvaardig oordeel Gods die straf hebben verdiend" (zondag 5).
Maar, zoals de Heere Zijn knecht Jeremia, nadat hij eerst het onherroepelijk oordeel over gehéél het volk had moeten verkondigen, waarin God niet zou sparen, noch ontfermen, de boodschap deed brengen: Zo zegt de HEERE: iet, Ik stel voor ulieder aangezicht de weg des levens en de weg des doods" (Jer. 21 : 8), zo heeft God in Zijn Woord geopenbaard dat er voor ten dode opgeschrevenen een Weg des levens is.
Een wonderlijke weg was dat in Jer. 21 overigens; de stad verlaten, zich overgeven in de handen van de wrede vijand, buigen en vallen en dan toch „zijn ziel zal hem tot een buit zijn". Christus is de Weg des levens. Die Weg is door God Zelf uitgedacht, is met Christus' dierbaar bloed gebaand, doordat Hij Zijn leven gaf.
Hij is gestorven... begraven, maar ook opgestaan. Hij verslond: de dood tot eeuwige overwinning-en is de: Opstanding en het Leven.
Wie zijn leven zal verliezen, zal het behouden. Dat is Gods werk, waardoor mensen, leren loslaten, leren verliezen, de stad van zelfhandhaving en zelfverlossing mogen uitgaan en als gans verlorenen door Hem behouden worden.
Het heilgeheim dat de Heere leert aan onwetenden, die de Weg des levens zo graag hadden gezien als een opgaande Weg. Het is de Weg van één plant met Christus worden in de gelijkmaking van Zijn dood, om het ook te worden in d: e gelijkmaking van Zijn opstanding. Dan mag Paulus zeggen: „Ik leef... doch niet meer ik, Christus leeft in mij".
Dan is hij gestorven, maar hij leeft in de gemeenschap met de Levensvorst omdat zij alleen door Gods Geest daar zijn gebracht, ondanks vele pogingen om eigen leven te behouden, zal God ook hiervoor alleen de ere ontvangen.
Het eeuwige leven
Zo spreekt de Schrift van leven, tijdelijk leven, van dood als bezoldiging der zonde. De genadegift Gods echter is het eeuwige leven. Dat leven is net als het tijdelijke leven: gave van God, wordt onderhouden door Hem, bewaard en beschermd, Alleen het is een eeuwig leven, dat niet beëindigd wordt. Een gave, die geschonken wordt als doden gaan horen de stem van de Zoon van God, als die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, daar God zonder ons in ons werkt. Dat is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderbare verborgene en onuitsprekelijke werking (Dordtse leerregels).
Dat Leven wordt aangevallen, bedreigd, maar door God bewaard en beschermd. „Ik leef en gij zult leven", sprak Christus, „zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. „Dat leven begint bij de levendmaking, maar zal volkomen worden als vervuld zal zijn: En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn, want de eerste dingen zijn weg gedaan" (Openb. 21 : 4).
Dan mogen verliezers, die overwinnen, alles beërven. Die God is onze zaligheid. Zij zullen Hem met eerbied prijzen.
Welke betekenis voor ons ?
Ons leven is gegeven als voorbereidingstijd. Straks valt de boom naar het noorden of naar het zuiden. Dan is de mens in zijn eeuwig huis, eeuwig gescheiden van God of eeuwig in de gemeenschap met God. Dood of Leven.
Wat een onderscheid. De roepstem komt nog tot ons: „Zoekt dan de Heere (het Leven) terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl PI ij nabij is".
Bekeert u, o huis Israëls, want waarom zoudt gij sterven?
De Heere geve die genade. Hij trekke met koorden van goedertierenheid.
Wat zou het groot zijn, als we Hem al jong zouden mogen dienen. Hij is het zo waardig. Zijn dienst is een liefdedienst! Welgelukzalig zijn allen die-Hem verwachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1979
Daniel | 24 Pagina's