DE LIEFDE IS DE VERVULLING DER WET
(kort verhaal)
Nu de zon op de grauwe huizen van Iiebron schijnt, lijken ze ineens minder triest en bouwvallig. De straten, 'die door de regen van de laatste dagen in een modderpoel veranderd waren, zijn nu droog. Er spelen weer kinderen buiten. Huisvrouwen kunnen hun stoel weer op de stoep zetten om een praatje met de buren te maken. Op een stil plekje achter de kerk van de Aartsvaders staat Mirjam, haar gezicht naar de zon gekeerd. Het wachten duurt lang deze keer. Waar blijft Sheila toch? Anders is ze nooit zo laat.
Mirjam zucht. Konden ze elkaar maar gewoon thuis bezoeken. Maar die gedachte kan ze gerust uit haar hoofd zetten. Dat zal wel nooit gebeuren.
Mirjam is het enigst kind van een joodse vader. Haar moeder stierf toen ze nog maar een kleuter was. Haar vader die streng-godsdienstig is, stelt er zijn eer in, om de wetten van de Torah zo stipt mogelijk op te volgen. Hij is er trots op een zoon van het, uitverkoren volk te zijn. Met mensen, die niet tot zijn volk behoren, heeft hij niet-of nauwelijks kontakt. En wat hij zichzelf oplegt, vergt hij ook van zijn kind. Hij heeft Sheila, Mirjams arabische vriendinnetje de 1 toegang tot zijn huis ontzegd en Mirjam verboden bij Sheila aan huis te komen.
Mirjam schrikt soms van de felheid waarmee hij zeggen kan: „De Arabieren zijn onze aartsvijanden kind. Als ze de kans kregen, zouden ze ons tot de laatste man uitroeien”.
Mirjam weet, dat het in z'n algemeenheid wel waar is. Hier in Hehron is de verstandhouding tussen Joden en Arabieren al heel slecht. Toch kan Mirjam onmogelijk de ouders van Sheila als haar vijanden beschouwen. Het zijn zulke aardige mensen, eenvoudig en hartelijk. Sheila's moeder heeft voor Mirjam het pijnlijk gemis van haar eigen moeder zoveel mogelijk vergoed.
Maar nu heeft vader paal en perk aan hun vriendschap gesteld. En dat niet alleen, omdat zij tot het vijandige volk behoren. Er is nog een reden.
Sheila's ouders zijn christenen. Zij hebben het mohammedaanse geloof de rug toegekeerd. Zij weten nu dat Jezus van Nazareth de van God Gezondene was, tot redding van wat verloren lag in zonde en schuld. Hij is opgestaan en woont nu bij Zijn Vader in de hemel. Sheila's ouders voelen geen wrok of bitterheid ten aanzien van de Joden. Alleen maar droefheid, omdat ze' niet als broeders kunnen samenwonen. Ze zien verlangend uit naar de tijd, dat er alleen liefde en vrede zal heersen op de nieuwe aarde.
Voor Sheila vinden ze het verdrietig dat Mirjam niet meer bij hen thuis mag komen. Ach, ze begrijpen het wel. Mirjams vader wil zijn kind beschermen voor invloeden, die in zijn ogen verderfelijk zijn. Maar jammer is het wel.
Mirjam slaakt een zucht als ze aan dat alles denkt. Sommige dingen kan ze maar moeilijk begrijpen. Vader, die' zo goed naar de wet wil leven, weet toch ook, dat de samenvatting van de wet is: liefde tot God én tot de naaste?
Mirjam gelooft dan ook niet dat het verkeerd is om af en toe hier achter de kerk, een praatje met Sheila te maken. Een vrolijke stem rukt haar los uit haar gedachten. „Hallo Mirjam., laat hé? 't Spijt me hoor. Ik moest voor moeder een boodschap doen en dat duurde langer dan ik dacht.”
Sheila laat zich naast Mirjam op een verweerd stoepje zakken. Zonder tijd te verliezen begint ze te praten. „Ik heb groot nieuws te vertellen joh. Mijn vader had een oude oom, die in Jeruzalem woonde. Hij is overleden en omdat hij geen vrouw en kinderen had, heeft hij zijn huis en winkel aan vader nagelaten. Vanmorgen kregen we bericht van een notaris. Mijn ouders denken er serieus over om in Jeruzalem te gaan wonen en zelf die winkel te gaan drijven. Hoe vind je zoiets? ”
Mirjam reageert een beetje koel. „Je schijnt het helemaal niet erg te vinden dat wij elkaar dan bijna nooit meer zien".
Sheila protesteert: „Dat is niet waar. Natuurlijk vind ik dat jammer. Maar wees nou is eerlijk. Wie zou er nu niet liever in Jeruzalem wonen dan in Hebron? Iedereen toch zeker. En wat ons betreft, zo vaak zien we elkaar nü ook niet. We kunnen lange brieven schrijven. En zeg, gaat ze levendig verder, „Jij logeert in vakanties toch wel eens bij je tante Naomi in Jeruzalem? Meid, dan kunnen we eikaar zo vaak zien als we willen, al was het iedere dag”.
Mirjams gezicht klaart op. Ja, d'a's waar. Nu ze dat in 't vooruitzicht heeft, lijkt alles wat minder erg.
Ze beloven elkaar trouwe vriendschap. Als het van hén afhing, zou er geen vijandschap tussen Joden en Arabieren meer bestaan.
„Moeder, een brief van Mirjam. Een hele dikke!" Meteen rent Sheila de trap op naar haar kamertje. Op de rand van haar bed maakt ze de brief open. Wat heeft Mirjam vlug teruggeschreven. Ze wonen pas twee weken in Jeruzalem en nu al een brief! Sheila's ogen vliegen over de fijn-beschreven velletjes. Wat kan Mirjam leuk schrijven. Van de meest alledaagse dingen maakt ze een gebeurtenis, zodat Sheila het leven in Hebron helder voor zich ziet.
Aan het eind van de brief heeft Mirjam een verrassing. Ze schrijft: „Over drie weken hopen we ons jaarlijkse schoolreisje te maken. We gaan naar Galilea. Als het mooi weer is, maken we vanuit Tiberias een boottocht over het meer. Op de tegenoverliggende oever ligt de kibboets Ein-Gev. Daar gebruiken we de lunch. We varen weer terug naar Tiberias en rijden daarna naar Meggidoh, waar we de opgravingen zullen bezichtigen. Maar nu komt het, Sheila. Op de terugweg doen we Jeruzalem aan voor een bezoek aan de klaagmuur. We denken daar ongeveer een half uur te blijven. Nu zou ik het zo fijn vinden, als jij daar kon zijn, zodat we elkaar even kunnen spreken, 't Zal denk ik vijf uur zijn, als we daar aankomen. Probeer het alsjeblieft. Het is op woensdag de 23ste. Goed onthouden hoor.
Als Sheila de brief gelezen heeft., vouwt ze de velletjes weer netjes in elkaar en steekt ze in de enveloppe. Ze is van plan al de brieven te bewaren.
In haar schoolagenda maakt ze bij de 23-ste een aantekening. Niet, dat ze het vergeten zou. O nee! Het is alleen maar voor de zekerheid.
„Moeder, ik ga hoor. Ik kan beter te vroeg zijn dan te laat. Mag ik bij Mirjam blijven tot de bus weer van de klaagmuur vertrekt? We eten toch pas om zes uur." Sheila, de deurknop al in haar hand, kijkt haar moeder afwachtend aan.
„Ja kind, dat is goed. Doe Mirjam van ons de hartelijke groeten". Bezorgd laat Sheila's moeder erop volgen: „Zal je voorzichtig zijn? Goed uitkijken hoor." Sheila, die al een beetje gewend is aan de drukte, vindt zonder moeite haar weg door de straten van Jeruzalem. Wat is het toch een heerlijke stad, denkt ze. Boeiend door zijn tegenstellingen. Naast hypermoderne flatgebouwen zie je opeens tafereeltjes, die je regelrecht herinneren aan de bijbelse tijd. Ja, Jeruzalem is werkelijk uniek!
Het is nog vroeg als Sheila bij de klaagmuur aankomt. Met een sprongetje zet ze zich op een stenen muurtje.
Heeft ze hier even een mooie uitkijkpost. Ze kan het grote plein voor de klaagmuur overzien, maar ook de openbare weg. Nu kan ze de bus onmogelijk missen.
Wat fijn, dat het zulk prachtig weer is vandaag, mijmert ze. Ze zullen vast wel op het meer van Galilea gevaren hebben. Het bezoek aan Meggidoh moet ook erg interessant zijn. Ze hebben er zelfs de paardenstallen van koning Salomo opgegraven. Sheila hoopt het zelf ook allemaal nog eens te zien,
Hè, ze wordt stijf van het zitten. De stenen zijn ook wel erg hard. Ze zal wat heen en weer gaan lopen. Het is al vijf uur geweest. Ze zullen nu zó wel komen.
Maar als ze drie keer het plein in zijn volle lengte heeft overgestoken, is de bus er nog niet. Het wordt half zes. Sheila houdt zich voor, dat het programma op zo'n dag gemakkelijk kan uitlopen.
Kwart voor zes. Nog steeds geen bus. Sheila besluit tot zes uur te wachten. Als ze er dan nog niet zijn, komen ze waarschijnlijk niet meer. Dan zijn ze er niet meer aan toe gekomen.
Zes uur. Teleurgesteld slaat Sheila de weg in naar huis. Telkens kijkt ze even om. Wat jammer nou! Ze had zich zó op het weerzien met Mirjam verheugd.
Ze loopt zó in gedachten, dat ze in een smal straatje bijna tegen een groepje mannen opbotst. Ze versperren dan ook bijna het hele straatje. Ze schijnen in een ernstig gesprek gewikkeld te zijn. Als Sheila langs hen heen loopt, vangt ze een paar woorden op:
Een bom ontploft altijd gevaarlijk op de West Bank Dan blijft Sheila als aan de grond genageld staan. Wat zeiden ze daar?
Bus met schoolkinderen Beverig leunt ze tegen een muur. Alle kleur is uit haar gezicht weggetrokken. Eén van de mannen ziet haar en vraagt bezorgd: „Word je niet goed, kind? " Met moeite kan ze uitbrengen „Wat zei u over een bus met schoolkinderen? " Dan hoort ze tot haar ontzetting, wat er gebeurd is. Terwijl joodse schoolkinderen uit Hebron in Nabloes een bezoek brachten aan de put van Jacob, plaatsten Palestijnse terroristen een bom in de bus. Toen ze wegreden ontplofte de bom, . Drie kinderen overleden direkt, alle anderen zijn min of meer gewond, Ze zijn overgebracht naar het Shaare Zedek ziekenhuis in Jeruzalem.
Blindelings rent Sheila naar huis. Tegen de schouder van haar vader snikt ze het uit, in radeloos verdriet. Als ze wat gekalmeerd is, vertelt ze wat ze gehoord heeft.
Haar vader, die in alle omstandigheden rustig blijft, treedt ook nu handelend op. Hij belt naar het ziekenhuis en vraagt, of er onder de slachtoffers van de busramp ook een zekere Mirjam Cohen is. Na een moment van grote spanning komt het antwoord. Zij is in het ziekenhuis en heeft, verwondingen aan hoofd en armen. Gelukkig niet levensgevaarlijk.
Alle drie slaken ze een zucht van verlichting. Op vaders vraag, of ze even mogen komen, krijgt hij een bevestigend antwoord. Heel even mogen ze bij haar. Maar wel heel rustig zijn, want emoties zijn slecht voor de patiënt.
Zo lopen ze een kwartier later door de stille gang van het ziekenhuis. Een verpleegster wijst hen, waar Mirjam ligt. Als Sheila Mirjam ziet, bijt ze zo hard op haar lip om niet te huilen. Geen emoties, had d ! e zuster gezegd. Daar ligt Mirjam, het hoofd en de armen in verband, Het gezicht van pijn vertrokken. Toch komt er een blijde trek op, als ze de mensen ziet, waar ze zoveel van houdt.
Sheila's moeder buigt zich over haar
heen. „Kind, God heeft je wonderlijk bewaard.' We zullen er Hem ootmoedig voor danken en bidden voor je herstel."
Sheila, die nog steeds vecht tegen de tranen, zet een grote bos bloemen in een van thuis meegebrachte vaas. Daarna schikt ze fruit op een schaal. Op dat moment is er gerucht bij de deur.
Mirjams vader staat op de drempel. Zijn blik wordt hard als hij ziet, wie daar staan. Wat doen die mensen hier? ! Maar dan kijkt hij naar Mirjam, zijn kind. Alles wat hij nog heeft op aarde. Hij ziet haar ogen smekend op zich gericht, haar hand wenkt hem dichterbij te komen. Hij overwint zijn aarzeling en gaat naar het beid. Als hij de bloemen en het fruit ziet, trekt er iets van de hardheid weg uit zijn gezicht.
Mirjams lippen bewegen; ze wil iets zeggen. Haar vader ziet het en buigt zich diep over haar heen. En dan zegt Mirjam dat, wat ze al zo lang had willen zeggen, maar nooit durfde.
„Vader, de hoofdsom van de wet is liefde".
Hij buigt het hoofd en begrijpt.. Helder ziet hij op dit ogenblik, dat de liefde de beslissende faktor is in een mensenleven. Liefde tot God, maar ook tot de naaste. Niet de haat, maar de liefde overwint. Aarzelend kijkt hij op naar de man tegenover hem. In diens ogen leest hij eerlijke genegenheid.
Langzaam staat hij op. Dan reiken de Jood en de Arabier, beiden zonen van Abraham, over het gewonde kind heen, elkaar de hand.
Werkendam, F. van der Schoot-van Dam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1979
Daniel | 24 Pagina's