JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

WAAROM IS ALLES ZO?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAAROM IS ALLES ZO?

10 minuten leestijd

KORT VEKHAAL

Na dagenlang pakken en zorgen is het dan zover. De auto van de familie Van den Berg wordt ingeladen om op vakantie te gaan. Dat inladen is een probleem op zichzelf. Want natuurlijk is er weer véél te veel bagage. Meneer Van den Berg grijpt met z'n handen naar zijn hoofd als hij alles ziet. „Moet dat allemaal mee? "

Zijn vrouw zucht. Er is al zoveel geschift. Had Tineke niet twee keer zo veel kleren klaargelegd? Om van al dat speelgoed dat Ronnie aansleepte maar niet te spreken. Alleen de bagage van Gerard had weinig problemen gegeven. Maar het lukt tenslotte toch. Ze stappen allemaal in en de auto draait de straat uit — op naar Friesland.

Het is een leuke reis, vindt Tineke.

Tweemaal pauzeren ze. Eenmaal om koffie te drinken en een keer om do meegenomen broodjes te verorberen. En wat ook erg spannend is niemand kent nog de omgeving waar de vakantiebungalow staat. Een kennis die al in 't voorjaar op vakantie was geweest, had 't gehuurd voor hen. Het dorp blijkt niet moeilijk te vinden te zijn, maar ze moeten wel twee keer vragen, voor ze uiteindelijk een breed bospad in rijden.

„Moeten we hier zijn in deze rimboe? " Vraagt Tineke zich af. Maar Gerard en Ronnie zijn meteen enthousiast. „Juist leuk! Kijk maar overal staan bungalows tussen de bomen! Negenentachtig... achtentachtig... zevenentachtig... daar is 't!”

Ze staan stil voor een laag stenen bungalowtje met aan de voorkant een grasveld met bloemen en aan de achterkant direkt weer het bos. Mevrouw Van den Berg zucht opgelucht. Gelukkig, het huis ziet er fris en gezellig uit. En bovenal — binnen is het ook schoon, wat altijd haar grootste zorg is. Het is een feest om het huis te verkennen. Tineke gooit direkt de openslaande deuren open en ademt diep de pittige boslucht in. Heerlijk, denkt ze. Nu geen problemen meer alleen vakantie.

De zaterdag gaat grotendeels heen met het zich installeren en het doen van boodschappen, 's Zondags gaan ze met elkaar naar het kleine kerkje in het dorp. Na de middagdienst maken ze kennis met een familie, die gelijk met hen naar huis wandelt. Zij zitten in „De Eekhoorn", een huisje vlakbij het hunne. Tineke loopt wat stil naast de anderen voort. Ze hoort de gesprekken over en weer wel, maar heeft zelf weinig behoefte om wat te zeggen. Aardige mensen lijken het wel trouwens, wat ouder dan vader en moeder. Twee kinderen zijn er. Jongens, zo tussen Gerard en Ronnie in.

Ze laat haar blik dromerig over de lichtglooiende akkers gaan. Wat een mooi vergezicht hier zo aan de rand van het bos. Alles lijkt, hier rust én vrede in te ademen. Het verwondert haar dat ze dit mooie zonder bijgedachten in zich op kan nemen. Was ze niet vreselijk rusteloos geweest de laatste tijd? Vol twijfels en kritiek? Ze piekerde over allerlei dingen. Over het vele onrecht in de wereld, over wanverhoudingen tussen mensen, over honger, ellende. Waarom liet God dat toe? Waarom was dat allemaal zo?

Een stem naast haar doet haar plotseling opschrikken. „En jij heet Tineke, vertelde je net? " hoort ze mevrouw Ruitenberg vragen.

Tineke kleurt even. Ze was ver weg geweest. „Ja mevrouw", knikt ze dan. „En hoe oud ben je? ”

„Vijftien ben ik vorige week geworden". „O, dan ben je een jaar ouder dan onze Ria. Want we hebben ook een dochter, hoor. Die past nu op haar broertje in ons vakantiehuis. Heb je soms zin om vanavond een poosje te komen? Ria klaagde vanmorgen juist, dat ze altijd maar tussen de jongens zat ......”

Tineke lacht. Nou, dat kan ze begrijpen! Ze krijgt er opeens zin in. Die mevrouw lijkt haar wel sympathiek. „Graag", zegt ze.

Na het avondeten brengen Gerard en haar vader haar weg. Wel drie keer verzucht Tineke onderweg: „Wat zou het toch voor een meisje zijn ? " Meneer Van den Berg moet er om lachen. „Dat weten wij ook niet, kind. Nou, we zijn er. Wij gaan weer terug hoor. Een gezellige avond!”

Tineke loopt aarzelend naar de deur. Een bel is er niet. Hoe moet dat nu? Zal ze dan maar roepen? Wacht, ze hoort iemand komen.

Ze wil al „daag" zeggen, maar ze deinst opeens verschrikt terug. Wie is dat? Is ze verkeerd? Een jongen van onbestemde leeftijd staart haar aan met een wantrouwende blik in z'n scheve ogen. Zijn mond hangt ver open en hij stoot een onverstaanbaar woord uit. Een mongool, begrijpt Tineke.

„Ha Tineke, kom maar binnen, hoor", hoort ze dan opeens mevrouw Ruitenberg zeggen. Toe Pieter, laat Tineke er eens door. Dat is visite voor onze Ria". Tineke volgt haar naar de kamer, waar de rest van de familie bijeen zit. Ze begrijpt er niets van. Zou hij dat „broertje" zijn waar mevrouw het over had? Ria blijkt een lang blond 1 meisje te zijn met een vrolijk gezicht. Ze ziet er uit of ze nooit moeilijkheden heeft, vindt Tineke, Ze kunnen het al gauw goed met elkaar vinden. Het wordt een gezellige avond. Tineke is blij dat ze niet naast Pieter zit, die inderdaad Ria's broer is. Maar hij zit haar wel steeds aan te staren. Ze voelt er zich gewoon ongemakkelijk onder.

De twee jongens hebben blokfluiten bij zich en ze zingen nog wat met elkaar. Ook Pieter zingt mee, hopeloos onder en boven de juiste toon. Niemand schijnt er zich aan te ergeren. Maar Tineke draait haar stoei ongemerkt wat naar rechts, zodat ze naar buiten kan kijken. Ze vindt hem griezelig met dat heen en weer zwaaiende hoofd, ze kan er niets aan doen.

Als Pieter naar bed gaat, geeft hij haar een hand. Maar de anderen geven hem een zoen en Ria streelt hem over zijn bol: „Dag Pieterbaas, welterusten”.

Tineke wil toch niet achterblijven en zegt: „Ja, welterusten, hoor Pieter". De lodderige ogen lichten op. „Dag", zegt hij verrast. En dan tegen zijn moeder: „Aardig meisje... dat!" Ze lachen allemaal en Tineke kleurt er van.

„Ja, Pieter heeft het hart op de tong", waarschuwt Ria haar. „Dat zul je nog wel merken!”

Tineke heeft veel om over te denken, als ze die avond haar bed opzoekt. Wat erg moet dat zijn, zo'n broer te hebben. En toch leek 't wel of ze er niet veel last van hadden. Hoe konden ze zo?

Zouden ze dat bij de geboorte gelijk gezien hebben? Het moet ook vreselijk zijn om er achter te komen dat je kind een mongooltje is. Wat heeft zo'n leven toch voor zin eigenlijk? Wat een ellende is er toch op de wereld Tobbend valt ze in slaap.

Nog verschillende keren daarna brengt Tineke een bezoek aan „De Eekhoorn". Ook maken de jongelui met elkaar een fietstocht en een boottocht over het IJsselmeer, Alleen is het een beetje jammer dat Pieter soms ook van de partij is, vindt Tineke. Ze weet niet goed wat ze met hem aan móet. Het ene moment vindt ze hem bijna weerzinwekkend en het andere moment ontroert zijn aanhankelijkheid haar toch weer. Als. hij haar aan ziet komen, roept hij haar al uit de verte toe: „Tineke... daag... kom maar, Tineke!" En soms kon hij opeens zo verbazend wijs uit de hoek kommen, vooral als het geestelijke dingen betrof.

Die ene keer, toen ze met z'n allen een wandeling maakten door het bos, zal Tineke niet licht vergeten. Langs de kant van de weg zat een groepje trekkers hun brood op te eten. Toen ze er langs kwamen, vloekte een van hen opeens hevig. Pieter bleef staan. „Mag niet vloeken...!" zei hij boos en wees met z'n vinger de schuldige aan. „Daar heeft de Heere Jezus verdriet van”.

Half verbaasd, half lachend keek de jongen Pieter aan. , , 'k Zal 't niet meer doen", beloofde hij toen zoet. Maar ze waren nog niet veel verder, of hij vloekte weer. Pieter werd vuurrood, „Mag niet vloeken... mag niet", riep hij „Dan kom je in , de hel, denk erom!"

Ria en Gerard sleurden Pieter mee, „Kom mee, Pieter, nu is 't wel genoeg, hoor."

Eerst stribbelde hij tegen, maar later liep hij stil mee. Hij werd zó stil, dat Gérard vroeg. „Wat is er Pieter? ”

„Jongen mag niet vloeken", mompelde hij. „Heeft geen nieuw hart hoe moet dat nu? Kan toch niet? "

Tineke had zich eerst wel wat opgelaten gevoeld, maar nu schaamde ze zich. Die Pieter hij was beter dan zij. Hij piekerde ook, maar heel anders dan zij

Het is op een van de laatste dagen, dat Tineke 's avonds na het eten besluit nog even aan te lopen bij „De Eekhoorn”.

Ze vindt alleen mevrouw Ruitenberg en Pieter achter op het terrasje.

„De anderen zijn nog even een ommetje aan 't maken", zegt mevrouw.

„Ga zitten, kind ”

„Hier naast mij, Tineke", nodigt Pieter hartelijk.

Tineke laat zich lachend in een stoel zakken, 't Is vreemd, maar ze begint aan Pieter te wennen. Zo lief als hij altijd is!

„Nog een paar dagen, Tineke", zegt mevrouw Ruitenberg, , , 't Zit er bijna op”.

„Ja jammer! Ik zie er weer tegenop", zucht Tineke.

„Hoezo, tegenop? ”

„Nou eh, dan komt alles weer zo terug, al die gewone dingen En hier is 't zo vredig allemaal, zo zonder problemen."

„Heb je problemen dan? ”

Tineke kleurt. Maar mevrouw Ruitenberg kijkt haar zo belangstellend aan en Pieter zit zo trouwhartig mee te luisteren, dat ze opeens behoefte voelt om zich uit te spreken. De avond is zacht en roerloos om hen heen. Ze staart even het schemerige bos in en zegt dan aarzelend. „Soms twijfel ik ...”

„Waaraan dan, Tineke? ”

„Aan alles! Ik zie zoveel ellende in de wereld. Honger, oorlog, slechte huwelijken en zo. Ik denk soms: Waarom is alles zo? ”

„Je wilt dus aan maatschappijverandering gaan doen ...”

„Nou eh..." Even weet Tineke niet goed wat ze zeggen moet. Ze denkt na. Is het eigenlijk niet zo? Ze zou dit anders wil-

len en dat anders „Je hoeft niet alle ellende van de wereld op je schouders te dragen, Tineke”.

„Maar je mag er toch wel over nadenken”.

„Natuurlijk wel. Maar de maatschappij veranderen zal je niet lukken De mensen beter maken kun je namelijk niet”.

„Kan alleen Heere Jezus", zegt Pieter opeens naast haar. „Nieuw hart geven!" Tineke schrikt er bijna van. Een vreemde beklemming overvalt haar. Diep in zich wist ze dit alles eigenlijk wel, maai nu treft het haar opeens.

„Pieter wijst je de weg, Tineke", zegt mevrouw Ruitenberg zacht. „De wereld kan pas anders worden als de mensen zélf veranderd worden een nieuw hart krijgen, zoals Pieter zegt.”

„Ja, nieuw hart, Tineke", valt Pieter weer in. Moet je bidden... Doe ik ook... en dan luistert de Heere Jezus Hij is mijn Vriend...!”

Tineke kijkt hem aan en d: e tranen schieten bijna in haar ogen. Hoe heeft ze hem ooit lelijk en afstotend kunnen vinden? Kijk hem nu praten, zo vol vuur. Het is of een innerlijke glans hem schoonheid geeft!

Het is al laat die avond, als Tineke naar hun huisje teruggaat. Ze hebben met hun drieën nog een lang gesprek gehad, waarvan de woorden nog in Tineke's hart gegrift staan. Ria en de jongens brengen haar weg. Bij de deur zegt mevrouw Ruitenberg: „Begrijp je nu Tineke, dat we allemaal veel van Pieter houden? Hij is een Koningskind. Je moet niet denken, dat we 't er nooit moeilijk mee hebben, hoor. 't Heeft heel wat strijd gekost. En nog doet het vaak pijn ”

„Ja, nu begrijp ik 't, mevrouw, " zegt Tineke verlegen. „Ik ik heb ook veel met hem op, hoor. Echt waar!" Ze neemt afscheid en loopt diep in gedachten over het grintpaadje naar de anderen toe. Dat Pieter haar nu de weg moest wijzen....

Nu ziet ze 't opeens duidelijk: zijn leven heeft tóch zin

Dordrecht

A. Korpershoek-van Wend el de Joode.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1979

Daniel | 24 Pagina's

WAAROM IS ALLES ZO?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1979

Daniel | 24 Pagina's