Mensen zonder blijdschap
Een zeker mens had twee zonen. Hij was rijk, de zonen dus ook. Dat is reden tot blijdschap, maar de jongste was er niet blij mee. Die wil op reis. Een gevoel van onvoldaan-zijn verdringt alle blijdschap over wat hij bezit. Dan komt de vraag, de eis: „Vader, geef mij het deel van het goed dat mij toekomt". I-Iij wil zijn deel om volkomen los van thuis te kunnen zijn. Hij heeft er genoeg van en meent zo> te kunnen handelen.
Hij ontvangt zijn deel. Rijk is hij nu, want ook het jonge leven zelf is een rijkdom: lichamelijke gaven en krachten en ruime mogelijkheden. En daarover wil hij nu zelf kunnen beschikken. Zijn jong-zijn erkent geen banden van bloed, , geen binding van taak of fatsoen. „Vader, ik ga reizen”.
God is voor hem een leeg begrip geworden, hij heeft nooit blijdschap gevonden in de dienst des Heer en. Het zegt hem allemaal niets, hij breekt met alles.
Hij is weggereisd naar een vergelegen land. Dat is pas jong zijn; op ontdekking, op avontuur uit, in niemandsland. Zo staan ook wij midden in het spanningsveld van het moderne leven, temidden van een gesekulariseerde kuituur. Ieder mag doen en laten wat hij wil. Principes bestaan niet meer. Er liggen aanlokkelijke zaken uitgestald, vooral voor de jeugd. En de wereld weet ze goed te verkopen. Begeerlijkheid der ogen, grootsheid des levens en lusten van het vlees, in moderne zetting. Geen blijdschap? Kom nou! Dit is pas leven.
Met verre land
Het valt m: ee in het verre land. Aan vrienden en feesten geen gebrek.
„Levende overdadiglijk heeft hij aldaar zijn goed doorgebracht". Die normloze en godloze zoekt de felle beleving van de volslagen losbandigheid. Overdaad is het produkt van overprikkeling van lichaam en geest.
Genot wordt roes, vrijheid' wordt losbandigheid, muziek zinloze beat en pop, zang dierlijk gebrul en gebral. Goedkope lol is een slecht vervangingsmiddel voor echte blijdschap.
De overdaad moet wel betaald worden. En voor welke prijs. Overdaad is tenslotte roofbouw. Er staat: „Nadat hij alles verteerd had". De kostbare waarden van thuis, zijn jonge leven en God, alles verteerd. Zo duur is overdaad.
De levensverwildering grijpt om jzich heen, ook nu, verwoestend
Sex, drank en drugs vergiftigen het bestaan van velen, vooral van jongeren. Het gaat van stap tot stap. Het stopt niet, het
wordt een reeks van stappen, een doorhollen tot het einde toe. Er komt een verlangen naar steeds meer. Verzadiging blijft uit, de zonde geeft nieuwe honger en nieuwe dorst. Nog blijdschap?
liet loopt uit op volslagen gebrek, dat wordt versneld door hongersnood, die uitbreekt. Ramp op ramp overkomt de jongeling zo. En met al zijn nood gaat hij om hulp tot een vreemde: „Hij voegt zich bij één van de burgers van het land". Naar huis terug, dat wil hij niet. Deze vreemde boer zond: hem op zijn land om de zwijnen te weiden. Zwijnen zijn wel onrein, de vleesgeworden onreinheid, maar je moeit maar in nood zitten. Iiij begeert zijn buik te vullen met de draf , d : ie de zwijnen aten. En niemand gaf hem die. De draf moest dienen tot grootmaking van het onreine, daar grijpt ook hij naar, maar hij wordt nog lager getaxeerd dan een zwijn, , want niemand gaf hem die. Nog blijdschap? Niets van over. „Arm., en beschaamd zo arm te zijn", zeigit de dichteres Vasalis. De zonde neemt slechts: en geeft niets. Ja, toch. Loon geeft, zij, loon naar verdienste, overeenkomstig het verdrag: de bezoldiging der zonde is de dood. Dat loon moet betaald worden. Dat wordt hier zichtbaar. Tenzij
De andere zoon
Er is nog een zoon. Vinden we daar blijdschap? In ieder geval is hij een toonbeeld, althans dat vindt hijzelf, van arbeidzaamheid en trouw: ik dien u al zoveel jaren. Een toonbeeld van gehoorzaamheid: ik heb nooit uw gebod overtreden. Van eenvoud en soberheid: gij hebt me nooit een bokje gegeven. Een toonbeeld van zónde-verachting: deze uw zoon, die uw goed met de hoeren heeft doorgebracht. Zo doet hij zich voor. Hij zegt niet: „mijn broer", maar: „uw zoon". Als broer heeft die ander afgedaan.
Hij blij, dat hij voor zoveel kwaad, bewaard is? Als de knechten hem vertellen wat er aan d: e hand is thuis, dan wordt hij niet blij, maar toornig.
Zo toornig dat hij niet naar binnen wil gaan om zich met de anderen te verheugen. Hij blijft buiten in een wild: , verbitterd protest.
Hij was tot heden altijd thuisgebleven; meelevend, meelopend, meewerkend zelfs. Erg plezierig voor de vader. Maar nu wil hij niet naar binnen.
Innerlijk is hij dus toch „op stap" gegaan. Uit het gesprek met de vader blijkt pas hoe „ver" het land is waar hij verwijlt. Hij mist iets heel belangrijks: de liefde. Hij houdt niet van zijn vader en zijn broer. Toen die broer wegtrok heeft hij niet getracht hem te weerhouden en nu wil hij hem de weg versperren naar vaders huis en hart.
Nee, hij heeft geen honger, maar hij is wel vertoornd, en dat is veel erger: Hij neemt het niet: zo'n vader, zo'n broer, zo'n feest, zoveel verkwisting, zoveel goedheid tegenover zoveel verderf.
Blijdschap? Niets van over. Zelfs eigen vermeende goedheid kan zo: geen blijdschap meer geven. Wrevel en minachting is er slechts over.
Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn. En het tegendeel is het geval. Blij moest men zijn, binnenshuis, om de genadegaven van de vader, van hun beider vader. Blij om de zoon d'ie verloren was, maar weer is gevonden, die dood was, maar weer levend is geworden. Iiij behoorde deelgenoot te worden in het heil dat door de vader is bewerkt. Zal hij het beseffen?
De jongste zoon, beeld van veel jongeren
De zonen zijn beeld van ons mensen, ook van de jongeren. Ze hebben een totaal verschillende aanpak van hun jong zijn, maar in de praktijk van het leven laten deze twee typen zich niet zo volledig afgrenzen.
Alleen de door hun uitspattingen vernielden zijn radikaal. Pas echter op, de jongste zoon niet uitsluitend daar te zoeken. Er zijn er veel meer die ver van huis zijn. De lege ogen tijdens een kerkdienst zeggen genoeg. Het bezoek aan café's, bioscopen en bars op zaterdagavond duidt ook in die richting. Het blijkt op fuifjes en vakanties, in militaire dienst en overal waar ze menen onder het wakend oog uit te zijn. De jongste zoon is een type, dat onder alle lagen voorkomt, helaas. Plet is het leven lin de breuk-situatie.
Ieder die op deze wijze zijn jong-zijn beleeft, ervaart vroeg of laat het gebrek. Jongste zonen komen bij de zwijnen in de honger en ellende terecht. En nog erger dan de buitenhonger is d, e binnenhonger. De innerlijke verhongering en versterving zullen ze niet ontgaan. Vergis je niet in de maatstaven van de Heere: op de wereldse suksesladder had. de rijke man een hoge sport
bereikt, maar de I-Ieere oordeelt anders: Gij dwaas!
Beelden van de oudste zoon
Hoe is het met al de anderen? Reizen als de oudste zoon? Netjes thuisblijven en toch ver van vader verwijderd? Uiterlijk keurig en fatsoenlijk?
Zo is het gros-van de jeugd toch nog wel? Gelukkig wel, dat wil ik duidelijk voorop stellen, maar het is niet genoeg. Soms wat langere haren en een spijkerpak en wat gewaagde plaatjes bij de pick-up? Och, ze blijven nog thuis, zeggen we dan, en het gaat er nog, net en meelevend naar toe. 't Is een aardige jonge kerel, waar de ouders geen last mee hebben. En menige moeder zou wat graag haar huwbare dochter aan hem kwijtraken. Dat is net zo'n type, Zie je. Een best meisje. Geen problemen. Alles loopt op rolletjes.
En toch: wie buiten de vader eindigt, is: verloren zoon. Wie in dit leven in uiterlijkheid zijn rust vindt, zal vallen over het struikelblok van de vergeving. Daar had de oudste geen behoefte aan en dat de jongste die „zo maar" kreeg, kon hij maar niet begrijpen. Dat lag totaal buiten zijn blikveld. Dat paste niet in het systeem van eigengerechtigheid.
Had die vader nu nog mee zonen? De Schrift zegt: er is niemand die goed doet, ook niet één, ook niet onder de jeugd. Ze gaat in zichzelf met haar jong zijn voor God verloren, .
Zo gezien is er met de jeugd niets bijzonders aan de hand. En toch weer wel. Het is altijd: 't Is zonde, want alle: geboden rusten op het ene: gij zult liefhebben. Wie daaraan ongehoorzaam is, komt onder het oordeel. En dat liegt er niet om. Daarop zijn de jongste en. de oudste zoon vastgelopen.
Zo gesteld wordt de noodi van de moderne mens, jong en oud, heel anders dan we misschien gediacht hadden. Die nood zit niet in de eerste plaats in een verkeerde houding tegenover de kerk, de maatschappij, het gezin, het huwelijk, enz. Dat was bij de oudste nog wel in orde. Wat hij moest doen, deed hij, omdat het moest. Wat hij moest hebben, de liefde, miste hij. Daarom was hij nooit blij geweest met zo'n vader, met zo'n erfenis in het verschiet, was hij het ook niet m.et de behouden thuiskomst van de broer en kon hij het met die broer ook niet uitroepen: wij roemen in God door onze Heere Jezus Christus, door welke wij nu de verzoening verkregen hebben.
Er moet iets gebeuren, dat geldt voor beid'e zoons. En voor ons allen. Zonder dat gaat ook de jeugd in haar jong zijn verloren. God moet ingrijpen. En dat wil Hij doen. Als de jongste zoon terugkeert, dan is het de vader op de achtergrond die dat alles heeft bewerkt. En dan is het ongedacht wat dat allemaal uitwerkt: blijdschap bij de vader, bij d, e zoon, bij de knechten. En de oudste broer, hij behoorde ook blij te zijn. Het kon, omdat er een vader was.
Plet kan, omdat er een Vader is. En als het gebeurt, dan breekt de blijdschap door, misschien verstilde blijdschap, maar blijdschap. Uit de verkilling en verstarring waarmee de zonde het heeft omkluisterd, komt het jonge leven dan te staan in de gemeenschap met de I-Ieere.
Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid en vrolijkheid voor de oprechte van hart. Dat is het deel van - de jeugd, die jong mag zijn met de Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1979
Daniel | 24 Pagina's