TOEN OPA NOG JONG WAS
De schemer begint behoedzaam over 't dorp te trekken als een sluier van rust en stilte. In de verte blaft een hond. De toren van de oude dorpskerk slaat langzaam en plechtig 5 slagen. Het is zaterdagmiddag.
Schoongewassen, met z'n opknap-kleren aan, loopt Gerrit Hessing door de Dorpsstraat. Zijn klompen, witgeschuurd en wel, klepperen helder op de klinkerstra at.
In zijn ene hand heeft hij de krant. Z'n andere hand houdt hij stevig in zijn broekzak. Verbeeld je dat hij z'n knikkers verloor. Hij heeft er gisteren juist nog zoveel bijgewonnen op 't schoolplein. Ander was hij nooit zo erg gelukkig, maar deze keer lukte het zo goed! Tien knikkers heeft hij er nu bij. Eens vragen aan moeder of ze een zakje voor hem naait, van een oude boezeroen van grootvader of zo. Of anders, als ze 't te druk heeft, wil Jansje 't misschien wel. Die gaat immers al zo lang naar de naaischool en daar kan zij 't nu ook wel. Maar dan moet hij 't wel vragen, want anders zegt ze toch dat ze geen tijd heeft, vanwege haar uitzet. Vanavond zal hij het vragen. Dan heeft hij maandag een fijne zak
Maandag met een schok staat Gerrit stil. Maandag ? Maar dan, dan heeft hij helemaal geen knikkerzak meer nodig. Dan gaat hij niet eens meer naar school.
Dan gaat hij naar de klompenmakerij van Wolters. Dan wordt alles anders. Dan hoort hij bij de groten en gaat hij elke dag met vader mee naar 't werk. En als het dan schafttijd is zit hij bij de andere mannen en eet z'n brood uit z'n zakje, net als vader; en drinkt hij z'n koffie uit 't blauwe busje met de kurk, net als vader.
Gerrit zucht, 't Is eigenlijk wel fijn om 12 jaar te zijn en bij de groten te horen en een vak te leren. Klompenmaker wordt hij, net als vader en grootvader. Dat hoort zo.
Grootvader zegt altijd: „een Hessing, die kent 't vak, die prutst maar niet zo wat, dat weten ze. En dat weten ze bij Wolters ook, Anders had hij jou niet aangenomen", zei grootvader. „Je kan het vak bij hem ook grondig leren. Onthou dat jongen: je krijgt een goeie baan, dat krijg je. Daar mag je wel dankbaar voor wezen".
Gerrit kan 't echt niet helpen, maar hij is ook een klein, beetje verdrietig, of nou ja, verdrietig, hij heeft zo'n klein prikkerig plekje in een hoekje van z'n hart en dat komt omdat hij nu nooit meer naar school teruggaat.
Misschien kan hij nog wel eens even luisteren als hij een boodschap moet doen voor Wolters en als hij dan toevallig langs de school komt. Ja, dat doet'ie. Even luisteren of hij wat hoort; zingen of tafels opzeggen, of de stem van de meester als hij vertelt. Zien kun je niets van de klas, met die hoge ramen en dat matglas van •onderen, maar horen ; misschien dat het raam openstaat bij warm weer.
„Gekkert", zegt hij dan tegen zichzelf, „gekkert, je wou toch zelf van school af".
Ja, als je 12 jaar bent ga je natuurlijk van school af. De meester had wel eens iets tegen hem gezegd over „goed hoofd" en „je kunt meer bereiken" en „doorleren". Maar daar heeft ie thuis niet eens over gepraat. Dat doet toch niemand, of 't moet Frans van de dokter zijn of Jaap van de dominee. Maar hij is een Hessing en Hessings zijn klompenmakers, bij Wolters. Dat is altijd zo geweest.
Hé, wat een dromer is hij, hij moet doorlopen, want Jansen wacht op de krant. Driemaal per week komt de krant en driemaal per week moet Gerrit die ook weer bij Jansen brengen. Eerst krijgt grootva de krant; die haalt het bandje eraf. Dat mag niemand anders doen. En daarna leest vader de krant. En wat grootva niet goed lezen kan, leest vader voor, 's avonds. De volgende dag gaat de krant weg, naar Jansen: alleen 's zaterdags komt de krant eerder en krijgt Jansen hem 's middags al.
Nog een paar huizen en dan is hij er. Gerrit loopt om 't huis heen, 't half duistere achterhuis binnen en roept: „volk !"
Dan, als vrouw. Jansen naar achteren komt; „Dag vrouw Jansen, alsjeblieft, de krant en de komplimenten van thuis".
„Zo jongen, ben je daar? Dat is mooi. Je mag d'r wel even inkomen". Gerrit aarzelt; liever zou hij weer naar buiten gaan en een beetje langzaam terug lopen. 't Is nog zo fijn buiten, zo echt zaterdagmiddag.
Maar vrouw Jansen doet de deur al voor hem open en nodigt hem met een hoofdgebaar binnen. „Wel ja, doe het maar. Eerst even een kommetje koffie, dat is toch 't minste". En dan zit Gerrit al gauw met een kom koffie voor zich — zo'n lekker grote klont er in — aan de tafel in de achterkeuken. Z'n klompen uit en zijn voeten lekker omhoog getrokken op de sport van de stoel.
De oude vrouw Jansen — Dieka, noemt iedereen haar in 't dorp — zit bij 't raam. Haar witte mutsje met de grote strik onder de kin, zit strak om haar blozende gezicht. En de pientere kraaloogjes kijken Gerrit vriendelijk aan.
„Zo, zo, wat hoor ik, ben jij ook al van school af? " Gerrit knikt, voorzichtig drinkt hij z'n koffie. „Ja, ja, kleintjes worden groot. En wat zal 't nou wezen? Ook naar Wolters zeker? " Gerrit knikt weer. Hij hoeft immers niets te zeggen, want natuurlijk weten ze 't toch al, trouwens iedereen in 't dorp is op de hoogte. En hij wil ook liever niets zeggen, vanwege dat prikkerige plekje van binnen. „Nou", vervolgt het oude: vrouwtje, „dat is toch mooi, dat is de derde al. Ik weet nog goed, toen je grootvader jong was, wel, wel, wat is dat jaren geleden. Toen maakten ze de klompen gewoon aan huis. Je grootvader kwam bij ons thuis en die kon 't hoor, glad en gaaf en zacht aan de voeten. Later is Wolters in 't groot begonnen en die was maar wat blij dat hij je grootvader kon krijgen als knecht. Ik zal je vertellen, dat hij me nog een keer een paar van die lage klompjes gemaakt "
Gerrit kent het verhaal al dat nu komen gaat, een lang verhaal. Hij is blij dat vrouw Jansen ineens weer met de koffiekan boven z'n kopje komt: „Nog eentje maar hè? " „Nee, dank je wel, vrouw Jansen. Ik wou liever weer naar huis, mijn vader wou..." „Nou dan de volgende keer maar weer hè". Gerrit wil al knikken, maar dan bedenkt hij ineens dat ook dat nu anders wordt. Overdag, tussen de schooltijden., is hij niet meer vrij. En moeder heeft: al gezegd dat Kees, z'n jongere broertje nu wel de krant kan wegbrengen.
En daarom komt hij meteen: „De volgende keer komt Kees, vrouw Jansen, want ik ga toch werken”.
Nadrukkelijk knikt de grote vrouw: dat is ook zo. „Nou, dan maar bedankt voor alle keren hoor". „Wacht eens", komt Dieka dan uit haar hoekje. Ze tilt haar bont-geruite schort op, duikt met haar hand tussen de zwarte rok en drukt hem iets in de hand. „Dat is voor je spaarpot. Niet verliezen hoor, en de Zegen des Heeren op je werk".
De schemerige achterkeuken krijgt op dat moment iets gewijds. Gerrit wordt er een beetje warm van. Hij hakkelt: „dank je wel, vrouw Jansen", schiet naar de deur, stommelt wat om zijn klompen te vinden en holt 't achterhuis uit, de Dorpsstraat in. Even voorbij de kerk staat hij hijgend stil, doet z'n hand open. en ziet een dubbeltje Dat gaat in z'n kistje, bij z'n andere geld en bij de plaatjes van de zondagsschool, in het kistje op de bedstedeplank.
Eigenlijk, bedenkt hij, moet hij nou een portemonnaie hebben. Want die zondagsschoolplaatjes, dat is toch wel te kinderachtig nu. Die moest hij maar naar de zolder brengen. Hij gaat nou toch van de winter ook naar 't leren (catechisatie), dan krijg je; geen plaatjes meer, maar dan moet je vragen leren uit het boekje van Hellenbroek en dan neem je ook geld mee, voor de bus in de leerkamer en dan moet je toch een portemonnaie hebben ook. Dat zal hij Grootva eens vragen. Misschien krijgt hij 't wel. Hij is naar Grootva genoemd en dat scheelt altijd, weet hij. In een draf gaat Gerrit nu naar huis.
Overgenomen uit: Bouwstof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1979
Daniel | 24 Pagina's