MIJN MEISJE
Nog een maand dan zwaaide hij af. Uit dienst. Uit het soldatenleven. Toch zou hij z'n kameraden wel een beetje missen. Om hun vrolijkheid en vriendschap. Maar hij was toch blij. Wég. Weer vrij man te zijn, dat trok sterker.
En dan? Weer terug naar huis. Naar zijn vrienden. Ze zouden weer veel „bomen", over militaire dienst, over oorlog en vrede en over allerlei andere zaken. En op de vereniging over de Bijbel en over de kerk. Uren konden ze praten over alle mogelijke vragen!
Maar ook over dat andere, dat je hele denken soms beheersen kon. 't Was niet het allerbelangrijkste in je leven, maar toch
Leen, z'n vriend, had het net een paar weken geleden gevonden.
Hij had gevonden waar ze samen vaak over gesproken hadden.
Leen had een meisje. Nog van dezelfde kerk ook.
Die Leen! Zo gelukkig als hij was. Hij was dol op dat meisje, al een jaar lang. Nu had hij haar gevraagd
Kees trok een lade open, scheurde een bloknootvel los uit een map, pakte zijn pen en schreef aan. Leen: „Als ik uit dienst kom, zoek ik ook een meisje!"
Kees was nu al lang geen soldaat meer. Hoe lang was het geleden, dat hij die brief schreef aan Leen, z'n vriend? Drie jaar geleden alweer ? Vier en twintig was hij nu. Leen was nog z'n beste vriend.
Hij kwam er nog weieens, zo nu en dan. Leen was getrouwd. Heel eenvoudig klonk dat. Leen had een kind. Aardig klonk dat. Het was een lief kind. Als Kees het kind zag, tilde hij het op z'n schouders draaf-de er mee rond, tot hij het, luid proestend, weer neer zette.
Hij keek het kind in de klare blauwe ogen. Het maakte hem altijd gelukkig als hij het kind zag en er even mee dollen kon.
Maar het bleef het kind van Leen. Het bleef in Leens huis.
En als Kees weer thuis was, bij z'n ouders en z'n broer en zus, was het. kind weer weg en had hij alleen maar de herinnering aan het geluk dat woonde in het huis van Leen en het meisje, dat nu z'n vrouw geworden was.
En Kees? Kees werkte op kantoor. Hij las 's avonds veel boeken over de oorlog, over het soldatenleven en over andere betere dingen.
Soms kwam z'n vriend Niek binnen vallen. Niek had hem geholpen met het timmeren, van een gezellige zolderkamer. Daar zaten ze vaak samen..
En soms kwamen er nog meer jongelui. Jongens en meisjes van de jeugdvereniging of vrienden uit z'n diensttijd.
Die zolderkamer scheen aan te trekken. Ze konden er uren „bomen" over de meest uiteenlopende dingen. Kees' vader en moeder keken weieens nieuwsgierig om de hoek. „Komt u er maar bij", riepen ze dan. Zo kwam het dat vader en moeder zich soms ook verdiepten in hun gesprekken.
Soms keek moeder tersluiks naar het gezicht van haar jongen. Ze probeerde hem te peilen. Als moeder wist ze intuïtief dat hij een verborgen verdriet in zich omdroeg. Kees sprak er nooit over, maar ze wist het wel.
Ze wist het als hij van Leen vandaan kwam en vertelde over het kind. Maar op die zolder, tussen z'n vrienden, was daar niets van te merken.
Kees was geliefd bij z'n vrienden. En ook wel bij de meisjes van zijn leeftijd. Als ze 's avonds laat allemaal weer weg waren, lag hij nog vaak na te denken over hun gesprekken. Dan lag hij soms uren wakker en zag hij door het clakkapelvenster heen de maan aan d.e lucht staan.
Fijn dat hij zulke goede kontakten had, met Niek en al die anderen.
Maar, hij had nog géén meisje gevonden. En hij was toch al zo lang uit dienst. Hij dacht nog weieens terug aan die ene zin uit z'n brief aan Leen: „Als ik uit
dienst kom, zoek ik ook een meisje"... Leen had hem er weieens naar gevraagd: „...en Kees ben je al aan 't zoeken? "
Dan zei hij niet veel. Leen kon gemakkelijk praten. Het was zo eenvoudig niet, vond Kees. Hij zag meisjes genoeg. Ze vonden hem aardig en met een enkele had hij weleens wat meer kontakt, maar tot een verkering was het niet gekomen. Drie jaar Waar bleef de tijd?
Hij dacht aan de jeugdvereniging, aan de distriktsbijeenkomsten en als vanzelf moest hij weer aan dat éne zomerkamp denken. Hij had goede herinneringen aan de verschillende kampen, maar op dat ene kamp was Anneke, aan haar moest hij nog vaak denken. Ze kon zo goed blokfluit spelen, terwijl hij achter 't orgel zat en de rest van de groep om hen heen stond.
Anneke was echter een vlindertje, dat hij niet grijpen kon..
Een andere jongen was hem voor geweest. Hij had haar nog één keer gezien en gesproken. Maar toen hij de gouden ring aan haar vinger zag had hij abrupt een eind aan het gesprek gemaakt. Anneke was verloofd!
„Als ik uit dienst kom, zoek ik een meisje". Maar intussen had hij nog steeds geen meisje. Het was een streep door de rekening. De mens wikt
Kees wist het wel. Het was voor hem zo anders gelopen. Soms vloog het hem aan. Hij had gezocht naar het meisje dat hij niet vinden kon. En hij dacht aan z'n vrienden uit dienst. Ze hadden hem vaak gevraagd om mee te gaan, een avondje uit. Naar een bar of een dansavond, of iets dergelijks. Daar waren meisjes genoeg Maar dan rechtte hij z'n rug, dan kwam er een beslistheid in z'n ogen. Nooit! Nooit zou hij daar een meisje zoeken. Dat kon niet goed zijn, dat mocht niet.
En weer dacht hij aan dat ene kamp. Behalve Anneke en die andere jongelui was er iemand van de kampstaf, een jonge man, die dicht bij de jongelui en bij hun problemen stond. Fijne vent was dat geweest!
Hij had eens in z'n gebed gevraagd — voor de jongelui — „Dat ze hun troost, ook in hun verdriet waar misschien niemand van wist, mochten zoeken bij de I-Ieere en in Zijn Woord" Ja, dacht Kees, daarin is troost.
Ook voor die jongens en meisjes die een stil verdriet kennen omdat ze geen levenspartner hebben gevonden. Kees
kende dat stille, verborgen verdriet dat jonge mensen soms in zich omdragen. Soms kwam ook bij hem de vraag op naar het waarom? En Leen dan, en al die anderen
Daar kwam je niet over uitgedacht.
Op een avond begreep hij het opeens. Hij had een dominee horen preken, die wees op de leiding van God in je leven. Hij sprak over Jozef en over de broers van Jozef die verlegen werden om brood in de hongersnood. Zo kun je met iets in je leven in de nood komen, zei die dominee. Dat kan zelfs iets heel gewoons zijn. Bijvoorbeeld het uitzien naar een jongen of meisje
Maar dan gaat het er altijd weer om, waar die nood ons brengt. Waar drijft die nood je heen? Waar zoek je troost in je nood? Kees had die avond iets geleerd. Hij leerde zijn nood bij de I-Ieere te brengen. Bij Hem die gezegd heeft: „Bidt en u zal gegeven worden". Ja, ook om een levenspartner mag je de Heere bidden.
Aan het slot van de dienst hadden ze gezongen:
„Zalig hij, die in dit leven, Jacobs God ter hulpe heeft. Hij, die door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft..."
Kees wist wel dat de dichter in de eerste plaats de nood van heel ons leven op het oog had. Maar toch.., ! Toch hoopte hij dat al die jonge mensen, die hetzelfde verdriet en dezelfde nood kenden als hij, tot Hem zich om troost zouden begeven.
Kees ging die avond getroost naar huis. Hij kon er mee verder.
Weer naar huis, naar kantoor, het leven in.
En 's avonds toen hij voor het raam de duistere nacht in keek dacht hij: „Ik blijf je zoeken, totdat ik je mag vinden". En toen hij voor z'n bed knielde, rees een stil gebed op in zijn hart: „Heere, leer mij U te volgen. Leer mij zeggen: Uw wil geschiede, , .". Even later zag hij door het dakkapelvenster de sterren flonkeren aan de hemel.
En ineens, zomaar, flitste die wonderlijke gedachte door hem heen: „Mijn meisje? God kent haar!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1979
Daniel | 24 Pagina's