EEN WERVENDE GEMEENTE
Hoe de buitenkerkelijke mens ons ziet
Het ergste is nog niet de haat tegen de kerk en de religie, die je zo hier en daar tegenkomt. Maar het volledig afgedaan hebben van de kerk en de religie. De mens leeft zonder God en alle denken aan Hem is uitgeschakeld. Het erge gebeurt, hij sterft ook zonder God Men ziet vandaag het christendom als een groepje mensen, dat steeds kleiner wordt, die kritiekloos toestemmen en zweren bij een stel verdroogde dogma's. Bij z.g. waarheden, die reeds lang door de wetenschap afdoende zijn weerlegd. Gelovigen zijn hopeloos achterlijke mensen. Het zijn simpele zielen die bang zijn voor de dood en die hopen op een heerlijk hiernamaals.
Zij gooien met bijbelteksten, maar houdt ze in de gaten. Evangelisten spannen in dit opzicht de kroon. Zij laten zich maar heel goed betalen voor hun goedkope smoesjes. Predikanten sluiten aan bij de natuurlijke, aangeboren angstgevoelens van de mensen en zo proberen zij hun slag te slaan, het legt hun geen windeieren.
Zo is ongeveer de instelling van de mens, tegenover ons, die hem het evangelie wil verkondigen.
Natuurlijk kunnen wij ons van een dergelijke kritiek op ons afmaken met breed handgebaar en hoofdschudden: „O, o, wat een wanbegrip". Sommige kerkleden reageren fel. Voelen zich diep gegriefd als ze zulke dingen te horen krijgen. En zij bijten van zich af.
Wat kan de achtergrond zijn?
Moeten wij dit ons niet afvragen: „Hoe komen die buitenkerkelijken aan deze misvattingen over de kerk? " Waarom zien zij in ons karikatuur van het christendom en niet het echte? Zou het soms ook onze starre houding kunnen zijn die een dergelijke kritiek uitlokt? Wij hebben onze beiijdenisgesohriften. De drie formidieren van enigheid. Kennen wij deze kostelijke geschriften? Zij zijn nog even aktueel als eeuwen geleden. Wij kennen ze misschien grotendeels uit het hoofd? Prachtig, dan geef ik je een goed cijfer. Maar bestuderen wij ze ook? De Ned. Gel. Belijdenis, de Heidelberger Catechismus, de Vijf artikelen tegen de remonstranten? Hoe meer je er in. graaft hoe meer rijkdommen wij er in vinden. De houding tegenover de Heere en je naaste, de Kerk en de wereld wordt er overduidelijk in omschreven.
Maar is die belijdenis voor ons reeds persoonlijk bezit? Beleven wij wat we belijden? Of is het zo. dat we grote woorden spreken en met onze levensstijl omver werpen wat we met woorden spreken?
Voor velen is de belijdenis een soort vesting waarin men zich terugtrekt. Het is wel knus om zich met elkaar af te zonderen in zulk een vesting.
Maar hoe moet dan „door onze Godzalige wandel onze naaste voor Christus gexoonnen worden? " (H.C. antw. 86)?
Wat ons nagelaten is
Onze reformatorische vaders hebben ons een goed: wapenarsenaal nagelaten. Verdedegings en aanval s-wapens. Maar onze houding: is vaak zo stumperig in de wereld. Wat is. daarvan die oorzaak? Wij willen vaak groter doen dan we zijn. Het is helemaal niet erg als je op alle vragen van deze wereld geen antwoord weet. Erken maar gerust
dat je ook nog maar een leerjongen bent (Art. 13 Ned. Gel. Bel.). Maar wat je dan ook geleerd hebt, wees daarmee nuttig voor anderen. Dat is partikuliere evangelisatie.
Het motief tot evangelisatie
Het motief is geworteld in de Heilige Schrift: „Gaat dan henen". De gemeente van Christus leeft onder de grote opdracht: „Gij zult Mijn getuigen zijn." Dit is geen koud onpersoonlijk bevel. Maar een bevel van de Zaligmaker en Koning van Zijn Kerk. En dit bevel wordt opgevolgd alleen door hen in wier harten de liefde van Christus is uitgestort door de Heilige Geest. Het gevaar is altijd aanwezig dat ons evangelisatiewerk een militant karakter krijgt. Dit gebeurt als de ware liefde gemist wordt. Het is voor de gemeente des Heeren ook een kenmerk van genade, als zij in haar hart iets merkt van de priesterlijke bewogenheid over de massa die in haar diepe verlorenheid voortleeft. Die bewogenheid is vrucht van Hem Die in Zichzelf bewogen is over verloren zondaren.
Evangeliseren is voor de gemeente des Heeren een vanzelfsprekend werk. Zij zou niets liever zien, dan dat allen die om haar heen zijn van dat heil en die weldaad.I deelgenoot zouden worden. Het motief ligt dus in het genadewerk van de Heilige Geest besloten. De Kerk wil een lichtend licht en een zoutend zout zijn.
Zij is daartoe bevoegd van Godswege. Dat brengt ons tot: I-Iet ambt van alle gelovigen.
Het ambt van alle gelovigen
Wij krijgen echter wel eens de indruk dat met dit ambt nogal eens gemarchandeerd wordt. Dan ziet men het als: het ambt van alle belijdende leden. Maar dat is niet juist gezien. Hoewel wij allen krachtens ons „jawoord" in dat ambt behoorden te staan, „Maar waaróm wordt gij een christen genaamd, ? ", (vr. en antw. 32 HC).
„Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo-Zijn zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde (profeet) en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere (priester). En met een vrije en goede consciëntie in. dit leven tegen de zonde en de duivel strijde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere." (koning). Dit is het. antwoord van een gelovige. Jongens, meisjes, met welk een ernst moesten wij bezet zijn om dit van harte te mogen belijden. Dan staan we in het ambt van alle gelovigen, We weten het, dat niet alle kinderen van God hier vrijmoedig op durven antwoorden. Maar toch hebben zij in. beginsel die zalving ontvangen. Adam heeft deze drie ambten in zijn val verloren. En wij met hem. Wij kunnen dit verloren goed noodt meer terug krijgen, tenzij wij „door het geloof een lidmaat van Christus worden" en Zijn zalving deelachtig. Daartoe worden wij door onze doop geroepen, door de prediking van het Woord vermaand. En dit is een ruim evangelie. „Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden", Spreuken 8 : 17. „Vroeg zoeken" betekent ook: ie Mij vóór alle dingen zoeken.
Hoe de gemeente werft
Omdat niet alle arbeid op de ambtelijke schouders kan drukken, doen de broeders wijs om zoveel mogelijk hulpkrachten aan te trekken. Ieder kan hierin meewerken. Maar dan wel ieder op de plaats clie hem past. Ieder gemeentelid heeft niet de gave om met buitenkerkelijken te spreken over geestelijke zaken. Maar er is daarnaast nog zoveel te doen en te helpen voor jullie. Gelden moeten voor dit werk worden ingezameld (Ik denk nog even aan de geslaagde aktie: Zending in Nederland, wat hebben jullie prachtig werk geleverd). Uitnodigingen en lektuur moet worden verspreid. Wat kan er rond de plaatselijke kerkelijke gemeente niet gedaan worden. Gelukkig is er reeds veel aktiviteit in onze gemeenten. Maar er kan nóg veel „Brood op het water geworpen xoorden". Wees niet tevreden, met het praatje: „De kerkdeuren staan immers open? Er moet een nodiging van de gemeente uitgaan. „Kom ga met ons, en doe als wij." De gemeenten zien om naar mannen d.ie de He ere vrezen en de bekwaamheid bezitten om met andersdenkenden te spreken. De werving moet echter uitsluitend op de kerk gericht zijn, tevens van de kerk uitgaan. Wij veroordelen alle aktiviteiten die los van de kerk staan. Pas op voor methodistische ontaarding. De verkondiging van het Woord, moet de eerste plaats innemen. Buiten het Woord is er geen middel tot bekering van zondaren. God doet nog steeds wonderen door dit werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1979
Daniel | 24 Pagina's