DE VROUW IN DE GEMEENTE
We kunnen de plaats die de Heere aan de vrouw gaf niet los maken van de plaats die Hij haar gaf in de schepping en, daarmee verbonden, in het huwelijk. In Genesis 1 : 27 lezen we: En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze". De nadruk valt daar op de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Deze gelijkwaardigheid neemt de ongelijkheid niet weg, ook niet het onderscheid in de plaats die de Heere hun in het huwelijk gaf. We lezen in Genesis 2 : 18: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulp maken die als tegen hem over zij".
Er is dus enerzijds overeenkomst, anderzijds is er verschil. Dat is door de Heere duidelijk gewild. We gaan dan ook tegen de scheppingsorde in, als we man en vrouw gelijkstellen. De vrouw heeft een andere plaats gekregen dan de man. Dit verschil te erkennen houdt eerbiediging in van Gods Woord en heeft niets te maken met traditionele en verouderde ideeën, zoals velen trachten te doen geloven.
Dit onderscheid heeft gevolgen voor de verdeling, van de arbeid, die door de Heere aan de mens is opgedragen. En dat geldt zowel het werk in de schepping als in de gemeente. De vrouw is als „hulp tegenover de man" daarin niet achtergesteld bij de man, maar ze heeft een eigen plaats, een eigen waarde en een eigen, recht van God verkregen. De man kan op haar plaats niet staan, netzomin als zij op de plaats en in de funktie van de man staan kan.
Ook het woord „hulp" heeft niets denigrerends in zich. Het heeft een rijke inhoud in Gods Woord. Zelfs wordt het aan de Heere tosgeschreven: „Mijn hulp is van de Heere". Vanuit de hulp van. de Heere heeft de mens deze hulp gekregen.
Het hele leven van Adam en Eva, toen nog Mannin geheten, stond in het teken van het dienen van de Heere. In rust en vrede, die door niets gestoord werd, leefden ze in de omgang met God.
Hoe ingrijpend zijn de gevolgen van de zondeval, ook in verhouding man-vrouw: „en tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben". De harmonie is gestoord, het heersen van de een over de ander is het gevolg. Vanaf de zondeval is de ereplaats — in een dienen als hulp „tegenover" — vervangen door onderworpenheid aan de man. De zonde heeft de goede verhouding grondig verstoord. Mannen bezien haar als slavin, in het bijzonder zij die zonder de Godsopenbaring leven. Of — en dat is een ander uiterste in onze tijd — de vrouwen zoeken in een feministisch ideaal los te komen van de man en zelfs over hem te heersen. Zo is de zonde een repeterende breuk, die uitéénscheurt dat God verbond.
Daarvan is verlossing in Hem, Die geboren werd uit Maria door de werking van de Heilige Geest, de Heere Jezus Christus. Door herscheppende genade worden man en vrouw weer beelddragers Gods. „Daarin is noch Jood, noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus", zegt de apostel Paulus in Galaten 3 : 28. Door de herschepping komen ze weer tot de orde van de schepping, al blijft hier alles „ten dele". Vanuit. Gods Woord wordt de plaats aangewezen aan man en vrouw, zowel in de gemeente als in het maatschappelijk leven. Efeze 5 bevat duidelijke aanwijzingen ten aanzien van de huiselijke plichten, 1 Korinthe 11 o.a. wijst de plaats aan van de vrouwen in de gemeente.
In Christus is de terugweg naar de scheppingsorde geopend. Maar ook dan blijft er een door God gewild onderscheid tussen man en vrouw, dat veel verder gaat dan de bouw van het lichaam. Dit doet niets af van hun gelijkwaardigheid, maar er blijft
een diepgaand onderscheid. Een onderscheid dat ten diepste terug te voeren is op de plaats die God aan ieder gegeven heeft en de daarbij verleende gaven om in dienende liefde werkzaam te zijn.
Gods Woord is niet onduidelijk als het de onderscheiden plaats aangeeft, die mannen en vrouwen in de gemeente innemen. We zien het onderscheid al bij de omwandeling van de Heere Jezus op de aarde. Er waren vrouwen die Hem volgden, die Hem dienden van hun goederen. Maar Hij stelde twaalf mannen aan als discipelen. Martha en Maria waren voorbeelden van dienende liefde, maar geen vrouw heeft werk verricht in de prediking of het dopen.
In de nieuw testamentische gemeente lezen we van mannelijke ouderlingen en - diakenen. Deze werden met gezag bekleed. De Heere leidt de gemeente naar een bepaalde orde. Die orde bestaat o.a. daarin dat er ouderlingen of opzieners zijn, die de gemeente moeten bewaren bij het. Woord, Ze zijn mede belast met het onderwijs uit het Woord en het toezien op de leer en het leven in de gemeente.
Dit ambt is ongetwijfeld dienst. Het is een dienst aan de gemeente, die zich daarom onder het gezag van deze dienst moet stellen (1 Korinthe 16 : 15 en 16). Die groot zijn in de gemeente zullen dienen, zoals ook de Heere diende. Maar ze dragen wel gezag, zoals Christus Zelf. Juist, omdat zij dienen.
Van deze dienst, van dit gezag dragen en leiden van de gemeente, hebben de apostelen de vrouwen met nadruk uitgesloten. De nadruk waarmee de apostelen over de taak der vrouwen spreken, de ernst waarmee ze de gemeente vermanen zich te houden aan wat hun geleerd is, maken het onmogelijk hier te denken aan beïnvloeding dbor de tijdgeest of aanpassing daaraan. Het is een getuigenis hun door de Heilige Geest gegeven.
Aan de vrouw wordt met nadruk in de onderlinge eenheid der gemeente een andere taak gewezen dan aan de man. Zoals zij ook in het gezin een andere taak heeft en ook een andere plaats in h.et huwelijk. „Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams" en „Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente" (resp. Efeze 5 : 23a en 32). In gezin en gemeente wordt zij geroepen tot onderdanigheid. Door zich daarin te voegen naar het Woord en door vernieuwing van de Heilige Geest, krijgt Christus in haar gestalte. De kerk zou de vrouw en. zichzelf schade doen, wanneer zij van de gedragslijn van de Heere en de prediking, en zielszorg van d: apostelen zou afwijken.
In het ambtsrapport „Van Ruler-Dokter" staat te lezen: „De ambtsdragers vertegenwoordigen Christus, het Hoofd der gemeente. De ambtsdragers, m.et name de dienaren van het Woord, moeten mannen zijn. In het huwelijk is de man van Godswege bestemd het hoofd te zijn. In de gemeente worden mannen geroepen Christus te representeren. De gemeente is haar voorgangers onderdanig, zij ziet achter hen haar Hoofd Christus. De vrouw is niet geroepen om iets te representeren, wat zij in zichzelf niet is. In het huwelijk is zij ertoe bestemd het hoofd-zijn van haar man te doen funktioneren en aan zijn bestaan volheid' en diepte te geven. In de gemeente is zij ertoe bestemd om naar Christus te vragen, Hem te volgen en om te tonen wat geloof, liefde en heiliging is. Zij verkondigt niet het heil in Christus krachtens een opdracht, maar getuigt van het aan de gemeente geschonken heil. Ze beeldt de gemeente af als bruid' van Christus. Vrouwen kunnen een onopzettelijke, diepgaande invloed in de gemeente hebben. Hun „gezag" is van een bijzondere aard: door de daden van het geloof en het getuigenis van Zijn werk. Zo behoren tot de wolk der getuigen: Sara, Mirjam en Hanna, de weduwe te Zarfath en Hulda, Maria en de vrouwen die de boodschap van de opstanding des Heeren tot de moedeloze discipelen bracht".
De uitsluiting van de vrouwen van leiding en onderwijs betekent niet, dat er geen plaats voor hen is in het werk der gemeente. Want alle leden moeten medewerken aan de opbouw van het geheel. De vrouwelijke bijdrage kan niet worden gemist. Maar de apostolische vermaning mag er niet door buiten werking worden gesteld.
De taak van de vrouw is allereerst in de binnenkamer om de gemeente en haar ambtsdragers aan de Heere op te dragen. Om trouw met haar man en gezin onder de verkondiging van het Woord te komen, ook bij de leesdiensten.
Verder denken we aan de plaats in. het kerkelijke verenigingsleven, de plaats binnen
de vrouwenvereniging. Ook die in een groter verband. Daarnaast het bejaardenwerk, ziekenwerk, het werk onder eenzamen. Een bezoek aan hen die vaak van andere kontakten verstoken zijn, kan zo veel betekenen. Zo is er veel te bedenken. En liefde
is vindingrijk in het bedenken van hetgeen tot nut van de naaste is. Maar de plaats van de vrouw in de gemeente zal voor alles moeten zijn een plaats in de gemeente die door Christus vergaderd wordt door Zijn Woord en Geest. Daartoe wordt ons het Woord verkondigd. Het woord van Christus blijft gelden: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid", opdat eenmaal gelden mag:
Straks leidt men haar in statie uit haar woning, In kleding, rijk gestikt, tot haren Koning".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1979
Daniel | 24 Pagina's