PREDIKING EN GEMEENTE
Inleiding
Het is een genade van God, dat we over bovengenoemd onderwerp mogen nadenken. Want het is geen vanzelfsprekende zaak, dat er in deze wereld gepreekt wordt en gemeenten te vinden zijn. Dat is waarlijk niet te verklaren vanuit ons menselijk bezig zijn. De Dordtse Leerregels (Hfdst. 1 par. 1 t/m 3) geven duidelijk aan, dat de prediking en de gemeente niet terug gaan op enig mens, maar op de hoge God. De verhevenheid en de majesteit van God dienen voorop te staan zowel voor hen, die het Woord prediken als voor hen, die het hoien.
De hoogheid van de prediking
De prediking is de dienst, die Jezus Christus, de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis (Hebr. 3 : 1) in en door Zijn kerk in deze wereld verricht om. door de eeuwen heen Zijn volk te vergaderen en Zijn lichaam te bouwen. De prediking vindt plaats met de volmacht van Jezus Christus. Bij de profetie weerklinkt het: Alzo zegt de HEERE". En Christus sprak: Wie u hoort, die hoort Mij en wie u verwerpt, die verwerpt Mij en wie Mij verwerpt, verwerpt Degene, Die Mij gezonden heeft". Wordt de ernst van de prediking niet dikwijls onderschat? Aan het Woord des Heeren kunnen we ons ten dode branden. God wil Zijn Woord verkondigd (lett.: eheraut) hebben. Daarom laat Hij geen plaats om bij het opengeslagen woordi de preek te vullen met politieke en sociale problemen, noch met verhaaltjes over hoe godzalige mensen ook. De prediker heeft zijn handen meer dan vol aan het Woord. Dat God de prediking wil zegenen, is niet dankzij Zijn dienaren, maar ondanks hen.
De inhoud van de prediking
De Heilige Schrift is de Zelfopenbaring van de drieënige God. Hij heeft Zich aan ons, sterfelijke mensen, die de dood verdiend hebben door onze zonden, bekend gemaakt; Hij aan ons. Buiten het Woord Gods is er geen zaligheid, omdat alleen het Woord ons de weg der zaligheid verkondigt in Christus Jezus, en de zaligheid: s in geen Ander (Hand-. 4 : 12). Maar deze ene Naam wordt dan ook verkondigd als de volkomen Naam. Want van tweeën één: f Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, öf d.ie deze Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in I-Iem hebben, dat tot hun zaligheid van node is (H. C. zond. 11). De hoofdinhoud van het Evangelie, de kern van onze belijdenis, de schat der kerk en het goud van de Reformatie is de vergeving der zonden in en door het bloed van Jezus Christus en. Die gekruisigd. Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd. voor de goddelozen gestorven (Rom. 5:6). Hij is de Ladder Jacobs, Die in de prediking neerdaalt
van de hemel. Wie van de mens uit de hemel wil bereiken, kan jaren worstelen zonder één stap te vorderen, want deze weg is niet alleen onbegaanbaar, maar bestaat zelfs niet. De weg der zaligheid vindt zijn oorsprong in de hemel, in Gods welbehagen. Vóór het verlossingswerk van Christus ligt de eeuwige raad van God en achter Zijn werk ligt het eeuwige rijk van God. En daartussen zijn Vader, Zoon en Heilige Geest bezig in het zaligen van zondaren.
De spits van de prediking
De dienst der prediking gaat gepaard met de roep tot bekering en het geloof in Christus, de Gekruisigde (D.L.R. I, 3). Het Woord mag, nooit vrijblijvend gepreekt worden. In de prediking brandt het vuur van Gods Woord. Velen stellen zich tevreden met het Woord op een afstand, maar de klem van de prediking is steeds: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? " (Luk. 9 : 20). Dat zal altijd weerstand bij de hoorder blijven oproepen. Let erop, hoe in het boek Handelingen de tegenstand zich reeds manifesteert in het verwerpen van Christus' Naam. Zo is het nog, als men zijn onbekeerlijkheid wil rechtvaardigen. Maar God wijst ons in de prediking niet aan als slachtoffer van de zonde: maar als schuldenaar. Daarom moet de mens in zijn laatste schuilplaatsen worden opgezocht om hem strafwaardig te stellen voor de hoge God.
Anderzijds moet de prediker uitdeler zijn van de menigerlei genade Gods (1 Petr. 4 : 20). De toepassing met betrekking tot het leven des geloofs dient schriftgebonden te zijn; immers, als de bevinding opkomt uit de Schrift, leidt ze Gods kind ook terug naar de Schrift en alleen zo vindt de opbouw plaats op het vaste fundament Jezus Christus, en alleen zo zal God de eer ontvangen. Slechts het spreken naar het Woord geeft de ware warmte en gloed aan de prediking, n.1. als daarin doorklinken de klacht over het verlaten van de Heere, de smart over het missen van Zijn gemeenschap, de vreugde om het vinden van Hem en de blijdschap van het leven met Hem. Dan is alles doorademt van het tere en tegelijk krachtige werk van de Heilige Geest, Die Christus verheerlijkt door het alles te nemen uit Iiem en het ons te verkondigen.
De plaats van de prediking : de gemeente
God heeft de gemeente in deze wereld apart gezet en de leden ervan als zodanig gemerkt met het teken van afzondering of heiliging namelijk de Heilige Doop. Ook dat is waarlijk niet te verklaren vanuit ons. menselijk bezig zijn. Ook hier openbaart zich de hoge hand van God, Die, nadat de mens door de zondeval het werkverbond had verbroken, terstond Zijn genadeverbond heeft geopenbaard. Toen de mens al bevende voor Hem vlood, heeft Hij hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven (N.G.B. art. 17).
De bediening van dit verbond, onder het O.T. beperkt tot Israël, heeft zijn voortzetting gekregen in de nieuw testamentische gemeente. Van de grote rijkdom, ervan lezen we in Jeremia 31. Onder dat verbond komt de gemeente samen en onder de beloften daarvan mag ze leven, want God heeft die in de doop aan het voorhoofd verzegeld. De Heere heeft dan ook in het O.T. Zijn volk reeds aangesproken op het verbond, zoals Hij dat met het volk aan de Sinaï had gesloten. Dat betekent niet, dat Hij allen tot de eeuwige zaligheid heeft aangenomen, want ook toen waren er tweeërlei kinderen des verbonds (Calvijn). Maar het gehele volk was verbondsvolk en leefde onder de bediening ervan. Hoe zou de I-Ieere anders kunnen zeggen: Gij hebt Mijn kinderen geslacht" (Ez. 16 : 21) en: Mijn zoon, geef Mij uw hart" (Spr. 23 : 26).
Zo mogen ook wij leven onder het aanbod der genade en onder de belofte van het verbond. Dat onderscheidt de gemeente van hen, die buiten zijn, want die moeten Zijn getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen. Dit alles legt op de gemeente een bijzonders verantwoordelijkheid. Immers, vanuit het Woord van God klinkt nü juist indringerder dan ooit de noodzaak van geloof cn bekering. Want leven onder het verbond is niet hetzelfde als zalig worden. In Matth. 8 : 12 lezen we Jezus' woord: En de kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis". Intussen, levend op het erf van het verbond onder de verkondiging van Gods genade heeft niemand het recht om onbekeerd te zijn. „Christus bedient het verbond aan zondaren uit het menselijk geslacht, zonder enige beperking, in het algemene aanbod van het evangelie, hetwelk is een verkondiging van grote blijdschap, die al den volke wezen zal (Luk. 2 : 10) en waarin allen, zonder onderscheid, verklaard wordt welkom-te zijn (Spr. 8 : 4; Mark. 16 : 15)." (Stelling 93 in: erbond der genade door Erskine/Fischer, uitgegeven door ds. G. H. Kersten).
Het op de juiste wijze funktioneren van het verbond maakt de bekering niet overbodig maar stelt deze juist in een bijzondere scherpte voor ogen. Het is „verbondsbedrog" als we verstandelijk vanuit verbond en doop gaan redeneren en van daaruit de zaligheid opbouwen, alsof het werk van de Heilige Geest in wedergeboorte en bekering heeft afgedaan. Dan wordt het verbond verlaagd tot een gebied, waarop wij zullen handelen en is het niet meer het terrein, waarop de levende God doden levend maakt door Zijn Heilige Geest. Hoe indrukwekkend en groots spreken daarvan de Dordtse Leerregels in III/IV, par. 11: „Maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen van de mens met de krachtige werkingen van die wederbarende Geest; Iiij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt, die boos was, goed wordt; die niet wilde nu metterdaad' wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen."
Waar de Heilige Geest zo werkt, daar wordt Gods eis ons gebed: ekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God! (Jer. 31 : 18).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1979
Daniel | 24 Pagina's