JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EDWARD FISHER EN ZIJN „MERGH DES EVIINGELIUMS"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EDWARD FISHER EN ZIJN „MERGH DES EVIINGELIUMS"

12 minuten leestijd

Enkele jaren geleden raadde een vriend mij aan een boekje te lezen, getiteld „Mergh des Evangeliums". Het was mooi, zei hij. Ik heb het werkje aangeschaft en ook gelezen. En het is mooi, vind ik. Daarom ben ik blij dat ik iets over dit boekje mag schrijven.

Al eerder besprak ik een werk van uitgeverij De Vuurtoren te Urk, n.1. Merktekenen der kinderen Gods, door Jean Taffin. Het is duidelijk dat de man achter deze uitgeversnaam, de heer J. de Wit, een goede speurder is naar oude en, wat meer zegt, gezonde, geestelijke lectuur. De „Merktekenen" werd herschreven in hedendaags nederlands; terwijl het „Mergh" een fascimile-uitgave is. Dat laatste wil zeggen, dat het in de eerste tot de laatste bladzijde gefotokopieerd is, waardoor een absoluut betrouwbare nederlandse tekst natuurlijk gewaarborgd is.

Misschien is dit echter tevens de reden, dat het laatste boekje, voorzover ik het bekijken kan, erg onbekend gebleven is. Er verschijnt onder ons ook zo reusachtig veel oude theologie heden ten dage, dat een uitgave waarvoor men zich al lezend wat meer moet inspannen nauwelijks kansen krijgt. Alleen hierom al zou „De Vuurtoren" een eventuele herdruk in modern nederlands kunnen overwegen, al wil ik daar direkt aan toevoegen dat er dan (voor mij althans) een bepaalde bekoring zou wegvallen. Bovendien is deze herdruk uit de 18e eeuw heel goed te lezen, wanneer men zich althans aanvankelijk enige inspanning wil getroosten. Het lettertype is namelijk, niet gotisch, maar arabisch zoals wij dat ook nu nog kennen. En dat scheelt voor niet-geoefende lezers al enorm!

Daarom, , nu alvast een raad: leg dit boekje toch niet te snel opzij wanneer de bladspiegel je zou afschrikken. Heus, het technisch lezen van dit werkje valt erg mee; na tien pagina's ben je door de taalbarrière heen. En de inhoud rechtvaardigt zorgvuldig lezen wel zeer!

De achter grond van „Mergh des Evangeliums"

De volledige titel luidt: „Mergh des Evangeliums, ofte kort summier van de Leere van Godts Verbonden, volgens de Oorspronkelijke Zuiverheid der Hervorming, met Groote naarstigheid, uit Gods Woord en de Allerrechtzinnigste Hervormde Schrijvers, bij wijse van een Samenspraak opgestelt door E. F."

Deze E. F. is Edward Fisher, predikant in de eerste helft der 17e eeuw in Engeland. In de gereproduceerde uitgave is tevens een belangwekkende voorreden opgenomen, welke de evangelische heiligheid en het onderscheid tussen evangelisch en wettisch preken aan de orde stelt. Deze voorreden is geschreven door N.N.; zij is dus

van anonieme aard. Uit eèn door de uitgever tussengevoegde pagina (overigens een vreemd verschijnsel!) weten we dat dit James I-log is, een tijdgenoot o.a. van Thomas Boston en de beide Erskines, mensen uit de eerste-helft der 18e eeuw. Juist rondom de verkondiging, tussen wet en Evangelie waren toentertijd in Engeland/ Schotland geweldige spanningen ontstaan.

Ook ons boekje, het Mergh des Evangeliums, speelde hierin een belangrijke rol. De predikanten die zich achter dit boek schaarden, werden wel de Narrow-men, de Merghmensen genoemd. Zij keerden zich met kracht tegen een stroming in de kerk die wel als het neonomianisme wordt aangeduid. Een stroming waardoor het gevaar dreigde dat van het geloof en de genade een nieuwe wet werd gemaakt.

Dit neonomianisme werd ingegeven uit de angst voor een tegenovergestelde richting, het antinomianisme. Ongetwijfeld is bekend dat met dit laatste van mening bedoeld wordt, dat de wet in het leven van de ware christen geen enkele kracht meer heeft. Dit leidt dan vaak tot een zorgeloos leven, geleid vanuit de gedachte dat alle zonden — ook de toekomende — toch al vergeven zijn.

Er is veel bijbels inzicht en geesteslicht voor nod'ig om het juiste midden tussen antinomianisme en (neo)no.mianisme te houden. I-Iet neonomianisme is gevaarlijk omdat deze leer een beperking van de beloften van het Evangelie met zich meebrengt, waardoor de nodigende roep van de heilsboodschap niet meer ten volle en ook niet op de juiste toonhoogte doorklinkt. De Erskines bijvoorbeeld stellen daar tegenover met kracht dat de kabinetten der evangelische beloften voor allen zeer wijd behoren te: worden geopend.

Welnu, niet ten onrechte legden zij het gewicht in het 17e eeuwse Mergh des Evangeliums in de schaal. Het heeft echter niet mogen baten. In een preek van Ebenezer Erskine (over Openb. 7:1-3) luidt het dan ook: De schadelijke wind en kerktyrannie en misbruikte tucht heeft gedurende langen tijd in de kerk van ons land gewaaid, waardoor de dwalenden beschermd en de dienaars van Christus uit de dienende gemeenschap uitgeworpen en afgezet zijn wegens hun getuigenis geven voor de waarheid en tegen den tegenwoordigen stroom van afwijking en afval". Hierdoor werd tevens „een bundel dierbare waarheden" (bedoeld is het Mergh des Evangeliums) veroordeeld, die van dien tijd af „onder de rommel liggen".

De hoop dat dit boekje nog eens „zegepralend voor den dag" zal komen is ten onzent in zoverre bevestigd dat het in 1757 in het nederlands verscheen „onder opzicht van één, die zich noemt Philaleth.es Ireneaus".

De man die zich achter deze speudoniem verschuilt (de naam betekent zoveel als liefhebber van de vrede) is. zeer waarschijnlijk niemand anders dan Alexander Comrie, of althans iemand die Comrie zeer goed kende en waardeerde.

De gedachten van Nmnista en Antmomista afgewezen.

Dat het boekje ook' nu nog, en ook in onze 1 kring, nog. volop aktueel is moge uit het volgende blijken.

Het boekje bestaat uit een inleiding en drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk handelt over de wet der werken of het verbond der werken, het. tweede bespreekt de wet des geloofs of het verbond der genade, terwijl in het derde over de wet van Christus gesproken wordt. Er wordt ook werkelijk gesproken in dit boekje, want er zijn vier personen die een samenspraak houden, n.1. Evangelista, een leraar des Evangeliums, Nomista, een Wettische, Antinomista, een Wet-Bestrijder en Neophutus, een Jong Christen.

Juist omdat, hierboven al het een en ander gezegd is ; over de verhouding tussen „Nomista" en „Antinomista" en omdat dit artikel in een blad verschijnt dat in de eerste plaats jongeren tracht aan te spreken, lijkt het me goed om het gesprek tussen Neophutus en Evangelista enigszins op de voet te

volgen. We kunnen heel wat leren uit de geloofsworsteling zoals die door Neophutus wordt beleefd en door Evangelista in de juiste banen wordt geleid. Al in de inleiding zegt Neophutus dat Nomista hem tracht te overreden om in Christus te geloven en hem gebiedt verheugd te zijn in de Heere 1 , en blijmoedig te leven. Maar, zo klaagt hij verder: dat kan ik niet, ik gevoel nog zoveel verdorvenheden in mijn hart; daarom behoor ik veel eer te vrezen, bedroefd te zijn en te treuren over mijn zonden.

Het valt op dat Evangelista hier eigenlijk in het geheel niet op ingaat, maar Nomista en Antinomista gelegenheid geeft om hun levensgeschiedenis en standpunt uiteen te zetten, waarop hij uitvoerig reageert en waaruit blijkt dat hij hun gedachtengang afwijst.

Het gesprek tussen Evangelista en Neophutus

Pas honderd pagina's verder blijkt Neophutus nog steeds aanwezig te zijn. Het gesprek tussen Evangelista en Nomista heeft een voorlopige afsluiting gevonden in de krachtige vermaning van de eerste jegens Nomista om het „waggelend huis" dat hij gebouwd heeft „op de puinhopen van den Ouden Adam" af te breken. Nomista moet leren om niets te doen, zichzelf te verloochenen, kortom de weg van het verbond, der werken terug te gaan. Dat brengt Neophutus tot de uitroep wat hij dan moet doen. Hij krijgt nu eerst gelegenheid om iets van zichzelf te vertellen. Dat komt kort gezegd hierop neer, dat hij zichzelf mishaagt vanwege zijn zonden en vindt dat hij, hoewel minder goddeloos levend dan voorheen, zeer veel tekort schiet in vergelijking met anderen, in het bijzonder m.et Nomista. Evangelista reageert hierop door met kracht te zeggen dat er ook voor Neophutus geen andere weg is dan die hij Nomista aanwees, namelijk niets werken, niets doen, noch iets aan God geven. Integendeel, hij heeft niets te doen dan „alleen den Schat te ontfangen, welke Jezus Christus; en Hem in uw herte tenemen door het Geloove: , schoon gij noch zulk een groot Zondaar zijt". „Hier komt niets tussen, dan het Geloove alleen, Christus aangrijpende in de Belofte. Dit dan is volmaakte Gerechtigheit, niets te hooren, niets te weten van de Wet der Werken; maar alleen te weten en te Gelooven dat Jezus Christus nu tot zijnen Vader gegaan, en voor U aan zijne rechterhandt gezeten is, niet als Rechter, maar als u geworden zijnde Wijsheit van Gode, ende rechtvaardigheid ende heiligmakinge, ende verlossinge".

Neophutus' reaktie zou ook de onze kunnen zijn: „Maar, mijn Heer, heeft zulk een als ik recht om in Christus te Gelooven? " Evangelista's antwoord is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: „Zoo verre de Schriftuur spreekt tot allen in 't gemeen, behoorde niemand van ons zichzelven uittesluiten, maar te gelooven dat de uitbiedinge van Christus tot hem in het bijzonder behoort, en aan hem gedaan wordt", en dat hij „veilig mach wederkeeren tot Godt in Christus Jezus; waarom ik u bidde daar niet aan te twijfelen". Neophutus is echter nog niet overtuigd: velen zijn. geroepen, maar weinigen uitverkoren! Evangelista echter: „Daarom bid ik u, zeg. niet, misschien ben ik niet uitverkoren, en daarom wil ik niet in Christus gelooven: maar zeg veel meer, ik geloove in Christus, daarom ben ik Uitverkoren". — „Zeg dan, bid ik u, met een vast Geloove, de Gerechtigheit van Christus is voor allen die in Hem. Gelooven; maar ik geloove 1 , en daarom is die voor mij". Neophutus: ja, maar ik ben zulk een arm, zondig schepsel. „Gewisselijk, mijn Heer, ik kan niet bewogen worden om het te Gelooven".

Evangelista wordt hierop bijna boos: „Helaas! Mensch, wat zijt gij hier niet in een groot Misverstant!" Want u beschouwt God op de wijze zoals wij elkaar behouwen maar u behoort God en uzelf te beschouwen met het oog des geloofs. U beziet alles nog volgens het verbond der werken en niet volgens het verbond der genade.

Daarom bid ik u, zegt Evangelista, „herroep dit uw dwaalendt gevoelen, en wederspreek niet langer het Woordt der Waarheit; maar besluit voor zeker, dat het niet de Rechtvaardigen en Godtzaligen, maar de Zondaren en Goddelozen zijn, die Christus gekomen is te roepen, te rechtvaardigen, en zalig te maken".

Zeg maar met Luther: „ik ben een arm ellendig Zondaar, en daarom oordeel ik mijzelven uwe Genade niet waardig, maar hebbende uit uw Woordt geleerdt, dat uwe Zaligheit zulk eenen toebehoort, zoo kome ik tot U om dat recht te eisschen, hetwelk mij door uwe genadige beloften toekomt".

Neophutus kan geen kant meer uit, maar „mijn herte beeft, als 't ware, in 't binnenste van mij, wanneer ik denke om op zulk een stoute wijze tot Christus te komen". Is het geen hoogmoed en verwaandheid wanneer ik zo tot Hem kwam.?

Nee, zegt Evangelista, het is juist „waare nederigheit des harten, datgeen aantenemen hetwelk Christus u aanbiedt". Op dit punt menen Nomista en Antinomista te moeten ingrijpen. Nomista: „Maar, mijn Heer, onderstelt dat hij zich noch niet kwalijk bekeert heeft van, noch berouw heeft gehadt over zijne menigvuldige en grote zonden; heeft hij dan wel eenig recht om tot Christus te komen door het GelooVe? ".

Hier is een erg. belangrijk punt bereikt in het gesprek waarin geworsteld wordt om een mensenziel. Evangelista geeft een zeer kernachtig en vertroostend antwoord. Hij zegt namelijk dat Nomista dan van de mens wil hebben dat hij datgene doet wat onmogelijk is. De bekering bestaat immers uit een vernedering voor God, een droefheid over de zonde en een zich wenden tot de Heere. De vernedering kan echter alleen maar uit de liefde tot God voortkomen; hetzelfde geldt voor de droefheid over de zonden. Maar hoe kan men God liefhebben zonder geloof?

Daarom: „De Waarheit is, een zondaar die zich bekeert, gelooft, eerst dat Godt doen zal het gene Hij belooft heeft, namelijk zijne Zonden vergeven, en zijne Ongerechtigheit wegnemen; en dan berust hij in de hope daar van: en uit dien hoofde', en daarom, verlaat hij de zonde en zijnen ouden levenskoers, en hij doedt het gene dat Hem behaachelijk en aangenaam is".

De „veranderinge des : Levens en des wandels" volgt dus op het geloof en gaat er niet aan vooraf. Hierop geeft Neophutus te kennen, dat hij overreed is om Christus aan te nemen en gewillig tot Hem te komen, maar „helaas! ik heb geene kracht".

Evangelista echter geeft ten antwoord dat, wanneer hij werkelijk besloten heeft tot Christus uit te gaan, hij niet behoeft te twijfelen, „want of schoon gij die macht niet hebt om zoo ras tot Christus te loopen, en zulk eenen vasten greep van Hem te nemen, als gij wel begeeren zoudt; komende nogthans met zulk een voornemen om Christus, aan te nemen, als gij deedt, zoo hebt gij niet bezorgt te zijn om macht, nadien Christus u bekwaam zal maken om het te doen".

U Neophutus, bent u de bruid van Christus geworden; alle schatten van uw Bruidegom zijn nu ook van u, namelijk wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid; en alles wat van u was, namelijk uw ongeloof, wantrouwen, hoogmoed, eerzucht, kwade gedachten, verkeerde neigingen en zondige begeerten, daarvan mag u „een bundel" maken en aan Hem geven.

Een kloeke en tere zieleherder

Tot zover slechts een gedeelte uit dit rijke boekje. Ik hoop dat al onze lezers, ook onze vele jonge mensen, zich in deze Neophutus mogen herkennen en zo niet, dat zij zich dan aan hem zullen toetsen. Of liever niet aan hem, maar aan de woorden van Evangelista, deze kloeke en tevens tere zieleherder, die niet rustte voor hij een afgedwaald schaap had teruggebracht. In hem herkennen we iets van de gestalte van de-Goede Herder, Die ook ons toeroept: „Ik ben de deur der schapen; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1979

Daniel | 24 Pagina's

EDWARD FISHER EN ZIJN „MERGH DES EVIINGELIUMS"

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1979

Daniel | 24 Pagina's