EEN DANKLIED NA GROTE BENAUWDHEID
Ps. 116
Psalm 116 is in de geschiedenis van Gods Kerk velen van Gods kinderen tot sterkte geweest. Zo is uit d'e kerkgeschiedenis bekend, hoe in het jaar 303 tijdens de bloedige christenvervolgingen ook een kind van zeven jaar ter dood werd veroordeeld. De moeder van het kind geleidde het tot bij de scherprechter; nadat het zwaard van de beul het hoofd van het kind. had afgeslagen, ving de moeder het op in een doek, drukte het aan haar hart en riep uit: „Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten. Och, HEERE! Zekerlijk, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd!"
Wat een ontzaglijke kracht moet er toch uitgaan van het Woord des Heeren, om een moeder in zulke verschrikkelijke omstandigheden zulke geloofstaal te doen spreken. Ook anderen van Gods kinderen zijn met Psalm 116 de dood ingegaan, hetzij op het sterfbed, hetzij tijdens-de vervolgingen. Vragen wij naar d!e dichter van de psalm, dan is daar weinig over te zeggen. Psalm 116 is een zgn. , , weespsalm": lk opschrift ontbreekt. Er is wel veel te zeggen voor die mening, dat de psalm is ontstaan tijdens de gebeurtenissen., die wij lezen in Ezra 8 : 31-35, waar beschreven wordt, hoe Ezra met het volk, dat uit de ballingschap in Babel is teruggekeerd, te Jeruzalem een groot brandoffer in de tempel aan de Heere brengt. Zo zouden de woorden over de „banden des doods", de „benauwdheid en droefenis", „de offerande van dankzegging in de voorhoven van heit huis des HEEREN" — en andere uitspraken van de psalm — zeer goed te verklaren zijn in het licht van die gebeurtenissen.
Ik heb lief
Ik heb lief. Kernachtiger begin van een psalm is nauwelijks denkbaar. Wie heeft de dichter dan wel lief? Er wordt zoveel over „liefde" gezongen en gesproken, veelal met woorden die de liefde maar besmeuren en bezoedelen. Maar nu: ik heb lief. Moeten wij nu nog aan de dichter vragen, wie hij liefheeft? Hij heeft de HEERE lief. Waar die liefde Gods in onze harten mag zijn uitgestort, daar komt wederliefde tot God en liefde tot de naaste, wie hij ook zij. Zó allesomvattend en allesvervullend is die liefde Gods, dat deze dichter hier zeggen kan: ik heb lief. Maar hij mag er ook achter zeggen: want de HEERE hoort mijn stem., mijn smekingen. Er is zoveel onberedeneerd spreken over de liefde Gods, vaag en algemeen; deze dichter mag echter weten, in welke weg hij die liefde Gods heeft ondervonden: 't was in een weg van smekingen, van klagen. En dan geeft hij verslag van wat dioor een verklaarder wel eens een „eenvoudige bekeringsgeschiedenis" is genoemd: banden des doods ën angsten der hel ik riep de Naam des HEEREN aan de HEERE is genadig en rechtvaardig! wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden? Wie goed heeft leren luisteren, hoort er de bekende klanken in van ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar, juist als in Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus, begint de dichter niet met te spreken over de banden des doods, die hem hadden omvangen, maar geeft hij eerst rekenschap van de hoop, die in hem is: ik heb hef! Vraagt ge hem dan, hoe hij aan die liefde Gods gekomen is, dan gaat hij spreken, net als in ons Troostboek gebeurt, van de weg, waarin de Heere hem leidde, de weg van ellende, verlossing en dankbaarheid.
De banden des doods
De banden des doods hadden mij omvangen. O, het is de dichter zo bang geweest. Hij was als in stervensnood. Ja, als de Heere ons de rust opzegt, kan het zo bang worden. Wij moeten dan sterven en kunnen het niet. Elk ogenblik kan die heilige
Rechter van. hemel en aarde ons oproepen om voor Hem te verschijnen. Da.t kan in het hart banden des doods en angsten der hel geven. Hoewel niet al Gods kinderen die banden en angsten in dezelfde mate leren kennen, blijft toch geen van hen er een vreemdeling van. Maar belangrijk is het, op te merken, wat de dichter er achteraan zegt: ik vond benauwdheid en droefenis! Zoek het antwoord op d: e vraag, of je in oprechtheid de. Iieere moogt vrezen, nooit in de diepte van je benauwdheid, maar vraag je veel af, of je deze twéé dingen moogt kennen: benauwdheid, omdat je sterven moet en het niet kunt, en daarnaast droefenis, omdat, je tegen een goeddoend God hebt gezondigd.
Maar ik riep de Naam des HEEREN aan. In zijn benauwdheid en droefenis heeft de dichter van de Heere een gebed ontvangen. Hoe noemt hij nu zijn bidden? Hij noemt het een aanroepen van de Naam des HEEREN. In Gods Namen ligt iets van Zijn wezen verklaard. Wij zouden niet weten Wie God was, indien Hij Zichzelf geen Namen had gegeven. Nu mocht deze dichter in de Namen Gods een pleitgrond krijgen. Hij mocht in een allerheiligst geloof a.ls het ware de hand leggen op de Namen, waarmee de Heere Zich had bekendgemaakt, hij mocht de Heere met heilige eerbied op die Namen wijzen en bedelen: Heere, wat zult Gij met die grote Naam doen? Kregen ook wij in een tijd van benauwdheid en droefenis wel eens houvast aan de Naam des HEEREN?
Genadig en rechtvaardig is de HEERE
De HEERE is genadig en rechtvaardig, Opmerkelijk! Vóór deze man Gods gaat spreken over de verlossing, die de Heere hem schonk, lezen wij eerst dit: e HEERE is genadig en rechtvaardig. Wij lezen dat ook in Psalm 25 : 7 (de HEERE is goed en recht) en in Psalm 101 : 1 (ik zal van goedertierenheid en recht zingen). De HEERE is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. De HEERE is rechtvaardig, maar Hij is ook barmhartig. Comrie zegt ergens, dat de tijdgelovige of „nabijkomende" christen wél spreekt óf over Gods barmhartigheid zonder Zijn rechtvaardigheid, óf over Gods rechtvaardigheid zonder Gods barmhartigheid, maar dat de oprechten God kennen als genadig én rechtvaardig. In Christus betoonde de Heere Zijn onuitsprekelijke rijkdom van genade, maar niet buiten Zijn rechtvaardigheid om. Op Golgotha blinken beide Gods genade en Zijn rechtvaardigheid heerlijk uit!
Gij, HEERE! Flebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot! Is er iets rijkers, groters en heerlijkers te bedenken, dan dat onze ziel gered wordt van de dood? Is het een wonder, dat Hij, Die dat wil doen, alle liefde waardig wordt? Maar méér wil de Heere Zijn kinderen doen: Hij wil óók hun ogen redden van tranen; Hij wil hun in alle ellende en smart, die dit aardse leven medebrengt, een Trooster en Helper zijn. Zij krijgen niet alleen een God voor de eeuwigheid en voor de ziel, maar ook een God voor de tijd en voor het lichaam. Zo wil Hij zelfs hun voet van aanstoot redden en Zijn engelen gebieden, dat zij hen op de handen dragen, opdat zij hun voet aan geen steen stoten.
De HEERE dank zeggen
Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden? Dankbaarheid i.s een zeld; zarne edelsteen. Nu zijn er wel veel namaakstenen, waar in etalages mee gepronkt wordt. Er is veel schijn-dankbaarheid: waar mee gepronkt en geroemd wordt. Maar zij mist de echte gloed en de rechte schittering. De ware dankbaarheid is een vrucht van God de Heilige Geest en openbaart zich in een ootmoedig tot God weerkeren met de weldaden, die wij hebben ontvangen. Zij weet niet, wat zij de HEERE vergelden zal en brengt het niet verder dan Jakob: k ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt (Genesis 32 : 10). Zo ligt het ook bij onze dichter. Hij begeert niet meer, dan als een arm en verlegen mens in Gods voorhoven terecht te komen., om daar de beker der verlossingen op te nemen en de Naam des HEEREN aan te roepen.
Vragen:
1 — Onderzoek zelf de betekenis van vers 15.
2 — Wie heeft deze psalm ook gezongen? (Vgl. Mattheüs 26 : 30).
3 — Onderzoek nog eens, hoe de dichter over de „drie stukken" spreekt!
4 — Spreek er eens over, waarin de rechte dankbaarheid bestaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1979
Daniel | 24 Pagina's