DE ANDERE VREDE
Het loopt al tegen de middag als Geerten Oostdijck met zijn viool het dorpsplein op komt. Hij heeft niet veel moed meer. De hele morgen gelopen en niet meer gekregen dan een drietal slechte aardappelen. Stom is hij geweest om op kerstdag erop uit te gaan. Was hij maar thuis gebleven, dan was hij nu in ieder geval warm. Huiverend trekt hij zijn te krappe jas strakker om zich heen. Wat heeft hem gedreven? Hoop dat hij nu met kerst dan toch eindelijk eens iets goeds te eten zal krijgen voor moeder en de zusjes? Of toch die treurige machteloosheid, die hem zo plotseling beving, omdat ze daar zo triest bij elkaar zaten zonder vader en Jan?
In ieder geval was hij stil naar boven geslopen, had zijn viool gepakt en was de straat opgegaan. Een veelgedroomde droom was opeens weer in hem opgestaan. Mét zijn viool zou hij weggaan en terugkomen zónder. Maar dan was hij beladen met eten.
Kijk moeder, Gerrie, Petra! En hij zou uitstallen op tafel en hun verrukte gezichten zien. Aardappels, brood, tarwe, echte boter zelfs!
Hoe is het tegengevallen. Hij was de boer opgegaan en had gevraagd: „U mijn viool
ik eten". Maar welke boer zit in deze tijd verlegen om een viool? „Ik ken nie spele wat heb ik aan zo'n jammerhout ik heb liever sieraden " Zo was het gegaan. Moe gaat hij zitten op een bankje onder een paar oude eiken. Hij legt zijn vioolkist over zijn knieën en legt zijn handen er over heen. Hoe vertrouwd voelt dat aan. Hij heeft hem nog! Hij weet niet of hij er blij mee moet zijn of niet. Voor hem is zijn viool niet met goud te betalen. Zijn kameraad is het. Maar eten is tóch nog belangrijker. En bovendien had hij nog ooit gespeeld, nadat vader en Jan waren weggevoerd?
De oude bittere woede stijgt weer in hem op. Hoe haat hij hen Alles hebben ze kapot gemaakt Hij kan zelfs niet meer geloven dat er een God bestaat. Kerstmis is het nu. En wat merk je ervan? God? Vrede? Engelenzang? Hij kan er om lachen en huilen tegelijk.
Hij staat op en stampt even met zijn verkleumde voeten op de grond. Laat hij maar naar huis gaan. Maar terwijl hij begint te lopen hoort hij opeens een geluid. Het wordt sterker Het is een piano! Met een schok blijft hij staan.
Hoor Looft God, gij christ'nen, maakt Hem groot " Als vanzelf begint hij te lopen in die richting. Zijn vingers jeuken opeens om de vioolkist open te maken en in te vallen.
Hij bijt op zijn lippen. Niet kinderachtig zijn nu en het huis opzoeken waar gespeeld wordt. Misschien dat daar iemand is die zijn viool wil ruilen. Hij probeêrt aan eten te denken, aan lekkere dingen die hij in geen jaren gegeten heeft. Maar het is of een zware steen op zijn hart ligt. Vooruit nu Met grote passen gaat hij op zoek en hij trekt al aan de bel voor hij zich bedenken kan. Het is een groot oud herenhuis waar hij voor staat. Duidelijk hoort hij nu de piano. Ook geroezemoes van stemmen hoort hij. Er moeten nogal wat mensen daarbinnen zijn. Voetstappen klinken in de gang en de deur zwaait open. „Was ist los? "
Verbluft staart Geerten naar de vragend kijkende man in Duits uniform. Duitsers ach, hij had het kunnen weten. Wanhopig verzint hij. Wat moet hij zeggen? Hebt u eten voor m.e, dan krijgt u mijn viool? Dat nooit! Hij gunt die moffen zijn viool niet.
„Eh ik was op zoek naar eten " vindt hij
dan. „Ik wist niet dat hier soldaten waren. "
„Essen? Das haben wir nicht " Hij lacht bulderend en wijst dan naar de viool.
„Was ist das? "
„Een viool." Onwillekeurig doet Geerten een stap achteruit en houdt het instrument weg. Maar dat wekt opeens de achterdocht van de Duitser en hij beduidt bars dat hij de vioolkist open moet maken. Achter hem in de gang klinken nog meer stemmen. Eén soldaat, een hoge, komt ook naar de deur en informeert wat er aan de hand is. En dan gaat alles zo snel in zijn werk, dat Geerten zich later nauwelijks kan herinneren hoe het precies ging. Die hoge Duitser blijkt de pianist te zijn en Geerten moet mee naar binnen. Daar zit een hele groep Duitsers en ook nog enkele meisjes aan een uitgebreid kerstdiner. In een hoek staat een glinsterend-opgetuigde kerstboom. Sommigen zijn meer dan licht aangeschoten en beginnen te lallen „Musik noch mehr Musik! !" als ze Geerten met z'n viool binnen zien komen.
Hij moet zijn naam noemen en weer vertellen wat hij kwam doen. Weer steekt hij hetzelfde verhaal af. Ondertussen heeft Zimmermann, zoals ze hem noemen, de vioolkist opengemaakt. Hij streelt .met zijn slanke vingers het glanzende hout.
Geef hier! Geef hier! zou Geerten wel willen roepen, maar hij knijpt zijn mond, stijf dicht en kijkt onaangedaan naar de zwetsende mensen rond-de tafel. Een van de meisjes roept: „Nu kunnen jullie samen spelen, Zimmermann, dan hebben we een orkest!"
Een Nederlandse, begrijpt Geerten. Hij kijkt haar aan en zijn harde jongensogen zeggen zo onverbloemd „slet" dat ze snel van hem wegkijkt. Ze steekt een groot stuk vlees in haar mond en Geertens maag begint weer pijn te doen. De woede slaat door hem heen. Iedereen in het land krepeert en zij zit daar weldoorvoed. Hij kan z'n ogen niet afhouden van die heerlijke groente en dat malse vlees.
„Eerst spelen. dan krijg je eten", hoort hij als uit de verte zeggen.
„Nee, ik ga naar huis, " zegt hij met een dunne stem.
„Toe, speel voor ons "
„Nee, " zegt hij, flinker nu en kortaf. Hij doet het niet. Denk je dat hij hier een stel moordenaars gaat staan amuseren?
Maar ze duwen hem naar de piano en Zimmermann begint te spelen. Stille nacht, heilige nacht. Hoe profaan klinkt dat hier, als een vloek bijna.
„Ik kan niet spelen, " stamelt Geerten wanhopig.
De pianist kijkt, opzij en laat zijn handen stil vallen. Hij is een tengere blonde man met een vriendelijke oogopslag. Geerten voelt zijn interesse en hij begrijpt een musicus in hart en nieren. Even aarzelt hij, maar dan vermant hij zich. Hij doet het niet. Om die Duitsers niet en ook niet om die kerstliederen. Het is godslasterlijk om die hier te spelen. Hij vergeet dat hij een halfuur tevoren nog zelf schamper over kerstfeest had zitten denken. Ze worden boo, s, proberen hem te dwingen. Maar hij begint woest te schoppen. Ze dreigen hem met opsluiting, maar hij gilt: „Nooit nooit!"
Hij kijkt hem ferm aan, maar de geur van het overvloedige eten maakt hem opeens duizelig. De kamer tolt om hem heen en hij ziet de piano met Zimmermann er achter over zich heen zweven. Hij valt flauw, " hoort hij heel in de verte zeggen. Dan zakt hij weg in een diepe, zwarte duisternis.
Het eerste wat Geerten ziet als hij weer bijkomt zijn de vage omtrekken van een gezicht van iemand met wit haar.
„Gaat het weer? " zegt, een vreemde gebarsten stem vlak bij zijn oor. Heel langzaam begint het tot Geerten door te dringen wat er gebeurd is.
„Waar ben ik? " fluistert hij. „Opgesloten in een van de kamers van dit huis in een cel dus. Maar drink eerst even wat water. Zo', nu gaat het wat beter, hè."
Eindelijk begint die grijze mist voor Geertens ogen op te lossen en hij ziet een oude man m, et grijs haar en heldere ogen, die bezorgd naar hem kijkt. „Zit u ook opgesloten? "
„Ja, al twee dagen."
„Wat hebt u dan gedaan? "
Voor het eerst komt er iets van een lach op het verweerde gezicht. „Dat vraag je toch niet in oorlogstijd, jongen."
Geerten kijkt verlegen de andere kant op. Voorzichtig, komt hij overeind en kijkt de kale kamer rond. Een bed, een stoel, een : klein getralied venster Opeens begint het tot hem door te dringen, wat dit allemaal betekent. En als hij dan ook nog zijn viool mist, valt alle
kalmte van. hem al Een razende woede barst in hem los. Hij gaat naar de deur, beukt erop met allebei zijn vuisten. „Ik wil eruit ik heb niets gedaan. Eruit! Eruit!" Hij blijft aan d.e gang tot de oude man hem tenslotte van de deur wegtrekt en hem op de stoel duwt. Zelf gaat hij op het bed zitten. „Kalm nu, straks val je weer flauw. Het heeft geen zin, werkelijk niet", zegt hij kalmerend. „Blijf n.u eerst eens zitten en overdenk wat er gebeurd is. Overleg wat je zeggen zult, als ze je straks halen."
„Maar ik heb niets te bedenken. Ik heb niets gedaan!"
„Zoveel te beter. Wat is er dan eigenlijk gebeurd? En hoe heet je: eigenlijk? " Geerten noemt zijn naam en begint te vertellen. Hoe hij weg is gegaan op kerstmorgen. Hoe hij hier piano hoorde spelen, en hoe ze hem dwongen kerstliederen te spelen. De grijze man schrikt van de haat op het ontdane jongensgezicht. Dat iemand die zó jong is, zó kan haten.
„Wat hebben ze met je gedaan, dat je hen zo haat? "
„Mijn vader en mijn broer zijn weggevoerd naar een concentratiekamp. We weten niet waar ze terechtgekomen zijn, maar ze komen vast niet levend terug. Ons huis is kapot, verwoest. We hebben niets meer, we lijden honger, " Opeens is er in de gang het geluid van naderende voetstappen. Geerten veert op. Hij begint weer te kloppen en te roepen. Maar ze gaan voorbij. Het enige dat tot hem doordringt is pianospel. „Ze vieren kértsfeest!" zegt hij minachtend als hij zich omdraait. „Vredefeest!" Hij spuwt het woord uit en kijkt de oude man uitdagend aan.
„Je hoeft niet gezellig thuis te zitten om kerstfeest te vieren, " zegt deze zacht. Boven alles gaat het om de vrede van het hart. De vrede die alle verstand te boven gaat, zegt de apostel Paulus. Ik weet niet of je de Bijbel kent "
Geerten knikt, stug. „Maar soms denk ik, " aarzelt hij, „d ! at ik daaraan niet meer geloof. Ik kan het niet meer geloven. Wat zie je van vrede en liefde om je heen? "
„Misschien.kun je je ook afvragen: „Wat zie je van vrede en liefde bij jou? "
Geerten schrikt. Even wil hij kwaad worden, maar de oude man kijkt hem zo merkwaardig zacht aan, dat hij zwijgt.
„De oorlog is al in het Paradijs begonnen, Geerten. Daar heeft de mens aan God de oorlog verklaard. En daarmee ook aan zijn naaste Pas als deze breuk hersteld is kan er sprake zijn van vrede op aarde."
„Ik haat hen. Maar haat u hen dan niet? Ze zullen u ook wel het een en ander hebben aangedaan. U zit hier toch niet voor niets opgesloten!"
„O ja, misschien zelfs nog meer dan jou. En dat is niet goed van hen, dat niet. Maar haten, nee "
„Hoe kunt u " Gespannen wacht Geerten het; antwoord af. Er trekt een langzame glimlach over het gezich van de grijze man, die in Geertens ogen opeens iets patriarchaals heeft. „Misschien omdat ik weet dat ik niets beter ben dan die Duitsers. Nee, wat zeg ik? Sléchter nog. God-heeft .mij eens laten zien, wie ik in werkelijkheid was. Maar hij heeft ook Zijn Zoon gezonden op de aarde en ik mag geloven: óók voor mij. Daarom kun je overal kerstfeest vieren, ook hier in deze cel. Het is Geerten vreemd te moede. Aan de ena kant wil hij protesteren maar aan de andere kant is hij toch ook weer jaloers op hem, Zo te leven, uit zo'n krachtbron. En heel diep in zijn hart weet hij: Hij heeft gelijk.
„En daarom kan ik dankbaar wezen voor elke korst brood, die ik krijg. Daar zie ik nog Gods liefde in voor een schepsel als ik ben, Dat is niet altijd zo, hoor. Er zijn ook ogenblikken., dat ik d'aar ver van af sta. Maar in deze cel is het licht voor mij geweest. Net zo licht als op de velden van Efratha. En toen heb ik ook kunnen zingen: Ere zij God, vrede op aarde." Hij praat maar door, blij dat er iemand is, die luisteren wil naar wat God hem deed ondervinden.
Geerten begint rusteloos de kamer op en neer te lopen, geen raad wetend, met de vreemde ontroering, die hem bevangt.
„Maar wat moet ik nu straks doen? " vraagt hij dan om, toch wat te zeggen. „Moet ik spelen? Ze willen dat ik „Stille nacht, heilige nacht" voor hen speel. Ik wil het niet. Maar toch, als ik er nu eten mee kan verdienen "
„Denk er nog eens over na. Maar je moet. jezelf niet verkopen. En heb je honger? Kijk, ik heb hier nog wel wat brood voor je, "
(Wordt vervolgd) A. Korpershoek-de Joode.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1978
Daniel | 32 Pagina's