BEROEP EN ROEPING
De Bijbel is het Boek, dat spreekt over de daden Gods en over de schepping en verlossing van de mensenwereld. Wij vinden er ook in het werk en daden van mensen. In alle tijden hebben de mensen velerlei werk verricht. Zij hebben zich bezig gehouden met het bewerken van de grond, met ploegen, zaaien en oogsten. Met de verzorging van vee, het kweken van bomen, planten en vruchten. We vinden in de Bijbel mensen die wijnstok en vijgeboom onderhouden. Al vroeg deden zij ook allerlei handwerk. In Genesis 4 lezen we van de zonen van Lamech. Jabal maakte tenten. Tubal-Kaïn was de vader van de smeden en ijzerbewerkers. Jubal maakte en bespeelde harpen en orgels.
Bij de geschiedenis van Jozef wordt gesproken over handel en transport over land en over zee. Dienstverlening vinden we bij de priesters in de tabernakel en tempel. Er zijn mensen die huizen bouwen. Aan de kinderen en jongeren werd les gegeven in de profetenscholen.
Er wordt gesproken over samenwerking en hulpverlening bij het blussen van branden, burenhulp en begrafenissen.
Ieder had zijn werk. Het werken werd afgewisseld met vrije tijd, niet in een georganiseerde vorm zoals in onze tijd, maar op een natuurlijke wijze. Na de dag, die er is om te werken, komt de nacht wanneer het zonlicht dooft en de donkerheid zich hult om ons bestaan. De nacht is er om te rusten. Men kende geen 24 uren dag waarin het arbeidsproces ononderbroken, kontinu, door moest gaan. Men kende geen ploegenstelsel. Er was een natuurlijke afwisseling van waken en slapen, van arbeiden en rusten. Een ritmisch om en om gaan van het leven. Na het voltooien van de 1 arbeid was er het genieten van de vruchten van de arbeid. Daar was het goede leven. Het zitten onder de wijnstok en vijgeboom. In Prediker 9 vers 7-9 lezen we daarvan: „Ga dan henen, eet Uw brood met vreugde en drink Uw wijn van goede harte want God heeft airede een behagen aan Uw werken. Laat Uw klederen te allen tijde wit zijn en laat op Uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen Uws ij delen levens, welke God U gegeven heeft onder de zon, al Uw ij dele dagen; want dit is Uw deel in dit leven, en van Uwen arbeid, dien gij arbeidt onder de zon."
Arbeidsverhoudingen in de Bijbel
Er zijn boeiende verhalen waarin het werk wordt beschreven. Denk hierbij aan het boek Ruth. Wij ontmoeten daar arbeiders in de oogsttijd.
Boaz was een vermogend man. We zien hoe vaderlijk de arbeidsomstandigheden en de sociale verhoudingen waren. Er was geen afstand tussen de zeer vermogende boer en zijn arbeiders. Hij komt op de akker terwijl zijn personeel bezig is en begroet de maaiers met zijn vriendelijk: „De Heere zij met ulieden". Hun antwoord is: „De Heere zegene u". Wat een fijne beschaving! Wat een gemeenschap! Er is gemeenschap in de arbeid en de arbeidsomstandigheden tussen boer en werkvolk. Hun waarde wordt niet bepaald door tegenwaarde van hun prestatie in geld uitgedrukt. En hun waardering voor hem hangt niet af van de hoogte van het. loon dat ze ontvangen. Boer en arbeiders hebben een gemeenschappelijke basis. Zij behoren allen tot die ene gemeenschap van het volk dat, de Heere toebehoort. Die gemeenschappelijke vreze d.es Heeren bindt hen samen onder de vleugels van de Heere.
In het Nieuwe Testament spreekt de Heere Jezus in de gelijkenissen veel over werk. In Markus 12 lezen wij van de boze wijngaardeniers. Daar komen landlieden, pachters en slaven in voor.
In Mattheüs 18 vers 23-35 in de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht ontmoeten wij een vorst en een satraap of gouverneur, die belasting moest innen voor de vorst, en het geld, tienduizend talenten, ongeveer één miljard gulden, niet heeft afgedragen. Er komt ook een slaaf in voor die 100 penningen schuld had. In Mattheüs 24 vers 45-51 is een slaaf over de slaven gezet van zijn heer. Daar wordt van gezegd: „Zalig is die dienstknecht (lees meesterslaaf) welke zijn heer komende-, zal vinden alzo doende". M.a.w. Zalig is diegene, die getrouw en oprecht is en doet wat zijn werkgever hem heeft opgedragen. Hier volgt Mattheüs 25 vers 14-30 op. Hier wordt in een gelijkenis ons geleerd dat we moeten woekeren met de talenten die ons gegeven zijn. In Lukas 16 vers 1-8 wordt verteld van een rentmeester van een zeer rijk man die de goederen niet goed beheerde. Als zijn baas er iets van zegt, zorgt hij er voor dat zijn ondergeschikten goed van hem, spreken. Wat doet hij? Hij scheldt al hun schulden kwijt. Nu zal de baas horen dat hij toch zo'n goede rentmeester heeft. De baas heeft het verkeerd. Lukas wijst hier de christenen op het feit, dat de kinderen van deze wereld voorzichtiger zijn dan de kinderen van het licht. Lukas spreekt in hoofdstuk 17 van vers 7-10 over een heer, die maar één slaaf kan hebben. Die slaaf is een manusje van alles. Is nooit klaar. Toch zegt. de Heere dan: „Wij zijn maar onnuttige dienstknechten en hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen". Begrijp je? Het is heel erg moeilijk, maar toch zegt de Heere hier, dat we degene die over ons gesteld is moeten gehoorzamen. Wij zouden in dit geval liever rebelleren. Lukas zegt ook hoe een baas zich te gedragen heeft. Dat er bij God geen rangen en standen zijn. In hoofdstuk 16 vinden we het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus.
Moeten we dan maar werken en vergaren? Hiertegen waarschuwt God in Lukas 12 in de gelijkenis van een boer die een steeds groter bedrijf wilde hebben en ei geen rekening mee hield dat hij elk ogenblik kon worden opgeroepen. In ons werk moeten we zo werken, dat we God elk ogenblik verwachten.
De Prediker zegt, dat alle werken ijdel zijn. Onder ijdelheid moeten we verstaan: Habeel, is wind, nietigheid. Het is dus najagen van wind, nietigheid 1 . Jacobus schrijft in het vijfde hoofdstuk van vers 1-6 over de onbarmhartige rijken. Zij moeten hun bezit in liefde delen met degenen die niet hebben. Er is dus veel geschreven in de Bijbel over arbeid en beroep.
Opdracht tot arbeid
De schepping van de mens naar het beeld Gods hield in de zalving van de mens tot heer en koning over de hele aarde, met alles wat daarop en daarin was. Deze volstrekte en alles omvattende heerschappij, die niet aan de schepping naar Gods beeld werd toegevoegd, maar die eruit voortvloeide, hield in, dat aan de mens na zijn schepping een gebod werd gegeven. Het gebod, (dat, de mens de hem verleende heerschappij ook zou uitoefenen. Hij moet de aarde vervullen en haar aan zich onderwerpen en heerschappij uitoefenen over al wat op de aarde is; Genesis 1 vers 28. Dit lis een bevel, een roeping tot werken. Dit gebod wijst hem een werkkring aan. Het roept hem op tot inspanning van de hem gegeven krachten. De heerschappij over de aarde was iets dat de mens
toekwam. Maar ook iets, dat hem niet vanzelf in de schoot zou vallen. Hij zou er hard voor moeten werken. Geen herendienst wordt de mens voorgeschreven in het paradijs. Wat hem wel wordt opgelegd is zijn arbeidsdienst. Zijn arbeid is dienst aan God, is godsdienst.
Het werk is geen vloek, maar een zegen. De vloek is wel over het aardrijk uitgesproken. In Genesis 3 wordt de vloek verwoord. Het aardrijk is om Uwen 't wil vervloekt en met smart zal U daarvan eten alle dagen van Uw leven. Ook zal het aardrijk doornen en distelen voortbrengen. Het kruid van het veld zal in het zweet des aanschijns gegeten worden. Er zal dus hard gewerkt moeten worden. Na de zondeval gaat het niet meer vanzelf. Niet het werk is de vloek. Neen, het werk is na de zondeval een erfenis, die uit het paradijs is overgebleven. De moeite van het werk, het zweet, de doornen en distelen behoren tot de gevolgen van de val. Niet het werk, dat is een Goddelijke opdracht!
Een christen kan zijn werk niet anders zien als een bevel van God en een rijke zegen. Vanwege de moeite van de arbeid, is voor sommigen de verzoeking groot zich aan de arbeid op de één of andere manier te onttrekken. Dit kan gebeuren door manipulaties, dagdieverij of zogenaamde gedwongen werkloosheid.
Met wat voor een doel werken wij?
Paulus zegt in Efeze 4 vers 28 ervan: „Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen, degene die nood heeft". Een christelijke handreiking voor de mede christenen.
Jacobus schrijft in de algemene brief in vers 13, handel drijven is goed, maar zo dat Uw leven een damp is. Niet roemen op hetgeen je nog doen zult, maar er bij zeggen: „Zo de Heere wil en wij leven".
In vers 17 schrijft hij dat de mens zijn werk goed moet doen. Degene die dat niet doet zondigt. Als het ons goed gaat, doe een ander dan ook goed. M.a.w. Geven van hetgeen we hebben, naar draagkracht.
Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timotheüs dat we zo moeten werken en leven dat de Naam van God en de Eer van God niet door onze levenswandel gelasterd worden. In het tweede vers zegt hij dat die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten. En waarom niet? Omdat zij broeders zijn? „Neen" zegt Paulus, „die zullen zij te meer dienen om geloof en liefde". In vers 3 zegt-hij dat een ieder die anders leert een dwaalleer brengt. Een rijke beziet zijn goed als geleend goed, en staat niet naar gierigheid. Paulus roept het in vers 12 zo uit, ook wat het werk betreft:
„Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zij.t, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen".
Dit is met recht een nieuwe levenswandel, een hoopvolle levenswandel in een boze wereld vol van ongerechtigheid. Het doel van het werk staat ook zo mooi beschreven in de psalmen,
In psalm 128 vers 2 staat: „Want gij zult eten van de arbeid Uwer handen, welgelukzalig zult gij zijn en het zal U welgaan". De dichter van psalm 104 schrijft in het 23e vers: „De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe". De Bijbel staat er vol van hoe U en ik onze opdracht hebben te verstaan. Een lichtend licht en een zoutend zout te zijn in onze wereld. Zo zullen wij ons werk, ons beroep moeten uitvoeren, met de roeping God in ons werk te eren. Wat voor een werk we doen, doet niets terzake. In 1 Kronieken 9 vers 31 wordt gesproken over Mattithja, een leviet die in het ambt was, over het werk dat in pannen gekookt wordt. Wij zouden zeggen Mattithja was kok.
God heeft een bedoeling, met ons leven. Wij zijn radertjes in Zijn raadsbesluit. De Heere heeft het laatste woord.
Kom dan en vraag aan Hem wijsheid, ook in het kiezen van ons beroep, om daarin de roeping, en hetgeen wat Hij van ons eist te volbrengen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1978
Daniel | 24 Pagina's