HUISHOUDELIJKE VERGADERING 1978
Met de groei van onze Bond (1000 leden gedurende vijf jaar) neemt ook het aantal bezoekers aan de vergaderingen steeds toe.
28 sept. j.1. hadden we ook niet over belangstelling te klagen.
Ondanks dat er terwille van de overzichtelijkheid wat organisatorische maatregelen moeten worden genomen (ik denk nu aan de gereserveerde plaatsen voor de afgevaardigden, waar ook vele niet-afgevaardigden hadden plaats genomen).
Ondanks het feit dat het voor velen niet mogelijk was al de meegebrachte handwerken te bekijken omdat de tafels schuil gingen achter degenen aan wie dit wel gelukt was, en dat er steeds meer tijd moet worden besteed aan zaken als bestuursverkiezing, koliekteren en dergelijke. Ja, ondanks dat alles was het toch weer een heel gezellige dag, waarop we met blijdschap aan terug kunnen denken.
Onze bondsvergaderingen lijken iedere keer weer op grote familiereünies. Een
voorrecht wat ons nog geschonken wordt in een tijd waarin de liefde vaak ver te zoeken is.
Zowel voor de vergadering als tijdens de pauze zagen we hoe gezellig er gepraat werd en hoe er ijverig gemeten en geteld werd in de zaal waar de handwerken waren uitgestald. (Hebt u de pop gezien uit Oosterland en weet u dat er daar al meer dan 2065 van verkocht zijn? ) Ook de tafels van het Lektuurfonds en van de Jeugdbond hadden over belangstelling niet te klagen. Kortom, het was een gezellige drukte.
Als hoofdbestuur is het ons opgevallen dat er over het algemeen minder schroom is om vragen te stellen. Vragen die soms even wat pijnlijk aandeden, doordat ze wat kritisch leken, maar waar we (daardoor wellicht) van kunnen leren.
Als bestuursleden moeten wij ons ook steeds bewust zijn dat we een dienende taak hebben en geen regerende; dat we door de leden zijn gekozen en dat er van ons verwacht wordt de belangen van de leden te behartigen.
Het is een taak die we echter graag en tevens zo goed mogelijk willen verrichten. Ook de bestuursleden die gemeend hebben zich niet herkiesbaar te moeten stellen hebben op deze wijze hun werk gedaan. Het heeft hen vaak veel vrije tijd gekost. Vooral Mevr. Hardon heeft als sekretaresse heel wat uren besteed aan het bondswerk.
Zorgvuldig wordt er dan ook steeds weer nagegaan welke kandidaten moeten en kunnen worden gesteld voor het hoofdbestuur. Het is belangrijk als er een goede samenwerking mag zijn, maar van veel meer betekenis als de Heere Zijn zegen aan dit werk wil geven; als Hij ons als leden van het bestuur de kracht, lust en wijsheid wil schenken om het te mogen verrichten.
De gekozen kandidaten Mevr. L. P. Moree-Kranenburg uit Nieuw-Beijerland en Mevr. L. v. d. Spek-v. d. Spek uit IJsselmuiden heten we van harte welkom.
Bezinning
De vele belangstellenden zijn, naar we aannemen, niet alleen voor het huishoudelijk gedeelte van de vergadering naar Utrecht gekomen.
Ook naar de meditatie van Ds. H. Rijksen en het referaat van Dhr. J. Vreugdenhil uit Kampen werd aandachtig geluisterd.
Meditatie
Ds. Rijksen, die tijdens de opening van de vergadsring Psalm 43 had gelezen, bepaalde ons voornamelijk bij het derde vers: „Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden".
De dichter bevond zich in de duisternis. Dit kunnen we lezen in de voorafgaande psalm, waarmee de 43e één geheel vormt. En vanuit die duisternis smeekt hij om het licht des Heeren. Het licht wat in de Heilige Schrift het beeld is van de Goddelijke genade en verlossing; de duisternis het beeld van het oordeel en de vloek. Van nature verkeren wij allen in de duisternis nadat we in het paradijs van God zijn afgevallen, in de eeuwige nacht en op weg naar de eeuwige duisternis. Maar pas wanneer het licht opgaat, gaan we de duisternis zien, dan gaan we zien dat we God missen.
Maar dat licht toont ons ook de Middelaar, de Weg tot het behoud. Omdat Christus op Golgotha in de duisternis heeft verkeerd is er licht te verkrijgen. Wanneer we buiten God wandelen, dan raken we elkaar kwijt. Denk maar aan de vele gebroken huwelijken; en krammen helpt niet. Alleen wanneer we in het licht wandelen hebben en houden we gemeenschap met elkaar; het licht van Zijn woord maar bovenal het licht van Zijn genade.
De dichter vraagt ook om waarheid, dat is Gods trouw. Hij wil daardoor geleid worden: „dat die mij leiden".
Dat hebben ook wij nodig! In het verenigingsleven, in het gezinsleven, in het kerkelijk leven maar ook in het persoonlijk leven.
Dat licht en die waarheid moeten voorop staan, alleen dan is het goed.
Dat gebed om licht en waarheid wil de Heere verhoren, ook vandaag nog.
Geleid door dat licht en die waarheid zullen we niet verdwalen. Dan zullen we gemeenschap met elkaar hebben en houden. De ware gemeenschap in Zijn licht.
Tot zover Dr. Rijksen over Psalm 43 : 3.
Referaat van dhr. J. VreugdenMl
Tijdens de middagvergadering sprak dhr. Vreugdenhil tot ons. Zijn referaat was getiteld: „Wie zeggen de mensen, dat Ik de Zoon des mensen ben? "
Op deze vraag, aldus de referent, zijn al vele antwoorden gegeven, tweeërlei antwoorden, zowel van erkenning als van miskenning.
Zij die de Zoon des mensen zien als de kostelijke hoeksteen erkennen Hem als Gods Zoon, maar voor velen is Hij een steen des aanstoots en een rots der ergernis. Voor de zondvloed werden deze antwoorden gehoord van Adam en Kaïn, en van de Sethieten en nakomelingen van Kaïn.
Ook in het overig deel van het Oude Testament lezen we enerzijds van een David, een Jesaja en de andere profeten, die elk op eigen wijze Zijn grootheid verkondigen en anderzijds woorden van verzet, minachting en haat. Tijdens Jezus' omwandeling, reeds kort na Zijn geboorte in Bethlehem horen we een Simeon, een Maria en een Zacharias van Zijn lof getuigen, evenals de Wijzen uit het Oosten. Later een Johannes de Doper: Zie, het Lam Gods! en Nathanaël: Gij zijt de Zoon Gods! Een Romeins hoofdman achtte zich niet waardig dat Christus onder zijn dak zou inkomen.
En verreweg de meesten van Zijn tijdgenoten zagen Hem als een doodgewoon mens, maar tevens was er de vijandschap en de haat van de oversten, wanneer zij van Hem zeggen: Deze mens is een zondaar!
Tegenover het „Kruist Hem!" klonk het woord van de moordenaar: „Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan!" en „Heere, gedenk mijner!"
Ook in de eeuwen daarna was er erkening en miskenning, waren er martelaren en vijanden, waren er juichend, zowel als degenen die tandenknersend zijn heengegaan. En in onze tijd? Een tijd van wereldoorlogen, van wetenschappen, maanreizen en computers. Een tijd waarin er signalen zijn van een naderend einde. Een tijd waarin de chaos zich aandient, waarin de aanvallen geraffineerder worden. Miljoenen staan onverschillig tegenover de Zoon des mensen en miskennen Hem daarmee.
Ook binnen de kerken is er weinig erkenning. Er zijn veel misleiders en verleiders. De moderne theologie is een leer waarin de tomeloze hoogmoed van ons mensen openbaar komt. Verlost te worden is tegen de menselijke waardigheid. Neen we willen onszelf verlossen en niets uit genade ontvangen.
God bestaat slechts bij de gratie van de mens en Hij staat machteloos tegenover het lijden. Hiermee maken zij God afhankelijk van de mens d.ie ruimte vraagt.
Binnen de kerken zijn het de verleiders die de toon aangeven. (Het oordeel begint bij het huis Gods). Denk aan Wiersinga, Kuitert en prof. Smits.
En hoe zal het zijn bij Zijn wederkomst?
Velen zullen dan uitroepen: „Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons!" Maar er is geen verberging voor de toorn van het Lam.
Ook tot ons persoonlijk komt de vraag: „Wien zegt gij, dat Ik de Zoon des mensen ben? "
Antwoorden moeten we, of nu, of straks! En wat zal ons antwoord zijn? De gezaligden voor de troon zullen eeuwig zingen: „De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit en het Lam".
Met de indringende raad er werk van te maken eer het te laat is, besloot dhr. Vreugdenhil zijn referaat: „We hebben niets te verliezen, maar wel alles te winnen!"
Gedicht, vragenbeantwoording en sluiting
Aansluitend op het referaat werd door Mevr. D. P. Thijsen-Kirpestein uit Buren een gedicht van Revius voorgedragen getiteld: „Gelijkenissen van Christus op de wijze van een gebed". Na de vragenbeantwoording door de heer Vreugdenhil en voor dat we (om precies vier uur) uiteengingen zongen we: „Leer mij o Heer' de weg door ons bepaald", uit Psalm 119.
Laten wij met David bidden om onderwezen te worden in de weg van Gods inzetingen en om verstand om onze gaven en vermogens te besteden voor de grote dingen die tot onze vrede dienen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1978
Daniel | 24 Pagina's