Zuinig met eten
Zacht ruist de wind door de gouden zee. Het voert mijn gedachten met zich mee. Door het open raam sta ik te staren, Naar de buigende goudgele aren. Opnieuw mag het wonder gebeuren. Zaad viel weer in de geploegde veuren. Daar in de grond kiemde het alras. God schonk weer een rijk gewas. Nog mogen we oogsten in de donk're tijd. Maar waar blijft onze dankbaarheid. Wordt niet door velen het voedsel veracht.
Men werpt het op straat en in gracht. Daar ligt nu die rijke zegen, Die wij om niet hebben verkregen. Groot zijn de voedsel-en afvalbergen. Hoelang zullen wij hier God nog mee tergen?
Zijn wij dan zo gauw vergeten, Dat onze ouderen schreeuwden om eten? Dat men in Neerlands groene hart Honger en kou leed, droefheid en smart? Dat er in de grote steden Door jong en oud veel is geleden? Maar nog schreeuwt onze naaste om eten Doch ook dat zijn velen vergeten. Daar in die verre vreemde landen Ziet men oogst na oogst verbranden. Door de hitte van de zon Verdroogt claar elke levensbron. Daar leven mensen in armoe en nood. Wij in rijkdom, versmaden ons brood. Zo leven wij voort in jachten en jagen, Vergetend de last van onze naasten te dragen.
Zacht ruist de wind door de gouden zee, Het voert mijn zucht met zich mee.
Hoger nog clan de hoogste wolk. Hoelang, Heere zorgt Gij nog
voor zo'n volk?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1978
Daniel | 24 Pagina's