LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING
Boeren en tuinders vervullen in onze samenleving een belangrijke rol als voedselproducent. Het zijn de producenten van onze eerste levensbehoeften. Iedereen die wel eens met tekorten in dit opzicht te maken heeft gehad (bijv. de honger tijdens de 2e wereldoorlog) zal het grote belang van een goed funktionerende agrarische produktie willen onderschrijven. Deze konsta'tering mag best wei eens naar voren worden gehaald in een tijd waarin de waardering voor de agrarische sektor dikwijls negatief uitvalt. Onlangs is zelfs nog een boek verschenen met als titel „Omstreden landbouw", waarin ingegaan wordt op de kritiek van niet-agrarische zijde op het ontwikkelingsproces in de landbouw.
Ontwikkelingen
Met veel inspanning zijn de boeren en tuinders er in geslaagd de bevolking te helpen aan een vrij goedkoop voedselpakket.
Om dit te kunnen verwezenlijken hebben zich in de agrarische sektor drastische wijzigingen voltrokken in d.e afgelopen 25 jaar.
Door vervanging van arbeidskrachten door machines verlieten tienduizenden de landbouw. Tal van arbeidsbesparende technieken deden hun intrede. Om de produktiviteit te verhogen, werden eveneens produktievere dieren en planten, maar ook kunstmest, krachtvoer en gewasbeschermingsmiddelen benut. De totale produktie van de nederlandse landbouw is dan ook in de afgelopen 25 jaar meer dan verdubbeld. Ook de export van landbouwprodukten nam voortdurend toe.
Duidelijk is echter dat door het niet meegroeien van de opbrengstprijzen met de kostenstijgingen het inkomen van de agrariërs steeds onder druk kwam te staan. De reaktie is dan: verdere verhoging van de produktie. Voor het individuele bedrijf is dit veelal de aangewezen weg ter verbetering van het inkomen, maar als iedere boer en tuinder dit gaat doen, kan dit leiden tot verzadiging van de markt en tot overschotsituaties. Het best sprekende voorbeeld hiervan is de zuivelsektor, waarbij dan de bekende melkplas en boterberg ontstaat.
Vooral het probleem van overschotten is het ene deel van de wereld en voedseltekorten in het andere deel, houdt terecht velen, die met het landbouwbeleid te maken hebben, bezig.
De vraag doet zich dan wel voor hoe het staat met de overschotten in de westerse landen en de tekorten in andere delen van de wereld.
Zelfvoorzieningsgraad
In dat verband is het van belang ie letten op de zelfvoorzieningsgraad (z.v.g.) van een aantal landbouwprodukten. De z.v.g. geei't aan de mate waarin de agrarische sektor de eigen bevolking van een bepaald produkt kan voorzien. Is de z.v.g. 100 dan is er evenwicht tussen produktie en konsumptie, beneden 100 is er tekort (er is clan import nodig), boven de 100 is e: overschot (er is export nodig).
Voor een aantal belangrijke produkten kunnen de volgende recentc cijfers gegeven worden:
zelfvoorzieningsgraad voor Nederland voor de 9 E.G.G.-landen vlees 186 97 boter 577 107 melkpoeder 294 253 tarwe 48 101 suiker 142 105 groenten 201 95 fruit 62 79
Uit deze cijfers blijkt duidelijk dat Nederland voor vele agrarische produkten sterk is aangewezen op export en sluiting van de eigen grenzen fataal zou zijn voor de ncderlandse land-en tuinbouw.
In E.E.G.-verband is er voor vele produkten enig evenwicht, behalve voor de melk. Het blijkt ook dat bij veie produkten wordt gewerkt op een vrijwel verzadigde markt (o.a. groenten, suiker, hardfruit).
Vraag en aanbod
De genoemde cijfers kunnen echter per jaar sterk wisselen i.v.m. zich wijzigende vraag- en aanbod situaties.
Overduidelijk is bijvoorbeeld de grote invloed van de klimatologische omstandigheden. Nachtvorsten, droogte, veel regenval kunnen het beeld per jaar drastisch wijzigen. Ook een zich wijzigend korisumptiepatroon heeft grote invioed op de vraagkant. Bij meerdere produkten gaat het dikwijls om slechts enkele procenten teveel of tekort om sterke prijsdalingen of prijsstijgingen te krijgen. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld duidelijk voor bij het hard fruit in E.E.G. verband.
Hierdoor kan ook in bepaalde perioden doordraai van groenten en fruit optreden. Als de prijzen op de veiiigen te laag worden, worden de produkten uit de markt genomen en grotendeels vernietigd. Een situatie waar niemand gelukkig mee is (het is gegroeid voedsel en er is veel arbeid en geld ingestopt), maar waar nog geen afdoende oplossingen voor gevonden zijn. Temeer omdat men hier dikwijls te maken heeft met bederfelijke produkten die niet over grote afstanden vervoerd kunnen worden (men kan geen sla naar Afrika brengen). Opgemerkt moet worden dat er wel pogingen worden ondernomen tot gratis distributie over zieken-en bejaardentehuizen in geval van doordraai.
Wereldvoedselsituatie
In tegenstelling met de voedselproduktie in de E.E.G. is de wereldvoedseïsituatie nog bepaald niet rooskleurig, hoewel er de laatste jaren een aanmerkelijke verbetering is opgetreden.
De gemiddelde jaarlijkse toename van de totale voedselproduktie in de ontwikkelingslanden bedroeg in de periode 1970-1977 ongeveer 2, 8%. Deze bleef per hoofd van de bevolking daardoor nagenoeg gelijk. Dit is temeer zorgwekkend gezien de reeds onbevredigende uitgangssituatie. Op grond van recente gegevens wordt het zeer waarschijnlijk geacht dat het aantal onvoldoende of verkeerd gevoede mensen in de ontwikkelingslanden sinds het begin van de jaren zeventig is gegroeid.
Verder moet ook hier gekonstateerd worden dat de klimatologische invloeden het beeld per jaar en per land sterk kunnen beïnvloeden (droogte in Afrika, overstromingen in India).
De minister van landbouw konstateert dan ook in de memorie van toelichting op
de begroting 1979 dat de wereldmarkten voor landbouwprodukten (o.a. granen, suiker, oliezaden} gekenmerkt blijven door onzekere ontwikkelingen en dat we voortdurend op tekorten bedacht moeten blijven.
Als de groei van de landbouwproduktie enigszins voor kan blijven op de bevolkingsgroei ontstaat er een hoopvol uitzicht: een geleidelijke verbetering van de voedselsituatie en ri'-imte voor het vormen van reserves.
Verbetering voedselsituatie
Op vele terreinen wordt gewerkt ter verbetering van de voedselsituatie in de wereld.
— er is een Wereld Voedsel Programma, waarbij direkte hulp wordt verleend. Zo wordt een gedeelte van de overschotten in de zuivelsektor vanuit de E.E.G. via dit kanaal naar de ontwikkelingslanden gebracht. Ditzelfde geldt voor granen. Deze hulp is hierbij duidelijk gericht op de armste landen en bevolkingsgroepen. Deze voedselzendingen kunnen ook negatieve gevolgen hebben: op de lokale markten oefenen deze zendingen een prijsdrukkende werking uit; voedsel wordt goedkoop, hetgeen de plaatselijke landbouw ontmoedigd en er een ekskuus ontstaat om de landbouw-ontwikkeling stil te leggen.
— Bovenaan moet staan verbetering van de voedselsituatie ter plaatse. Er kan op cieze wereld genoeg voedsel worden geproduceerd voor alle mensen. Er moet echter gebruik worden gemaakt van moderne, opbrengstverhogende produktiemiddelen en technieken. Inzet van agrarische kennis is hierbij van groot belang. Van groot nut is bijvoorbeeld een in Nederland ontwikkeld systeem van praktijk onderwijs gebleken. Hierbij wordt uitgegaan van de plaatselijke situatie en daardoor kan er doelgericht gewerkt worden.
— Tevens zullen de rijke landen hun landbouwbeleid en handelspolitiek zodanig moeten aanpassen dat de onevenwichtigheden tussen produktie en behoefte voor hun rekening komen en niet de arme landen treffen.
Geef ons heden ons dagelijks brood
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat er t.a.v. de voedselvoorziening nog veel ontwrichting is. Wat is het voedsel, dat voor alle mensen bestemd is, toch ongelijk verdeeld! En dan komen we terecht bij de oorzaak hiervan. Wij hebben Gods schone schepping verwoest. Maar God heeft ook Zijn trouw betoond: ons voedsel is gebleven. , , De aarde geeft haar gewas; God onze God zal ons zegenen".
Als we dan in het bijzonder denken aan de grote invloed van klimatologische omstandigheden op de voedselproduktie en voedselvoorziening, dan moet ons dit wel doen beseffen de grote afhankelijkheid van God, de Schepper van hemel en aarde. Wij kunnen én moeten nat maken, maar het is God die de wasdom geeft.
Daarom blijft zo noodzakelijk het gebed: „Geef ons heden ons daaglijks brood", vooral als we ook letten op het woordje „ons". Dus ook het voedsel voor onze verre naaste. Tenslotte moet benadrukt worden dat het voedselpakket niet los van de grote Gever gemaakt mag worden. En in ons persoonlijk leven, maar ook bij hulpverlening op dit terrein moet gedurig beseft worden: „de mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord dat uit de mond Gods uitgaat". Voedselhulp zonder te spreken van het Brood des Levens is onbijbels. Zij zullen bij een christelijke hulpverlening samen moeten gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1978
Daniel | 24 Pagina's