JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gij zult Mijn getuigen zijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gij zult Mijn getuigen zijn

ONS VERVOLG- VERHAAL (3)

8 minuten leestijd

Erg boos en verontwaardigd staan ze op, draaien zich om en vertrekken zonder een woord te zeggen. Vader en Paul blijven alleen achter. Ze zuchten verdrietig.

„Zullen we voor hen bidden, Paul? " vraagt Vader en samen vouwen zij hun handen.

Het wordt weer winter. Hans Egedde heeft nog steeds geen goed kontakt gekregen met de bevolking. Het gezin voelt zich eenzaam. Het is bitter koud. De meeste blanken zijn vertrokken met het Deense schip naar hun vaderland, zodat de groep steeds kleiner wordt.

De mensen d.ie overgebleven zijn, hadden ook graag meegewild, maar er was geen plaats meer. Daarom zijn ze nu elke keer boos en maken ze om alles ruzie. Ook voor moeder Gertrud breekt er een moeilijke tijd aan. Haar man is vaak neerslachtig en dat moet zij weer opvangen. En zijzelf? In de zorner ging ze vaak wandelen met haar kinderen. Ze plukten bloemen en maakten daarvan de mooiste boeketjes. Maar nu, in de winter komt ze bijna niet meer buiten. Paul en Niels, die vervelen zich niet gauw. Ze trekken er steeds op uit om eten te zoeken. Ze hebben op verschillende plaatsen strikken uitgezet en daar gaan ze elke keer naar toe. Als er een sneeuwhaas of sneeuwhoender in zit, hebben ze thuis weer wat lekkers te smullen.

Op een dag trekken ze er ook samen op uit. Ze zijn goed ingepakt, zodat ze praktisch geen last hebben van de kou. Ze moeten langs een groep hutten. Langzamerhand zijn de weggelopen Eskimo's weer teruggekomen en hebben ze weer hun iglo's gebouwd. De jongens lopen de hutten voorbij, maar dan vliegt er een klein steentje door de lucht, precies tegen Niels' rug. Vlugdraaien ze zich om en ze zien een groepje lachende Eskimo-jongens. Ze steken hun handen op tegen Paul en Niels en ze roepen: „Berg Hiroma, berg Hiroma!" Terwijl ze dit zeggen maken ze een lange neus. Paul en Niels begrijpen dadelijk wat ze bedoelen en ze lachen terug. De berg Hiroma is de hoogste berg in de omgeving en de Eskimo's vinden dat de blanke mensen zulke grote neuzen hebben, net zo groot als een berg.

De Eskimo-jongens komen dichterbij en een van de grootste zegt iets tegen Paul. Paul begrijpt het niet goed, maar de jongen steekt zijn hand uit en grijpt Paul's pink. Paul wil zich losrukken en begint hard te trekken, maar die andere jongen is sterker en even later spartelt Paul op de grond. Iedereen lacht. Paul is woedend. Hij springt overeind en dadelijk wil hij al beginnen met een robbertje vechten. Maar dan merkt hij dat andere jongens hetzelfde spelletje doen.

„Joh, " roept Niels, „ze zijn niet boos, maar het is een spelletje, " en Niels steekt zijn pink uit naar een van de andere jongens. Even later ligt ook hij te spartelen. Een hele poos zijn ze zo bezig. Ze vergeten helemaal de tijd. De Eskimo-jongens vragen hoe zij heten. Paul en Niels vertellen het, maar die namen zijn voor de Eskimo's te moeilijk om uit te spreken en ze maken er „Nese" en „Paoeli" van.

Zo hebben Paul en Niels er zomaar ineens een paar vriendjes bij gekregen. Maar dat is waar ook! Ze gingen naar de strikken kijken. Ze vertellen het aan de Eskimo's. O, die gaan wel even mee. Maar in de strikken zit niet veel. De andere jongens schudden hun hoofd.

Strikken maken kunnen die blanken ook al niet. Wat zijn zij toch dom! Ze leren Paul en Niels wat de beste strikken zijn en als dikke vrienden loopt het hele stel de weg naar huis terug.

Thuisgekomen hebben de jongens heel wat te vertellen. Vader is erg blij als hij dit hoort. Misschien krijgen ze nu door de jongens weer kontakt met elkaar.

Voor de jongens breekt er nu een heerlijke tijd aan. Ze spelen elke dag met de Eskimo-

jongens en ze leren veel van elkaar. Allerlei leuke spelletjes en wat ook heel belangrijk is: de taal.

's Zomers gaan Paul en Niels wel eens mee in een kajak. Ze willen zelfs hun gewone kleren niet meer aan. Moeder Gertrud is er altijd erg op gesteld geweest dat ze er netjes uitzagen, net zo als in Denemarken, dus ook met geplooide witte kragen. Maar dat vinden de Eskimo's-jongens nogal raar, dus al gauw beginnen Paul en Niels te zeuren of ze net zulke kleren krijgen als hun vriendjes. Moeder denkt er niet over, maar na een paar dagen komen Paul en Niels thuis met Eskimokleren aan.

„We hebben ze geleend van Erik", roepen ze. Moeder merkt wel dat die kleren praktischer in deze omgeving zijn dan hun deense kleding, dus zwicht ze uiteindelijk.

Vader werkt erg hard. Dagelijks trekt hij er op uit en bezoekt hij de Eskimohutten. Is er ergens narigheid, dan helpt hij en zo heel voorzichtig aan begint hij weer te spreken over het Evangelie. Hoe Jezus in de wereld gekomen is voor de zondaren. Hij vertelt dat niet alleen zij zondaren zijn, maar hij legt er de grote nadruk op dat ook hij en zijn gezin grote zondaren zijn. En dat is heel wat voor de bevolking, want iemand die zoveel goed doet als Egedde, en die jongens die zo aardig zijn, en dan toch slechte mensen? Ze begrijpen het niet, maar vader legt het steeds weer opnieuw uit. Ook Paul en Niels vertellen wel eens een verhaal uit de Bijbel.

Dan komen er weer brieven uit Kopenhagen. Waar blijven de resultaten? Vader schrijft terug: „Gelukkig mogen v/ij vorderingen maken met het brengen van het Evangelie. Wat de handel betreft heb ik het idee dat er nogal wat buitenlanders zijn die de walvissen in zee vangen, zodat er voor ons niet zoveel overblijft."

Als de koning dat leest, stuurt hij meteen een leger soldaten naar Groenland. Het zijn me de soldaten wel: het uitschot van Denemarken. Zij hebben zo'n groot strafregister dat de koning ze liever kwijt is dan rijk. Als ze in Groenland aankomen, beginnen ze meteen al te schelden en te tieren. De ene ruzie volgt na de andere en de sfeer, die de laatste tijd goed was, wordt nu steeds slechter.

De winter breekt aan. Verschillende soldaten worden ziek, scheurbuik blijken zij te hebben. Dat is erg en zodra de koning hiervan hoort, gebiedt hij alle denen weer terug te komen. Ze gaan allemaal behalve de Egeclde's met een paar vrienden.

Paul en Niels helpen hun vader goed. Ook zorgen zij voor de jacht en visvangst. Hans Egedde is aan een uitgebreid werk begonnen. Hij wil de Bijbel vertalen in het groenlands. Daar helpen de jongens ook aan mee. Het is een vreselijk moeilijk werk, maar doordat de jongens veel kontakt hebben met de Eskimo's, spreken zij de taal ook goed.

Op een dag, midden in de winter, moeten Paul en Niels er op uit om eten te zoeken. Ze nemen allebei hun geweer mee en dik ingepakt gaan ze op weg. Maar ze lopen nu al een halve dag en nog steeds hebben ze geen sneeuwhaas of een ander beest gezien. Ze zullen hun proviand eens opeten. Ze zoeken een geschikte plaats, maken een soort zitkuil in de sneeuw en nadat ze stil gebeden hebben, eten ze hun harde droge beschuiten op. Hun geweren liggen naast hen op de grond. Paul zegt: „Ik ga eens verderop kijken, net over dat sneeuwheuveltje. Dan kunnen we misschien zien of we nog verder moeten of dat we maar terug zullen gaan. Ik weet ook niet wat er aan de hand is, maar er is geen beest te zien."

Hij staat op en loopt naar de sneeuwheuvel. Hij tuurt in de verte. Nergens huizen te zien, één witte vlakte ziet hij voor zich. Hij kijkt aan de andere kant onder aan het heuveltje en opeens stokt zijn adem. Hij geeft een harde gil! Daar ziet hij iets bewegen! Een plomp dik gevaarte, grauwwit, en hij begrijpt direkt wat het is. Een ijsbeer! En zijn geweer ligt bij Niels in de kuil! De ijsbeer is opgeschrikt door Pauls gil en snel richt het dier zich op. Hij voelt zich bedreigd en zo vlug mogelijk loopt het beest in de richting van Paul. Paul draait zich vliegensvlug om en rent de heuvel af met de beer achter zich aan. Daar ziet hij zijn broer.

„Niels", schreeuwt hij, „Niels, vlug".

Niels kijkt eerst verbaasd, maar dan pakt hij snel zijn geweer.

„Nu eerst nadenken", zegt hij in zich zelf en pas als Paul vlakbij zijn broer is, schiet Niels zijn geweer leeg. In het hart van de jongens is een vurig gebed om behoud, want als het schot mist!

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1978

Daniel | 24 Pagina's

Gij zult Mijn getuigen zijn

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1978

Daniel | 24 Pagina's