JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

JEAN TAFFIN EN ZIJN „MERKTEKEKEN”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JEAN TAFFIN EN ZIJN „MERKTEKEKEN”

10 minuten leestijd

Al weer een jaar geleden kwam een boek van d.e pers dat. niet heeft nagelaten diepe indruk te maken op wie het lazen. Ik bedoel „De kenmerken der kinderen Gods", geschreven door Jean Taffin en vertaald in eigentijds nederlands door Drs. K. Exalto. Jean Taffin is één der predikanten uit de beginjaren der Gereformeerde Kerk in Nederland geweest, die voor de opbouw van en een geordend leven in die kerk van onschatbare betekenis waren-

Het is gced om in ons jeugdblad ook regelmatig aandacht te bestelen aan de jeugdperiode van nederlands gereformeerd kerkelijk leven. Het kan wellicht tot lering zijn.

Levensloop

Jean Taffin werd te Doornik (dus in het waalse, frans sprekende gedeelte van de vroegere Zuidelijke Nederlanden) geboren uit vermogende ouders en kreeg dan ook een goede opleiding. Hij brengt het tot bibliothekaris van kardinaal Granvelle, de vertrouwde van koning Filips II, en krijgt in die funktie ook allerlei „ketterse" boeken onder ogen. Langzaam wordt hij voor de „nieuwe leer" ingewonnen. Dat maakt zijn positie echter onmogelijk; daarom wijkt hij in 1557 uit naar Frankfurt waar hij definitief de zijde van d.e reformatie kiest.

Na veel zwerven (o.a. in Antwerpen, in Aken en Straatsburg) komt hij in Genève waar hij onder Calvijn en Béza gestudeerd heeft. Taffin wordt geordend predikant in Hetz waar hij aanvankelijk als hageprediker, maar al spoedig in een kerk optreedt voor een duizendkoppige menigte. Opnieuw komt Taffin nu in Antwerpen, waar hij samen met de bekende prediker Hermannus Moded de herdersstaf opneemt. Als Alva echter in het land komt, moet Taffin weer uitwijken naar duits grondgebied, waar hij in frans-sprekende vluchtelingengemeenten zijn werk voortzet.

In 1574 krijft Taffin opnieuw met de Nederlanden te maken als Prins Willem van Oranje, die hij inmiddels had leren kennen, hem in dienst neemt als hofprediker. Dat houdt in dat hij elke dag een huisgodsdienstoefening voor de Prins en zijn gevolg houdt en tevens belast is met de zorg voor de (v/aalse) gemeente daar waar de Prins verkeert.

Vooral in deze funktie heeft hij van grote betekenis kunnen zijn voor de opbouw van een normaal kerkelijk leven. Als hofpredikant was hij tevens een zeer gewaardeerde schakel tussen het Hof en de kerken. In deze funktie ook woonde hij tal van synoden bij als vertegenwoordiger van de hoge overheid. Een citaat uit een (oorspronkelijk latijnse) brief aan zijn ambtgenoot ds. Arent Cornelisz. te Delft is voor deze periode van zijn leven illustratief. Hij vermaant daarin ds. Cornelisz. om nu toch werkelijk ernst te maken met de invoering van de op de Synode van Middelburg aanvaarde kerkorde. Taffin schrijft dan: „Ik vraag mij af wat de oorzaak is van een zo lange vertraging. De ernstige en verderfelijke wanorde, die zinch onlangs bij U heeft voorgedaan, heeft de Prins aanleiding gegeven vandaag ds. Villiers en mij te vragen hoe het komt dat zich onder de dienaren des Woords telkens onenigheden en zelfs strijd voordoen. Toen hebben wij geantwoord, dat sommige predikanten, die op gemakkelijke wijze tot het ambt zijn toegelaten — vooral zij die eens monnik geweest zijn — en die afkerig zijn van de vroomheid en de zuiverheid van de religie, allerlei verzinnen tegen de kerkorde om deze gehaat te maken en tenslotte om, met terzijde stelling van cle kerkorde, met meer vrijheid te leven en hun dwalingen te verspreiden, waarbij zij intussen de betrouwbare, vrome en geleerde predikanten, wie het welzijn der kerk ter harte gaat, van heerszucht en te grote strengheid betichten. Hij vroeg vervolgens welk middel tegen dit kwaad

aangewend zou kunnen worden. Wij hebben geantwoord, dat aan deze kerkorde de hand gehouden moet worden, opdat, als deze èn door de Prins èn door de Staten bevestigd is, alle gemeenten door het gezag van de Overheid verplicht worden zich aan deze kerkorde te houden."

Uit dit alles kunnen we opmaken dat hij een man van betekenis geweest is. Dat geldt ook voor de latere periode in zijn leven, nadat hij wegens bezuiniging in de hofhouding sinds 1583 weer gewoon predikant wordt. En wéér trekt Antwerpen, maar in 1686 wordt hij opnieuw uit deze stad verjaagd, nu door de landvoogd Parma. De laatste 17 jaren van zijn leven wordt deze zwervende en vaak opgejaagde predikant eindelijk enige rust gegund. Hij wordt aanvankelijk waals predikant van Haarlem en later in Amsterdam. Daar is hij tenslotte in 1602 overleden.

Zijn werken

Taffin was waals predikant, zoals we zagen. De waalse gemeenten waren in de Noordelijke Nederlanden ontstaan vanuit de frans-sprekende vluchtelingen. Elke grote stad kende toentertijd wel een dergelijke gemeente. Juist voor deze gemeenten was het aanvankelijk bijzonder belangrijk dat zij hun eigen frans-sprekende predikanten bleven behouden. Overigens was er tussen de nederlandse gereformeerde gemeenten en de waalse gemeenten geen enkel dogmatisch verschil. Beide groepen zijn van overtuigend calvinistische signatuur.

Als predikant moet Taffin grote indruk hebben gemaakt. Servatius zegt van hem: „Geladen bovenal als hij is met heilig vuur en begaafd met een enorme welsprekendheid, behoeven we ons niet te verwonderen dat hij zijn talenten als prediker der nieuwe leer openlijk ontplooit en spoedig grote scharen onder zijn gehoor heeft. Zijn taal is verzorgd en boeiend, zijn woorden geselen openlijk de zonden van zijn tijd en drukken uit wat in het volk leeft".

Dat Taffin midden in zijn tijd en tussen zijn volk stond, bewijst hij tevens door de werken die hij achterliet. De wederdopers heeft hij bijvoorbeeld uitvoerig bestreden (evenals zijn vriend Guido de Brés vóór hem al had gedaan) in een boek „Onderwijsinghe teghens de dwalinghe der Wederdooperen". Zijn twee meest bekende werken zijn echter „Van de Merckteeckenen der kinderen Gods" en „Grondich bericht, van de Boetveerdicheijt des Levens", beide van stichtelijke aard. Juist ook door deze twee boeken is Taffin een voorloper of een eerste vertegenwoordiger van de beweging der nadere reformatie. Hij bevindt zich a.h.w. op het snijpunt van reformatie en nadere reformatie en dat maakt zijn positie ook kerkhistorisch interessant.

Het stichtelijke karakter van beide werken (en dat is karakteristiek voor die tijd) is geenszins losgemaakt van het staan van de christen in zijn tijd. Dat zien wem et name in zijn . Boetveerdicheijt des Leevens" waarin Taffin op niet mis te verstane wijze een niet altijd even positief beeld geeft van de gemeenten uit deze tijd, die voor ons besef toch wel de bloeitijd van nederlands kerk geweest is. Wat te denken bijvoorbeeld van zijn oordeel over rijkdom en ijdelheid in laatstgenoemd werk: „De Eerghiericheyt, hoogmoet ende begheerlijckheyt der ydele glorie, waer van wy ghesproken hebben, vertoont haer onder andere dingen, sowel in de costelickheyt der cleederen ende vercieringhe des lichaems, als in de overdaet der maeltijden. Nopende de overdadicheyt der cledinge ende des prachts, een yeder is genoechsaem in zijn herte overtuyght, dat dit ghebreck spruyt uit een dwaze begheerte, om van de menschen groot gheacht te worden". Wanneer men zó weet te schrijven, dan heeft men de ogen klaarblijkelijk goed de kost gegeven.

Het wordt echter tijd ook op die Taffin te wijzen die de vervolgde en verdrukte vromen van zijn tijd zo alleruitnemendst weet te vertroosten. Dat doet hij met name in zijn „Merckteeckenen", dat nu gelukkig voor een breed publiek opnieuw bereikbaar is door Exalto's herschrijving. Het gaat Taffin om de centrale vraag (hem ongetwijfeld vele malen gesteld) „waaruit wij weten dat wij kinderen Gods zijn" (hfdst. 3). Het antwoord dat Taffin geeft op deze vraag is verrassend door eenvoudigheid. Hij zegt (ik citeer de bewerking): „Degene die kennis heeft van zijn zaligheid in Christus en een gevoelen van de liefde Gods jegens hem, heeft die genade dank zij de openbaring, en dank zij het getuigenis van de Heilige Geest, en mag verzekerd zijn, dat de Heilige Geest in hem is en düs dat hij een kind van God is". Het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest is zoals we zien het voornaamste criterium. Ik dacht het goed is, als we dat vasthouden. Er is echter meer, want even later stelt

Taffin dat zoals het geloof een gave van de Heilige Geest is, zo ook de wérkingen en de vruchten daarvan innerlijke kenmerken zijn welke ons doen ervaren dat wij kinderen Gods zijn. Zo zijn de vrede en de gerustheid van het geweten voor God een zéker getuigenis dat wij gerechtvaardigd zijn door het geloof. Ook de lijdzaamheid en de hoop temidden der verdrukkingen zijn innerlijke getuigenissen van de liefde Gods jegens ons. En wanneer wij gevoelen dat wij God liefhebben, dan is dat een zeker bewijs dat wij kinderen Gods zijn, omdat het waar is wat Johannes zegt, namelijk dat wij God liefhebben omdat Hij ons éérst heeft liefgehad. Al dergelijke vruchten zijn vruchten van de Heilige Geest en als zodanig „gewisse getuigenissen en innerlijke kenmerken, dat wij waarlijk Gods kinderen zijn".

Neast deze innerlijke kenmerken is er ook een uiterlijk middel om verzekerd te zijn van het kindschap Gods. Dat is bij Taffin gebaseerd op zijn mening t.a.v. de kerk. De Kerk is ook voor Taffin de vergadering van alle uitverkorenen die er geweest zijn, nóg zijn en er zullen zijn tot aan het einde der wereld. Maar „vanwege de uitverkorenen die daarin zijn, en vanwege de kenmerken van de ware kerk, moeten wij wel geloven, dat degenen die leden zijn van deze vergaderingen ofwel kerken, ook gemeenschap hebben aan al de schatten en goederen van de kerk in algemene zin, en derhalve, dat zij kinderen Gods zijn en erfgenamen van het eeuwige leven". Het zal duidelijk zijn dat Taffin met dergelijke uitspraken (die ons misschien méér dan gewaagd in de oren klinken) een pastorale bedoeling gehad heeft. Taffin wilde m.i. zeggen: het is geen kleine zaak wanneer men tot de kerk behoort. Dat geeft grote voorrechten én schept grote verplichtingen!

De verantwoordelijkheid die de mens heeft t.a.v. zijn eigen zieleheil weegt Taffin zwaar. Dat blijkt wel heel duidelijk uit het vierde hoofdstuk dat luidt: „Hoe ieder lidmaat der kerk zich behoort toe te eigenen de kenmerken daarvan, om zich van zijn aanneming en zaligheid te verzekeren". Taffin hecht grote waarde aan het Woord van God. In het Woord heeft de Heere Zijn hart verklaard. Gods beloften zijn waarachtig. Daarom krijgt de oproep tot geloof ook klem. Taffin wijst er elke keer op, dat het geloof een gave van God is, maar wie ongelovig blijft, zo stelt hij tevens, heeft dit aan zijn eigen onboetvaardig hart te wijten.

Taffin kan zo aandringen op het geloof door zich te hechten aan het Woord, omdat Woord en Geest bij hem onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Waar de dienst van Gods Woord is, daar is ook de dienst van de Heilige Geest. Het geloof is uit het gehoor; door de prediking worden mensen tot het geloof gebracht. Dit alles is bij Taffin geen spanningsloos „geloofsautomatisme", maar een verwonderd nazeggen van wat de Schrift op dit punt ons verkondigt. Dat doen Taffin schrijven: Ja, als Hij zegt: omt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11 : 28), dan moet ge goed acht geven op het woordje „allen". Christus spreekt hier tot allen die belast zijn en de last van hun zonden gevoelen. Waarom twijfelt ge dan nog, of Hij wel tot ü spreekt? Kom veeleer tot het besluit: mdat door Hem gezegd wordt „allen", word ook ik aangesproken, belooft Hij ook mij rust te geven. (—) Neem dan tot Iiem uw toevlucht en geloof in Hem, zó zult ge ervan verzekerd worden, dat Hij ook over u rijk is in barmhartigheid".

Ik hoop dat er onder onze oudere én jongere lezers zijn, die zich aangesproken v/eten. Voor schuldigen is er vrijspraak, voor vermoeiden is er rust! Dat is de boodschap die overblijft na lezing van dit kostelijke boekje, dat terugvoert naar de bronnen van de reformatie. Het is voor de kerk een gezondmakende zaak zich daaraan te laven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1978

Daniel | 24 Pagina's

JEAN TAFFIN EN ZIJN „MERKTEKEKEN”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1978

Daniel | 24 Pagina's