„UIT ONS UITGEGAAN”
Nog enkele vragen van onze redaktiesekretaris wachten op beantwoording na wat wij in het vorige nummer van „Daniël" reeds geschreven hebben over het boek van de „uitgetredenen" onder de titel „Uit ons uitgegaan".
De vragen die nog resten zijn de volgende: „Een bezwaar tegen het leerstuk van de welmenende aanbieding van genade volgens de „uitgetredenen" is, dat zo de funktie van de wet in de prediking in het gedrang komt. Is dat zo? "
Bij de rechte prediking van de boodschap van de aanbieding der genade komt de funktie van de wet niet in het gedrang. De roeping van de zondaar geschiedt door het Evangelie, niet door de wet.
Aan het begin van de weg der zaligheid staat Christus als de grote Profeet en Leraar der Gerechtigheid, Die door het evangelie de zondaar roept. Bij die krachtdadige roeping door Woord en Geest wordt de liefde Gods in het hart uitgestort door de Heilige Geest. Maar dan is het ook Christus, Die als de grote Leraar der Gerechtigheid ons in de spiegel van zijn heilige wet ons onze zonden doet kennen. (Zie zondag 3 H.C.).
De wet op zichzelf wekt alleen de toorn en angst, maar in de hand van Christus vernedert en verbrijzelt zij de zondaar en zo maakt Christus door de ontdekking van de wet plaats om Hem te mogen leren kennen in Zijn priesterlijke bediening als Borg en Zaligmaker.
Volgens de heer C. de Jongste, één van de skribenten van het boek „Uit ons uitgegaan", moet de prediking allereerst wetsprediking zijn. Hij spreekt zelfs over een leerorde van wet en evangelie.
Wanneer dhr. De Jongste zegt, dat de prediking allereerst wetsprediking moet zijn, dan kan ik daarin niet met hem meegaan. Christus heeft gezegd: „Predikt het evangelie aan alle kreaturen" en niet: „Predikt de wet aan alle kreaturen". Ik heb hierboven al gezegd, dat de roeping door het evangelie geschiedt en niet door de Wet.
Als hij spreekt over een leerorde van wet en evangelie, dan voegt hij zich, zonder dat hij dat waarschijnlijk weet, in de Lutherse traditie en niet in de gereformeerde. De Lutherse traditie heeft een scherpe scheiding gemaakt tussen wet en evangelie, maar onze gereformeerde vaderen weten daar niet van. Van der Groe heeft gezegd: „Er is geen wet zonder evangelie en geen evangelie zonder wet."
De Jongste en met hem de „uitgetredenen" leren: „Eerst moet de wet gepredikt worden en pas als de zondaars daardoor verbrijzeld worden, is er plaats voor het evangelie". Dit is semi-pelagiaans. De semi-pelagiaanse roomsen leren, dat in de biecht eerst je berouw oprecht moet zijn, voordat de vergeving je wordt aangeboden. Dit bracht Luther tot wanhoop, omdat hij niet wist, of zijn berouw wel oprecht was.
Zo leren de „uitgetredenen" dat de zondaar eerst recht ontdekt en verbrijzeld moet zijn door de wet, vóórdat hem de genade in Christus mag worden aangeboden. Maar de zondaar, die waarlijk ontdekt en verbrijzeld is, zal zichzelf nooit voor een rechtontdekte zondaar durven houden. Zo wordt deze zondaar op een uitzichtloze wijze op zichzelf teruggeworpen. Voor zulk een zondaar is er pas hoop, wanneer Christus aan allen wordt gepredikt zonder onderscheid.
Als gevraagd wordt of onze oudvaders inderdaad deze leerorde leerden, dan verwijs ik alleen maar naar de Erskines, Gray, Boston, Comrie en vele anderen. Om zijn systeem te kunnen handhaven, heeft ds. Steenblok niet zonder reden gezegd, dat er door de preken van de Erskines een remonstrantse draad liep.
Ik heb hem dit zelf horen zeggen en anderen, die de strijd van toen hebben meebeleefd, kunnen dit getuigen.
Nu het hier toch over gaat, wil ik ook eens zeggen, dat het mij een raadsel is, dat de „uitgetredenen" zo van harte in de M'Buma-zending een kerk kunnen steunen — de Free Presbyterian Church — waar de leer van de aanbieding soms met meer nadruk wordt gepredikt, dan onder ons geschiedt.
De heer Huisman durft het in dit verband aan, om in het vorige nummer van ons blad de godzalige ds. W. a Brakel te beschuldigen dat een citaat van hem niet sterk is als hij in zijn „Redelijke godsdienst" schrijft dat er sommigen tot bekering gebracht worden op zulk een evangelische wijze, dat zij geen tijd hebben aan hun zonden met verschrikking te denken.
Tot slot voert hij een citaat van Sheppard aan, waaruit zou moeten blijken, dat „de meeste oude schrijvers er geen misverstand over laten bestaan, dat zij de prediking van de wet vóór de toepassing van het evangelie van overwegend belang hebben geacht."
Wat een spraakverwarring hebben wij hier!
Hij zal misschien bedoelen dat de ontdekking van de wet vóór de toepassing van het evangelie gaat. En dan zeg ik natuurlijk: inderdaad! Volkomen terecht!
Zó leert de Heere het Zijn volk!
Maar de prediking van de wet vóór de toepassing van het evangelie, zoals hij schrijft, is dwaasheid!!
Ik zal het bewijzen met een citaat uit dezelfde Sheppard.
Sheppard schrijft in „De gelijkenis der tien maagden" op blz. 76: Merk op, dat Hij u ten huwelijk vraagt. Niet één ziel, die dit leest, is er, of de Heere doet een huwelijksaanzoek bij u, opdat gij u nu met Hem zoudt verloven. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Wat het verborgen oogmerk van Christus ook moge wezen, daarop geef ik thans geen acht. In deze evangelische bedeling der genade, doet Hij aanzoek bij een iegelijk (1 Joh. 1 : 2). Dit blijkt klaar in Matth. 22 : 2 en 3. Overal waar het evangelie in de wereld is strekt zich deze liefde van Christus tot allen uit, inzonderheid tot allen, tot wie dit evangelie des vredes gezonden is (Luk. 2 : 10).
Het is de verkondiging van grote blijdschap aan alle volken; gelijk de wet de verkondiging van grote droefheid aan alle volken is (Luk. 2 : 14). De engelen van de hemel predikten dit welbehagen in de mensen. Want indien de afvordering van de liefde der mensen gegrond zou wezen op Christus' werkelijke liefde tot enigen, in zover Hij voor enigen gestorven is, dan zou de aanbieding bijzonder wezen. Maar ze is gegrond: e op Zijn eigen Woord en heerlijkheid en hierop vordert Hij liefde. 2e Hierop, want voor zoveel ik weet, heeft Hij mij liefgehad, zodat gij zo erg niet zijt, of het hart van de Heere Jezus is u genegen en Zijn oog is op u in liefde. Maar het is niet alleen liefde, maar hooggaande en allesoverwinnende liefde. Het is wezenlijke liefde. Vurige liefde. Standvastige liefde. Zuivere liefde, die Hij u toedraagt."
Ds. Alexander Comrie geeft dan als aanvullend kommentaar op deze woorden van Sheppard: „Namelijk in de aanbieding van het evangelie, want ofschoon de uitverkorenen alleen zalig worden, wordt het aanbod van genade echter aan allen gedaan, die het Woord horen. Het ware te wensen, dat men in elke leerrede dit aanbod hoorde; mogelijk zouden de predikatiën van meer kracht zijn voor arme overtuigde zielen."
De heer Scholten schrijft in het vorige nummer van ons blad dat de prediking niet mag uitgaan van de wil des bevels.
Ik zou willen vragen wat Paulus dan deed toen hij predikte: „Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis." Was dit geen uitgaan van de wil des bevels?
De „wil des besluits", Gods verborgen wil, Zijn eeuwige verkiezing mag het eindpunt zijn, waar Gods Kerk in mag eindigen: „Het is door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen".
Dat mag de troost voor Gods kinderen zijn, dat hun zaligheid vastblijft in het eeuwig
welbehagen des Vaders, buiten het bereik van de satan, van de zonde en van alles wat van de mens is.
En dan heeft Calvijn gezegd: „Buiten de kennis van Christus kan niemand één goed woord over de uitverkiezing zeggen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1978
Daniel | 24 Pagina's