JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gij zult Mijn getuigen zijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gij zult Mijn getuigen zijn

7 minuten leestijd

Het is in het begin van de 18e eeuw.

Hans Egedde, een deens predikant, zit aan zijn bureau. Voor hem ligt de Bijbel opengeslagen. Maar Hans kijkt er niet in. Hij staart voor zich uit. Enkele maanden geleden heeft hij oude boeken gevonden. Daarin heeft hij gelezen over Groenland. Vele eeuwen terug hebben zich daar Noormannen gevestigd. Het werd toen een bloeiende kolonie, maar na verloop van vele jaren hoorde men niets meer van deze landgenoten. Toch laat het de Deense predikant niet los. Stel je voor dat er nog landgenoten woonden! Die hadden het dan waarschijnlijk heel arm, want al een paar honderd jaar bestond er geen handel meer tussen Groenland en Denemarken. En wat voor Hans Egedde het belangrijkste was: zij hadden misschien ook geen Bijbels in dat land. Wat zou hij graag Gods Woord gaan verkondigen, daar, hoog in het Noorden. Maar zijn vrouw denkt er anders over. Die ziet veel meer de gevaren van het verblijf in zo'n ver vreemd land. Als zij even later de kamer van haar man binnenkomt, ziet ze meteen dat hij weer heeft zitten dromen.

„Hans toch! Kun je het nog steeds niet loslaten? Denk er toch eens nuchter over na. Misschien woont er wel niemand meer. We kunnen toch moeilijk met onze kinderen zo'n reis maken ais je niet eens weet of je daar wel iemand vindt? " „Och Gertrud, wat het is weet ik niet, maar iets in mij zegt mij dat ik gaan moet".

„En de mensen hier? Moeten zij dan maar zonder dominee blijven? Die hebben toch ook Gods Woord nodig!" antwoordt Gertrud.

„Vrouw, als de Heere het goedkeurt dat ik ga, dan zal hier spoedig een nieuwe predikant komen."

Gertrud Egedde zegt niets meer. Zij zucht diep en gaat de kamer uit.

Buiten, onder het open raam, sluipen stil twee jongens weg. Het zijn Paul en Niels, zoontjes van Hans en Gertrud.

„Hoorde je dat, ze hadden het weer over Groenland", zegt Paul, „altijd maar dat Groenland. En moeder wordt er zo verdrietig van".

„Ja, maar stel je voor dat er nog mensen wonen. Die moeten toch ook horen over de blijde bood-schap van de Heere Jezus, Paul? " antwoordt Niels. „Vader heeft wel een beetje gelijk".

„Wel ja, begin ook maar. Nou dan zijn er nog zat andere mensen die kunnen gaan. Mensen zonder vrouw en kinderen. Wij hoeven toch niet speciaal naar dat akelige koude land!"

„Waarom andere mensen wel en wij niet? Bah, wat ben jij egoïstisch! Ga alleen maar vissen. 't Hoeft al niet meer. Ik ga naar huis".

Boos draait Niels zich om en loopt in de richting van hun huis.

Paul gaat alleen verder naar het strand. Het water is laag en spoedig heeft hij een stel vissen in zijn emmertje. Hij is nog steeds met zijn gedachten bij het gesprek over Groenland en dat is heel dom, want daardoor let hij niet op het water. Langzaam aan komt het water hoger. Het is vloed. Paul schrikt opeens. Tussen het strand en hem is al een brede strook water waar hij onmogelijk door kan. Hij rent. het stuk strand verder af, maar het water komt steeds hoger en nergens is een plek om er door te gaan. Paul krijgt het benauwd. Daar een eindje verder is een partij rotsen. Die blijven meestal boven het water uitsteken, weet hij. Als hij daar maar kon komen, dan is hij misschien veilig. Hij waadt er zo snel mogelijk naar toe en klautert er bovenop. Gelukkig, daar zit hij! Als het water nu maar niet extra hoog komt. Thuis zullen ze wel ongerust worden. Hij boft nog dat het zomer is, zodat het niet helemaal donker wordt. Heel in de verte ziet hij hun dorpje liggen. Paul kijkt angstig naar het water. Het komt nog steeds hoger. Zou de rotspunt droog blijven? Hij hoopt het van ganser

harte. Opeens denkt hij aan de mensen in Groenland. Die zijn ook afgesloten van de wereld, net zo ongeveer als hij nu is. Maar hij wil graag geholpen worden. Zouden die mensen ook niet geholpen willen worden? In al zijn angst en benauwdheid bidt hij tot God: „Heere, wilt U mij hier weer gezond vandaan brengen. En als ik weer thuis ben, beloof ik U dat ik met moeder zal praten om haar tot andere gedachten te brengen. Dan zullen we naar Groenland gaan en ik zal vader helpen om de mensen van U te vertellen."

Heel in de verte ziet hij op het strand een lichtje bewegen. Het is vader Hans Egedde, die met een verrekijker op zoek is naar zijn zoon. Hij is erg ongerust, maar gelukkig, daar ziet hij hem op de rots zitten. Haastig waarschuwt hij een visser en samen varen ze naar Paul. Hij is gered!

Het is een paar jaar later. 1721. Op de oceaan varen drie schepen. Het zijn allen Denen. Op een van de schepen vaart Hans Egedde met zijn gezin mee. Eindelijk kon de reis worden aanvaard. Nadat Paul gered was van de rots, is hij zijn belofte nagekomen en heeft hij steeds weer opnieuw met zijn moeder gepraat. Uiteindelijk is ook zij enthousiast voor het plan geworden, hoewel niet zo hevig als Paul en zijn vader. Maar toen begonnen er andere moeilijk - heden te komen. Want zo'n reis kost veel geld en waar haalt vader dit alles vandaan? Hij heeft toen de stoute schoenen aangetrokken en zo is hij naar de koning gegaan. Tenslotte hadden zich vroeger daar ook Denen gevestigd en misschien konden de handelsbetrekkingen wel weer vernieuwd worden. En eindelijk, na veel praten, heeft de koning zijn toestemming gegeven. Nu moest het geld er nog komen, Echte handelshuizen gaven Egedde geld en stuurden meteen kooplieden en pelsjagers mee. Andere mensen werden door Hans Egedde enthousiast gemaakt opdat dan het Evangelie in Groenland verkondigd kon worden en zo verkreeg men toch een aardig kapitaaltje.

Nu zijn ze dus op weg. Erg voorspoedig gaat de reis niet. Het duurt ontzettend lang voor zij een stukje land ontdekken en dan , in plaats van blij aan land te gaan, kunnen zij niet verder. De hele zee is vol drijfijs en het lijkt wel of er steeds meer komt. Het schip wordt helemaal ingesloten en tot overmaat van ramp komt er een dikke mist opzetten. De schipper is woedend. Straks vergaan zij nog allemaal en dat alleen door zo'n raar plan van die dominee. Het begint zelfs te stormen. Het schip wordt steeds verder geduwd, vaak van de ene ijsschots naar de andere en waarheen? Dat ziet niemand door de dikke mist. Eindelijk, na dagen, trekt de mist op. Weg is ook het drijfijs en ze zien land!

Vlug koersen ze naar de kust, maar opeens komen er vliegensvlug allemaal kleine mannetjes in dikke kleren tevoorschijn. Ze springen in hun smalle bootjes en roeien pijlsnel naar de schepen. Verbaasd kijkt iedereen naar die wezentjes. Zijn deze onogelijke mannetjes met hun bruine gezichten en hun spleetoogjes, hun platte neuzen hun voorgeslacht? Dat bestaat niet!

Snel klauteren de Eskimo's, want dat zijn de mannetjes, langs de touwladders omhoog. Ze sjouwen van alles mee, zoals vossehuiden en walrustanden. Ze willen ruilen. De blanke mensen zijn stomverbaasd. Vlug ruilen zij wat spullen met de Eskimo's en ondertussen proberen de schippers aan land te komen, waar men de tenten kan opzetten.

In de weken die volgen bouwen de mannen twee flinke huizen. Eén voor Hans Egeddes familie en hun vrienden en een voor de kooplui en jagers. Nu, aan belangstelling ontbreekt het niet. De Eskimo's kijken hun ogen uit. Wat doen die mensen raar. Bouwen zij boten? Neen, het ziet er anders uit en als ze bemerken dat de blanken in die gebouwen gaan wonen, lopen ze hard weg. De volgende morgen zijn er al een paar Eskimo's vertrokken en na een paar dagen is er geen inboorling meer te bekennen. Daar zit Hans Egedde nu. Hij wil zo graag het Evangelie brengen aan de nakomelingen van zijn voorgeslacht. En nu? Het zijn vreemde wezens om te zien, hun taal verstaat hij niet en ze zijn zelfs allemaal vertrokken.

Is het dan toch eigenwijsheid geweest om hier naar toe te gaan?

In zijn gebeden met God worstelt Egedde met dit probleem, maar elke keer weer voelt hij dat dit toch Gods wil is.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1978

Daniel | 24 Pagina's

Gij zult Mijn getuigen zijn

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1978

Daniel | 24 Pagina's