JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

GROOT VERVAL IN DE GEREFORMEERDE GEMEENTEN?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GROOT VERVAL IN DE GEREFORMEERDE GEMEENTEN?

12 minuten leestijd

Misschien schrik je van de titel boven dit artikel. Ik ben ook geschrokken. Geschrokken van een boek, dat onlangs verscheen. Ter herdenking van het 25-jarig bestaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland werd het door ds. F. Mallan en L. M. P. Scholten samengestelde „Uit ons uitgegaan" op de markt gebracht.

De titel hierboven — zonder vraagteken — is de samenvatting van de visie in dit boek naar voren gebracht, met name in het eerste hoofdstuk. Daar staan uitspraken over onze gemeenten die er niet om liegen. Ik zal er hier slechts één weergeven: „Men kan dan in de prediking (bedoeld wordt: de prediking in onze gemeenten) nog wel zo bevindelijk mogelijk proberen te zijn, om de schijn nog niet tegen zich te krijgen van dat men de bevinding niet noodzakelijk acht, maar de bevinding die men dan in de prediking te beluisteren krijgt, is slechts wat nageprate bevinding, die men zeer kunstig weet te brengen in een vorm van allerlei bekende en het gemoed rakende versjes en teksten.

Wat echter ontbreekt, is de separatie tussen het nabijkomend werk en het zaligmakend werk des Geestes" (blz. 25/26). Natuurlijk mag ds. Mallan zijn visie geven, zelfs al zou dat hard voor ons zijn, maar wat ik zo mis, is de bewogenheid en droefheid over de zaken die hij meent te konstateren. Dat is jammer. Misschien bedoelt hij het niet zo, maar zijn hele betoog komt helaas zo kil, hooghartig en veroordelend over.

Een boek als dit bespreken, dat is het kritisch toetsen van de inhoud, is onmogelijk in een kort artikel. Zo'n boek vraagt om een ander boek.

Toch willen we in ons blad niet om dit boek heen. Uit de titel wordt al duidelijk dat het in dit boek gaat over de droevige scheuring van 1953. Jongeren uit onze gemeenten hebben die scheuring niet meegemaakt en weten meestal amper waar het om ging. In eigen bladen als de „Saambinder" en „Daniël" is zeker de laatste tien jaar bijna geen letter over deze kwestie gepubliceerd. Zelfs niet bij de herdenking, verleden jaar, van het 70-jarig bestaan van de Gereformeerde Gemeenten. Enige voorlichting is daarom zeker op zijn plaats. En dat op een zo eerlijk en waardig mogelijke wijze, om niet in dezelfde fout te vervallen als sommige skribenten uit dit boek, waarin „de aangeslagen toon (...) soms zeer kwetsend" is. (aanhaling uit RD) Openlijk wordt een onzer godzalige predikanten een „groot warhoofd" genoemd. Ik zal ouderling Van Kierden, die in zijn artikel over de kerkscheuring in Amerika deze uitspraak gebruikt, geen warhoofd noemen, maar ieder die zijn bijdrage in genoemd boek gelezen heeft zal met mij beamen dat dit hoofdstuk erg „warrig" is. Na lezing heb je nog geen flauw idee, wat er zich nu in Amerika afgespeeld heeft.

Hoofddoel van ons ingaan op dit boek is dus voorlichting te geven aan onze jongeren. Daarnaast hopen we dat er iets mag doorklinken van droefheid en beschaamdheid over de gebeurtenissen van 1953. Schrijver dezes heeft de scheuring niet bewust meegemaakt en is nog gedoopt door dr. Steenblok. Ik heb dus nog een zekere band met hen die „uit ons zijn uitgegaan". Ik hoop dat dat mijn objektiviteit ten goede komt.

Droefheid behoort er te zijn, omdat deze scheuring niet door God gewild is, naar mijn bescheiding mening. Hierin kan ik het dan ook niet eens zijn met ds. Mallan die in zijn „Ten Geleide" van deze scheuring opmerkt: „ze moest er komen en daarvan geeft de Heere getuigenis tot op deze dag". En op de laatste bladzij van zijn bijdrage spreekt hij nogmaals uit dat „de scheuring, die door ons niet gezocht en begeerd is, toch wel door God gewild is" (blz. 28). Maast droefheid is echter ook beschaamdheid op zijn plaats. En laten we dan de hand maar in eigen boezem steken: er was veel menselijks in deze zaak.

Als ik de oorzaken op een rijtje zet, waarom mijns inziens de scheuring plaatsvond, dan kom ik tot de volgende punten:

a. Het wegvallen van een dominerende figuur als ds. Kersten.

b. Een verschil in ligging, nauw samenhangend met de eigen bekeringsweg èn andere ervaringen, zoals die van dr. Steenblok in de Gereformeerde Kerk.

c. Een gebrek aan een gedegen theologische opleiding bij veel van de predikanten, waardoor men niet in staat was de geschillen van vóór de scheuring op hun juiste waarde te beoordelen.

Wat gebeurde er nu precies in 1953?

Kortheidshalve geef ik slechts weer, wat de Acta van de Synode vermeldt: „Een vraag van ds. J. v. d. Berg naar de verhouding tussen docent en studenten, gaf aanleiding tot een brede en verwarde bespreking, waarbij vele afgevaardigden het woord voerden en waarbij bleek, dat de meningen zeer uiteenliepen Besloten werd over te gaan in een zitting, alleen toegankelijk voor ambtsdragers. In die besloten zitting deed een afgevaardigde het voorstel om over deze aangelegenheid te stemmen (het al dan niet handhaven van dr. Steenblok als docent. H.), omdat uit de bespreking wel bleek, dat geen overeenstemming was te bereiken, welk voorstel door een deel der afgevaardigden werd ondersteund. Protesterende tegen het houden van een stemming, verliet een aantal afgevaardigden de vergadering. Bij de gehouden stemming met gesloten briefjes wordt met 24 stemmen voor en geen stemmen tegen besloten, dat dr. C. Steenblok geen docent meer zal zijn."

En verder? De weggelopen broeders wilden, ondanks herhaalde verzoeken, niet te-

rugkeren met betuiging van leedwezen en aanvaarding van de genomen besluiten. De kerkeraden van de betrokken broeders kregen daarop een brief, dat bij volharding in deze houding deze broeders zich buiten het verband van onze kerken plaatsten. Zij stapten toen „voorlopig" uit het kerkverband en werden tenslotte geschorst.

Zijn er fouten gemaakt? Zat er niet meer achter dan alleen maar een slechte verhouding tussen docent en studenten? Allerlei vragen komen naar voren.

Ik heb een aantal, soms kritische, vragen voorgelegd aan twee skribenten uit het bewuste boek, n.1. ouderling C. Huisman en de heer L. M. P. Scholten (ds. Mallan was buitenslands), aan enkele van onze predikanten — mede over het leergeschil dat bestaat — en tenslotte aan drs. Hofman, wiens boek „Ledeboerianen en Kru.isgezinden" in „Uit ons uitgegaan" uitvoerig op de korrel genomen wordt.

Ik heb de vragen hen schriftelijk toegestuurd en de antwoorden ook schriftelijk ontvangen. Helaas kon ik vanwege ruimtegebrek — niet alle antwoorden in z'n geheel opnemen. Sommige opmerkingen van de heren Huisman en Scholten vragen om een weerwoord, waarvoor al evenmin ruimte beschikbaar was in dit nummer. Vandaar dat we in het volgende nummer van „Daniël" de bijdrage van de heer Hofman opnemen, terwijl ook onze hoofdredakteur ds. H. Rijksen alsnog op bepaalde punten nader hoopt in te gaan. Tot slot spreek ik de wens uit dat er in de Gereformeerde Gezindte meer eenheid moge komen dan er nu, jammerlijk genoeg, is. Ik ben ervan overtuigd dat dat de kerk ten goede zou komen: „Waar liefde woont, gebiedt de Heere Zijn zegen".

De heer L. M. P. Scholten is mede-samensteller van „Uit ons } ) uitgegaan" en schreef daarin het laatste hoofdstuk. Zijn ) ( hoofdkonklusie is dat de Dordtse Leerregels geen algemeen £ i aanbod van genade leren. Dat schijnt misschien wel zo te ( '> zijn, maar dit kan niet volgens Scholten, gelet op de toe-) lichting die de Gelderse deputaten naar de Dordtse Synode, ( bij deze Leerregels gaven. Een indirekte bewijsvoering dus.

Mijnheer Scholten, graag wil ik U enkele vragen voorleggen buiten het hoofdstuk om dat door u werd geschreven. Om te beginnen een vraag over de titel van uw boek. De titel is ontleend aan 1 Joh. 2, een bijbelgedeelte dat handelt over de antichrist. Mijn vraag is: worden de Geref. Gemeenten door u gezien als een uiting van de antichrist?

De titel van het boek vindt U toegelicht in de bijdrage van ds. F. Mallan. Voor de duidelijkheid wil ik hieruit een gedeelte speciaal aanhalen (op blz. 24): „En als we deze woorden nu toepassen op hen van wie we gescheiden werden, vellen we daarmee dan maar een onbarmhartig oordeel over de staat des harten van al degenen die niet bij ons gebleven zijn? Och, het is de Heere bekend, dat het ons hart met grote droefheid heeft vervult, als er ook zijn geweest van wie we geloven dat zij wel uit ons waren, maar die toch van ons zijn uitgegaan."

I Johannes 2 spreekt over de vele antichristen (of valse leraars, zie de kanttekening) naast de anti-christ (waarmee in de Schrift altijd Rome bedoeld wordt). Wie zijn die antichristen? Ik zou zeggen: eder die Christus' kerkvergaderend werk tegenstaat, Luk. II : 23.

Kunt u de predikanten van de Geref. Gem. nog zien als broeders in Christus, mee u verlangt één te worden.

De dichter getuigt „Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw naam ootmoedig vrezen, en leven naar Uw goddelijk bevel" (Ps. 119 : 32). Om dat ten volle te kunnen en te mogen beoefenen is genade èn onderscheidend licht nodig. „Broeders in Christus" is een hoge uitdrukking. Men zegt er tegelijk iets mee over zichzelf. Zeker zou ik een dergelijke benaming niet gebruiken zonder de betrokkene persoonlijk goed te kennen.

Welke voorwaarden zouden er van uw kant gesteld worden voor een eventuele eniging, dacht u?

Mag ik het woord „hereniging" in Uw vraag vervangen door „samenspreking"? Eerste vereiste voor een dergelijke samenspreking zou moeten zijn, dat de besluiten van schorsing, afzetting en uitwerping, die in 1953 genomen zijn door de synode, resp. op haar voetspoor, ongedaan gemaakt worden. Men moet daar niet gering over denken. Artikel 80 der kerkenordening, dat over tuchtmaatregelen tegen ambtsdragers handelt, legt terecht een verband met de ban.

Zie vraag 85 van de Catechismus: „en van God Zeiven uit het Rijk van Christus gesloten worden". Zolang de destijds genomen besluiten niet herroepen worden, is een kerkelijk gesprek onmogelijk.

Tweede vereiste is de daadwerkelijke bereidheid, alle ontwikkelingen in de gemeenten, die mogelijk werden als gevolg van de koerswijziging van 1953, op te geven.

Nu neem ik het woord „hereniging" in Uw vraag weer op. Twee opmerkingen daarover: een verstandelijke, kunstmatige hereniging heeft geen nut; het baat niet twee zieke kippen in één hok te stoppen. Een hereniging in Gods gunst zal alleen zijn in de weg van Ezechiël 37.

Een kerkrechterlijke vraag (gezien uw brochure „Na 15 jaar" ioeet u daar veel van). Hadden de predikanten die in 1953 de Synode verlieten, volgens het kerkrecht de huns inziens onjuiste handelingen van de Synode niet op de Part. Synode moeten brengen die hen afgevaardigd hadden?

Zeer zeker! Maar de gelegenheid is hun niet meer gegeven.

Ik heb me laten vertellen dat ds. Van der Ketterij 's avonds, toen hij weggelopen was van de Synode, de gemeente van Ederveen bewoog om uit het verband van de Geref. Gem te treden. Was dat niet wat te vlug, zodat een verwijt van scheurmakerij begrijpelijk is?

Bij gebrek aan gegevens kan ik dit niet beoordelen.

Als het algemeen aanbod afgewezen wordt, wordt dan de predestinatie niet het leerstuk, waaronder heel de prediking gesteld ivordt en wordt zo niet alles beheerst door de „wil des besluits" en dus de „wil des bevels" verdonkeremaand?

Alleen in het soevereine welbehagen Gods kan de prediking haar oorzaak en grondslag vinden. In de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog en Hem de grond van zaligheid doet zijn. De dichter zingt: „Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen." Het is niet mogelijk, buiten dat gemaakt bestek om Gods gunstbewijzen te prediken. Calvijn zei, dat „de prediking van het evangelie uit de bronwel der verkiezing ontspringt". Hij durfde zelfs zeggen, dat in de roeping „tot het uiterste deel toe alleen de verkiezing regeert" (zie Institutie III-24-1 en 2). Zo leerde ook ds. Kersten, dat de prediker zijn preek altijd moet opbouwen uit het welbehagen Gods.

Daarmede wordt de „wil des bevels" allerminst verdonkeremaand (wat een uitdrukking overigens in dit verband!) Daarentegen, wie in plaats van het welbehagen Gods in de prediking uit zou gaan van de „wil des bevels", versmalt deze „wil des bevels" tot de eis van geloof in de algemeen gepredikte beloften van het evangelie.

Onze ouden plachten wel onderscheid te maken tussen de bekendmaking en de opening der beloften. Zij zeiden: de beloften worden aan alle mensen bekendgemaakt, in de prediking; maar de opening der beloften valt alleen de uitverkorenen ten deel, aan het einde van de bediening der wet, in de ontsluiting van de weg der genade.

Een laatste vraag (de eenheid van de Kerk ligt me nu eenmaal na aan het hart). U weet ongetwijfeld uit de kerkgeschiedenis dat er bij onze vaderen soms vrij grote verschillen bestonden over de leer. Zijn de geschilen van nu, tussen u en ons, zoveel groter dan die van toen, zodat een gescheiden kerkelijk leven gewettigd is?

De kerkgeschiedenis kan hier niet zonder meer richtsnoer zijn. De beste leraars hebben in de tweede helft van de 17e en in de 18e eeuw in toenemende mate moeten zuchten over insluipende dwalingen, die niet goed bestreden konden worden als gevolg van de overheidsmacht in de kerk. Leest Sions Worstelingen van Fruytier en

na hem werd het nog veel erger. Verkeerde tolerantie heeft de kerk reeds in de 18e eeuw verziekt.

Overigens zou deze vraag allereerst beantwoord moeten worden door degenen, die verantwoordelijk zijn voor de synodebesluiten van 1953. Vonden zij de verschillen toen al zo groot, neemt U het ons dan niet kwalijk, wanneer wij konstateren, dat die verschillen nu nog groter zijn geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1978

Daniel | 24 Pagina's

GROOT VERVAL IN DE GEREFORMEERDE GEMEENTEN?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1978

Daniel | 24 Pagina's