UIT ONS UITGEGAAD
Ouderling Huisman is de skribent van het hoofdstuk dat handelt over de kerkscheuring te Gouda. Zijn visie is dat „aanhangers" van ds. R. Kok, die in 1950 geschorst werd en toen uittrad, hun kans in 1953 grepen om toen dr. Steenblok aan de kant te zetten.
Mijnheer Huisman, uw verslag doet het voorkomen alsof er een van tevoren beraamde „coup" was om dr. Steenblok te wippen. Welke bewijzen hebt u voor deze beschuldiging?
In ons verweerschrift aan de Generale Synode der Geref. C-em. in Ned., gedateerd 7 juli 1953, is uiteengezet dat het onkerkrechtelijk was dr. C. Steenblok als docent te ontslaan. Nimmer is bewezen of zelfs onderzocht, zo wordt in die brief betoond, op welke wijze hij in het doceren tekort zou zijn geschoten. Het zou bij een normale gang van zaken toch zó gegaan zijn, wanneer men de voornaamste docent — die reeds tien jaar deze funktie vervulde — gaat ontslaan, dat men niet alleen verantwoording afgevorderd zou hebben, maar hem ook in de gelegenheid gesteld zou hebben om alles aan te voeren, wat tot zijn verdediging dienen kon. In de hierboven genoemde brief wordt voorts in den brede uiteengezet, hoe het ontslag tot stand gekomen is en er wordt als konklusie gezegd, dat in onderling overleg reeds tevoren de gang der gebeurtenissen was bepaald, gelijk blijkt uit de vele getuigenissen, die nadien vernomen zijn. Tevoren stond vast dat dr. C. Steenblok en de curatoren ds. Aangeenbrug e.a. uit hun funktie zouden worden ontzet.
Wanneer of waardoor is volgens u de breuk definitief geworden?
Naar mijn mening is de breuk definitief geworden toen het moderamen van de Generale Synode weigerde in te gaan op de protesten, die zowel door de gemeente Gouda als door een 37-tal iioorlopig losgemaakte gemeenten gezamenlijk waren ingediend. In laatstbedoeld stuk is er op gewezen, dat door uitstel van een bespreking de diepte der verwijdering zou uitgroeien tot een onoverbrugbare kloof. „Laten wij daarom gezamenlijk over deze zaken een bespreking openen op de voortgezette vergadering der synode", zo werd aangedrongen, „waarbij in ons aller hart de bede mocht leven, dat de Heere de muren van Sion wederom bouwen mocht en Zijn waarheid onder ons bevestigen en dat vrede en eensgezindheid onder ons mocht wonen". Dit verzoek is door de Generale Synode botweg terzijde gelegd. Men kon terugkeren met schuldbelijdenis en onderwerping aan de genomen besluiten. Op deze wijze werd een open bespreking van de zaken finaal afgesneden. Wat heeft het voor zin zaken te bespreken, waaraan men zich eerst gekonfronteerd heeft? Na schulderkenning is het zelfs niet toegestaan een kwestie opnieuw aanhangig te maken!
Het leergeschil tussen uw en onze gemeenten is dat van het welmenend aanbod van genade. De nodiging van het Evangelie komt tot alle hoorders en niet alleen tot de uitverkorenen. U wijst dit af. Kan een predikant bij u dan nog zeggen: „Gemeente, God wil niet dat iemand van u verloren gaat, maar wenst uw aller behoudenis?
Alvorens de vraag te beantwoorden is het nodig enkele begrippen wat duidelijker te omschrijven.
a) Het woord welmenend is hier niet op zijn plaats. Wie zou durven beweren, dat God iets onwelmenends zou doen of zeggen?
b) Een nodiging van het Evangelie alleen tot de uitverkorenen is eveneens onjuist geformuleerd. Als u ons standpunt wilt typeren, kunt u beter zeggen dat de nodiging alleen komt tot degenen die ontdekt zijn aan hun dodelijk ongeluk, tot de verbrokenen
van hart e.d. God maakt de Dienaars van het Woord toch niet bekend wie er uitverkoren en wie er verworpen zijn?
Wat wijzen wij dan wel af? Het algemeen en onvoorwaardelijk aanbod van genade aan alle hoorders. Dat het niet algemeen is, blijkt duidelijk uit de verklaring van de sleutelen des hemelrijks door de bediening des Woords in de Heid. Catechismus, Zondag 31. Daar wordt immers gesteld dat het hemelrijk de gelovigen wordt opengedaan en de ongelovigen wordt toegesloten. Onvoorwaardelijk is het ook niet, want de Zaligmaker is gekomen om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij is gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart enz. In de prediking mag een leraar dus niet hoofd voor hoofd zeggen, dat God aller behoudenis wenst, maar met Jesaja moet hij voorhouden: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt koopt en eet enz. In zijn verklaring van deze tekst zegt ds. A. Hellenbroek wie deze geestelijk dorstigen en hongerenden zijn en dat aan die allen de heilgoederen van het genadeverbond worden aangeboden, maar ook: aan die alléén. Hieruit moet niet worden afgeleid dat enig mens uit zichzelf die vereiste gesteldheid van het hart — die voorwaarde dus — zou kunnen teweegbrengen, maar het wil alleen zeggen dat het Gods weg is dat Hij in de harten der uitverkorenen door Zijn Geest plaats maakt voor de toepassing van de beloften van het Evangelie. Hieruit volgt dat de uiterlijke roeping primair dient om de uitverkorenen tot de zaligheid te brengen. Voor de verworpenen is ze slechts secundair: zij wijst aan wat God de mens gebiedt te doen, maar ze belooft niet dat Hij de kracht en de genegenheid geeft om die eis op te volgen. God kan als Wetgever zo handelen, daar Hij de mens goed en naar Zijn beeld heeft geschapen. Hierop legt de Heid. Catechismus ook de volle nadruk in de vragen 6 en 7. In vraag 8 met het antwoord wordt dan uiteengezet dat het wonder van Gods soevereine genade — de wedergeboorte — nodig is, zal een mens ooit bekwaam zijn iets goeds t.o.v. God of de naaste te doen.
Hoe verklaart u dan bijv. Ezech. 33 : 11, waarin staat dat de Heere geen lust heeft in de dood van de goddelozen, maar wil dat hij zich bekeert?
Bij de verklaring van Ezech. 33 : 11 sluiten wij ons geheel aan bij die van ds. G. H. Kersten, welke we vinden in zijn catechismusverklaring, zondag 31: Neen, God heeft geen lust in de verdoemenis van den mensch; nooit heeft Hij Zijn eigen schepsel gehaat, zoals Augustinus schrijft. Lust heeft Hij in de verheerlijking Zijner deugden, zowel in die van Zijn rechtvaardigheid als van Zijn barmhartigheid. O, lees toch uit de opdracht aan Ezechiël niet, dat God wil, dat alle menschen zalig worden. Indien dit Zijn onveranderlijke wil van eeuwigheid en Zijn bevel ware, wie zou Hem verhinderen Zijn wil te volbrengen. Maar al zal het tandengekners der verdoemden in de hel strekken tot de heerlijkheid Gods en tot Zijn heilige vermaking in Zijn rechtvaardigheid, evenwel heeft Hij geen lust in den dood der goddelozen. Daarvan getuigt Zijn barmhartigheid, verheerlijkt in Ziin uitverkorenen en daarvan heeft Ezechiël tot het God verlatend volk te spreken, roepend dat volk tot zijn behoudenis. En al Gods knechten is dien last opgelegd." (blz. 84, deel 2, le druk).
(Opmerking redaktie: het hier aangehaalde citaat van ds. Kersten slaat op de wil des besluits. Bij ds. Kersten is echter wel degelijk ruimte voor de wil des bevels, zie de beantwoording van de vragen 1 en 2 door ds. Rijksen).
Bij u wordt gesteld dat eerst de Wet gepredikt moet worden en pas als de zondaar daardoor verbrijzeld is, is er ruimte voer het Evangelie. Dreigt er bij u zo geen ruimte meer te zijn voor de onderscheiden wijze waarop God mensen tot bekering brengt, zoals Brakel die ons tekent in zijn „Redelijke Godsdienst".
Inderdaad staan wij voor, dat eerst de Wet gepredikt moet worden en dat niet begonnen mag worden met aanstonds de beloften van het Evangelie aan alle hoorders te verkondigen. Het citaat van ds. W. a Brakel is niet sterk als hij zegt, dat er sommigen tot bekering gebracht worden op zulk een Evangelische wijze dat zij geen tijd hebben aan hun zonden met verschrikking te denken. Justus Vermeer geeft in een predikatie over Joh. 3 : 8 eveneens verscheidene wijzen van bekering aan, maar geeft daarbij geenszins de indruk dat dit bij sommigen geheel zonder ontdekking door de Wet plaatsvindt.
Bij de meeste oude schrijvers is er geen misverstand over mogelijk, dat zij de prediking van de Wet vóór de toepassing van het Evangelie van overwegend belang hebben geacht. „Indien de bedienaars des Evangelies het geneesmiddel willen prediken vóór zij de ellende hebben aangewezen, " zo lees ik in De Gezonde Geloovige van Th. Scheppard, „wee dezer eeuw, welke verstoken zal zijn van die zegeningen, waarin de voorgaande roemden, en daarvoor den Heere dankten. Merk eens op, of degenen die het gebruik der Wet miskennen om ons tot Christus te leiden, niet bijtijds ertoe zullen vervallen, dat zij tegenstanders worden van sommige hoofddelen des Evangelies."
Ds. Ver gunst, U bent één van cle weinige predikanten in onze gemeenten, die persoonlijk de Synode van 1953 heeft meegemaakt. Daarom wil ik U graag enkele vragen voorleggen die gerezen zijn bij het lezen van „Uit ons uitgegaan".
Was de eenzijdigheid. van dr. Steenblok van dien aard, dat hij geen docent kon blijven, gezien het feit dat ook nu nog de ene predikant meer de wet predikt en een ander meer het evangelie, zoals men dat uitdrukt, ja bij dezelfde predikant de ene preek duidelijk kan verschillen van de andere?
Voorop wil ik stellen, dat de wijze, waarop de in 1953 uitgetredenen in hun recent uitgegeven boek, hun visie op d.e gang van de gebeurtenissen geven, mij uitermate heeft gegriefd.. Vanzelfsprekend heb ik er begrip voor, dat zij anders tegen de gang van zaken aanzien, dan wij, maar dat rechtvaardigt, althans niet na 25 jaar de grievende toon, waarvan in dit boek op vele plaatsen blijk gegeven wordt. Uw eerste vraag brengt ons dadelijk bij de zaak, waarover het ging, n.1. het docentschap van dr. Steenblok. Nu is het moeilijk om daarover een zodanige uitspraak te doen, als uw vraag eigenlijk wil. Dr. Steenblok verschilde als docent heel veel met ds. Kersten. Was bij de laatste een door de praktijk van jaren ontwikkelde „praktische" benadering van de studenten duidelijk aanwijsbaar, bij dr. Steenblok ontbrak deze. Hij was als wetenschappelijk geschoold man op andere wijze werkzaam. Juist door mijn eigen studie heb ik later de werkwijze van dr. Steenblok beter begrepen en ook leren waarderen. Onmiskenbaar is dat dr. Steenblok vaak over de hoofden van zijn studenten heen sprak. Dat heeft bij sommigen nogal moeilijkheden gegeven en deed het oordeel over hem als docent vaak negatief zijn. Men vond hem te droog en kon zijn uiteenzettingen niet altijd volgen. Men moet dan wel rekening houden met het feit, dat dr. Steenblok's scholing een totaal andere was dan die van hen, die hem voorgingen. Over de verhouding van „wet en evangelie" ging het niet, toen op de Synode van 1953 dr. Steenbloks docentschap aan de orde kwam; deze is ook niet aan de orde gesteld. Achteraf oordeel ik anders over de behandeling van deze zaak, als ik deed op de vergadering van de Synode zelf. Er is een beleidsfout gemaakt, die zich droevig heeft gewroken. De Generale Synode had niet, toen deze klacht legitiem ter tafe kwam, zonder meer tot een beslissing mogen komen. Het veel gehoorde verwijt: d.e zaak stond niet op de agenda, mocht dus niet ter tafel komen, is beslist onjuist. De zaak van de Theologische School stond op de agenda en naar aanleiding van een uitgebracht verslag werd over de theologische school gesproken. Dat is volstrekt legitiem. Een vraag naar het funktioneren van de docenten is op de vergadering van elke Synode gewettigd. Wat is er dan onjuist geweest? Het feit, dat men tot een beslissing kwam zonder eerst een rapport van het curatorium hierover te hebben gevraagd. Dat is wel napraten, maar dat is mijn in de loop der jaren gegroeide visie.
Op dit punt heeft de gehele Synode gefaald, ook de broeders die uittraden, want door geen hunner is zo'n rapport bepleit. We kunnen om dit feit niet heen, dat deze geforceerd genomen beslissing een verbittering teweeg bracht bij hen, die toen de Synode verlieten. Ik kan deze verbittering begrijpen, maar daarom hun heengaan niet rechtvaardigen. Of dr. Steenblok docent had kunnen blijven, zou hebben moeten blijken uit het rapport van het curatorium.
Als u nu aan mij vraagt of dat had gekund, dan zou ik nu zeggen, dat had wel mo-
gelijk geweest, al zou het voor het geheel gewenst zijn geweest, dat hij naast zich een andere docent gekregen had. Ten overvloede voeg ik er nog aan toe, dat dr. Steenblok wel bepaalde opvattingen koesterde, die hem van ds. Kersten onderscheidde. Deze hadden op het welmenende van de heilsaanbieding betrekking. Ds. Kersten huldigde deze welmenendheid. Duidelijk is dat in het laatste door hem uitgegeven werkje over „Het verbond der genade". Dat werkje heeft dr. Steenblok na de dood van ds. Kersten bewust genegeerd. Daarnaar gevraagd zijnde op de Theologische School, zei dr. Steenblok, dat het welmenend aanbod het zwakke punt in de beschouwingen van ds. Kersten was. Daarom wees dr. Steenblok ook de geschriften van Erskine en Boston af. Hij achtte deze met „een remonstrantse draad" doortrokken. Bij een hierover door mij ingebracht bezwaar, dat in 1950 op het curatorium behandeld werd, heeft hij hierover zijn spijt betuigd, al bleef hij het oneens met diverse uitlatingen van deze schrijvers. Al moeten we deze zaak ook weer niet overtrekken, toch is onmiskenbaar, dat hij deze schrijvers vrij gereserveerd tegemoet trad.
Wanneer of waardoor werd volgens u de breuk definitief?
Nadat de broeders van de Synode waren heengegaan en een grote deining in de gemeenten ontstaan was, zijn pogingen om tot herstel van de breuk te komen gedaan. Helaas was de wederzijdse broederlijke welwillendheid er niet. Er werd op kansels en vergaderingen flink geageerd; men trad georganiseerd op. In Terneuzen heeft het moderamen van de Synode nog een gesprek gehad met de uitgetreden broeders. Deze vergadering verliep stormachtig. De indruk staat nog vers in mijn geheugen. Over en weer vielen bittere verwijten. Deze samenspreking was volstrekt vruchteloos. Het feit, dat na deze vergadering gekonkludeerd werd dat de uitgetreden broeders zich aan het kerkverband hadden onttrokken, is op z'n minst aanvechtbaar, kerkrechterlijk gezien. Naar mijn gevoelen werd toen de breuk definitief. Ook kan ik begrijpen, dat toen de „uitgetredenen" werden uitgenodigd om terug te keren, maar eerst de genomen beslissingen moesten worden aanvaard, de laatste voorwaarde voor hen moeilijk te aksepteren was. Beter was het geweest de genomen beslissingen diskutabel te laten, totdat de uitgetreden broeders zich op hun Partikuliere Synoden hadden verantwoord.
U bent dus niet meer overtuigd van de juistheid, van de genomen beslissingen van toen?
In het licht van het bovenstaande ben ik er van overtuigd, dat er beleidsfouten gemaakt zijn, die we moeten betreuren. Dat is ook uitgesproken ten overstaan van hen, die heengingen, op een vergadering, die in 1965 in Rotterdam gehouden werd.
Steeds klinkt het verwijt van de kant van de uitgetredenen dat de hele affaire in 1953 een vooropgezet plan was van (gedeeltelijke) aanhangers van ds. Kok. Is dat juist?
Op deze vraag moet ik beslist ontkennend antwoorden. Van een „coup" kan geen sprake zijn. Wel is duidelijk, dat het reeds georganiseerde optreden van de uitgetredenen, vóór de scheuring, ook een onderling overleg ter andere zijde bevorderde. Over en weer gevoelde men zich bedreigd. De Generale Synode van 1949/1950, waar de latere uitgetredenen grote invloed hadden, heeft ook kerkrechterlijke misslagen begaan, die niet bevorderlijk waren voor de broederlijke omgang. De ontwikkeling van de „Goudse Kerkbode" tot een blad tegenover „De Saambinder" was symptomatisch. Ook zijn er aanwijzingen dat er broeders, die nu verwijten van „een coup" maken, in Dordrecht bijeen geweest zijn ter bespreking van hun gedragslijn. Althans waren er deze bijeenkomsten in verband met het optreden tegenover ds. R. Kok.
Ging het in 1953 nu om een leergeschil, n.l. over het welmenend aanbod van genade of niet? Ons wordt verweten alsof wij deden dat er geen leergeschil was om zo de kerkelijke goederen te kunnen behouden.
Op de Synodevergaderingen van 1953 zelf ging het niet om een leergeschil. Vanzelf viel de diskussie over het aanbod van genade niet uit de lucht. Maar, tegenover hen, die tevoren in gesprekken en overleg bezwaren uitten, dat de door de Generale Synode van 1931 met kracht beledene ernstige aanbieding van het Evangelie door
sommigen ontkend werd, is toen ook door diverse uitgetreden broeders geantwoord, dat ze daarvan niet afwilden en daaraan vasthielden!
Indien er een leergeschil over het welmenend aanbod van genade geweest zou zijn ter Synode, waar waren dan de eventuele aanklachten van de bezwaarden? Pas na de Generale Synode hebben zij een verschil van visie opgeblazen t; ot een leergeschil en het tot een identiteitskwestie gemaakt. Met een beroep op de oude Schriftuurlijke leer en eerdere uitspraken van onze Synode van 1931 valt hun standpunt niet te rechtvaardigen. Wel zeg ik, dat ik een uitspraak van dr. Steenblok, dat hij t.o.v. de Erskines gereserveerd stond eerlijker vind dan die van zijn navolgers, die krampachtig beweren dat dit welmenend aanbod van genade er niet is en desondanks Comrie, Erskine e.a. zeggen te handhaven. Laat dan het geschrift over „het Verbond der Genade" spreken dat ds. G. H. Kersten in juli 1948 uitgaf, waarin ik lees over „het algemene aanbod van het Evangelie". Onder ons wordt hierover niet anders geleerd, dan ik daarin lees. In een binnenkort te verschijnen boek, dat als weerwoord dienen moet tegenover het geschrift „Uit ons uitgegaan", zal hierop nader worden ingegaan.
Ds Mallan wijst in zijn bijdrage in het boek , , Uit ons uitgegaan" op het grote verval in de Gerei. Gemeenten. Naast de wereldgelijkvormigheid in kleding, haartooi en televisie, wijst hij vooral op het grote aantal avondmaalgangers. Waren er vroeger echt zoveel minder en was het toen zoveel beter?
De opmerkingen van ds. Mallan zou ik kunnen weerleggen. De avondmaalspraktijk heeft in onze gemeenten altijd verschild. In de tijd, waarin ds. Kersten in Rotterdam stond, waren er zeker zes tafels, waaraan toen ca. 180 avondmaalgangers kwamen. Maar in die zelfde tijd kwamen in Zeeland ook zeer weinigen ter tafel. Het is een onheilige zaak om de avondmaalspraktijk ter diskussie te stellen, omdat die in de loop der geschiedenis zeer verscheiden is geweest.
En wat de wereldgelijkvormigheid betreft, zou ik voorbeelden kunnen noemen, die het tegenovergestelde aantonen. Het is echter reeds jaren geleden, dat dezelfde klacht geuit werd, als welke nu ter sprake is. Overigens blijft er altijd veel te bestraffen.
Ds. Vergunst, hebt U nog een slotopmerking?
Persoonlijk blijf ik de breuk van 1953 betreuren, 'k Geloof dat menselijkerwijs gesproken deze had kunnen voorkomen worden. Na vijf en twintig jaren is deze alleen maar dieper geworden, helaas. Misschien dat in een toekomst, waarin de konsentratiekampen de belijders der waarheid wachten, achter het prikkeldraad we elkaar weer als broeders van hetzelfde huis willen herkennen en zoeken.
De lezers zullen begrijpen dat het onmogelijk is om bij alle gemaakte opmerkingen kommentaar te leveren. Vandaar dat ik tot slot aan onze hoofdredakteur, ds. H. Rijksen, enkele kernvragen heb voorgelegd. In het volgende nummer van „Daniël" hoopt onze hoofdredakteur op enkele zaken nog nader in te gaan.
Dominee, Wat houclt het welmenend aanbod van genade in, zoals dat in onze gemeenten wordt voorgestaan?
Ik kan op deze vraag het beste antwoorden met de woorden van onze belijdenis. In de Dordtse Leerregels lezen we in het tweede hoofdstuk, art. 5: „Voorts is de belofte van het Evangelie, dat een iegelijk, die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte aan alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof."
Ik denk ook aan het derde en vierde hoofdstuk van de D.L., art. 8, waar we lezen:
„Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstig geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord, wat Hem aangenaam is: namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en geloven de rust der zielen en het eeuwige leven."
Wanneer ds. G. H. Kersten in zijn „Korte lessen over Kort Begrip" over de uitwendige roeping schrijft, dan lezen we: De uitwendige roeping komt tot allen, die het Woord horen. Zij roept tot bekering; zij nodigt tot de zaligheid; zij biedt verloren zondaren Christus aan. God Zelf nodigt daardoor de zondaar en Hij zendt Zijn knechten, die met heilige ernst en getrouwheid, alsof God door hen bad, bidden van Christus' wege: Laat u met God verzoenen." (2 Cor. 5 : 20) Het welmenend aanbod van genade houdt dus in dat Christus aan geheel de gemeente wordt gepredikt. Dus niet een prediking, waarin Christus alleen voor verslagenen en recht ontdekte zondaren wordt gepredikt, maar een prediking, waarin Hij aan allen wordt gepredikt met bevel van bekering en geloof.
Ds. G. H. Kersten schrijft in zijn Dogmatiek (dl. 2, blz. 75): „Niemand wordt uitgesloten van de nodiging tot Christus te komen."
In iedere preek moet de dienstknecht des Heeren als het ware voor de Gemeente op zijn knieën liggen, opdat de Gemeente in hem zal herkennen de biddende God, Die zo laag afdaalt, dat Hij door Christus bidt: „Laat u met God verzoenen". Als er zo gepreekt wordt, zal het welmenend aanbod van genade funktioneren.
Op blz. 76 van „Uit ons uitgegaan" worden 3 bezwaren tegen dit leerstuk genoemd, n.l.
a. dat Gods macht zich dan niet zo ver zou uitstrekken als Zijn genegenheid, aangezien niet alle hoorders die onder het aanbad leven zalig worden.
b. dat men zo een vermogen in de mens zelf veronderstelt om dit anbod te aanvaarden of niet.
c. dat Christus' kruisverdienste niet alleen de uitverkorenen zou gelden maar ook de verworpenen, omdat ook aan hen de genade wordt aangeboden.
Wat antwoord u hierop?
Wat het eerste bezwaar tegen de prediking van het welmenend aanbod van genade betreft, dit is een puur rationalistische redenering. Puur rationeel redeneerde dr. Steenblok en in zijn spoor de „Uitgetredenen": „Als God aan alle hoorders Zijn Genade in Christus welmenend aanbiedt, dan moet het gevolg zijn, dat alle hoorders zalig worden. Alle hoorders worden niet zalig, dus bij de leer van het welmenend aanbod van genade strekt Gods genegenheid zich kennelijk verder uit dan Zijn macht."
Met deze redenering verbreekt men de spanning, waarover het Woord van God ons stelt. Gods Woord leert ons immers duidelijk twee lijnen. De ene lijn is die van Gods soevereiniteit: het is alleen genade als een zondaar zalig wordt.
De andere lijn is die van de verantwoordelijkheid van de mens: God biedt hem welmenend Zijn Genade in Christus aan. Hij roept hem door het Woord ernstig tot bekering en nodigt hem tot de zaligheid. En het is eigen schuld, als een mens daaronder verloren gaat. Deze twee lijnen zijn als de twee rails van een spoorbaan, die nooit tot elkaar komen. Wie echter één van beiden opbreekt, maakt grote ongelukken. De Remonstranten wilden het verstandelijk oplossen en zij hebben de ene rail, de lijn van Gods Soevereiniteit, opgebroken. Ds. Steenblok en zijn volgelingen hebben eveneens de spanning van Gods Woord verstandelijk willen oplossen en zij hebben de andere rail, de lijn van de welmenende aanbieding van de genade, opgebroken.
Door zo'n rationele redenering wordt God gedaagd voor de vierschaar van onze menselijke rede!
„Wie zijt gij, o mens, die tegen God antwoordt? " Alsof wij, kleine mensjes, de grote God zouden kunnen narekenen en begrijpen.
Ook in de Dordtse Leerregels laten onze vaderen deze twee lijnen naast elkaar staan en proberen zij de spanning niet rationeel op te lossen, (zie D.L. het 3de en 4de hfdst., de art. 9 en 10)
Het tweede bezwaar tegen de prediking van het aanbod van genade is, dat men zo een vermogen in de mens zelf veronderstelt om dit aanbod te aanvaarden of niet. Dit is een zeer valse beschuldiging. Op deze manier proberen de „Uitgetredenen" — die beter konden weten — ons voor Remonstranten uit te maken, wat dan ook
steeds weer gedaan wordt. De Remonstranten, die de doodstaat van de mens loochenden, leerden immers inderdaad dat de mens met zijn vrije wil in staat is de aanrading van het Evangelie op te volgen en in Christus te geloven.
Wij houden echter ten volle vast aan de doodstaat van de mens. Wanneer de mens die tot Christus geroepen wordt niet komt en niet gelooft, dan is de schuld daarvan niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept, maar in degenen, die geroepen worden. Maar als een mens, door de bediening van het Evangelie geroepen zijnde, komt en bekeerd wordt, dan is dit alleen door het onweerstandelijke werk van de Heilige Geest. (D.L. 3de en 4de hfdst., art. 9 en 10)
„De ure komt en is nu gekomen, dat doden zullen horen de stem van de Zoon van God en die ze gehoord hebben, zullen leven." Dat is de wondere kracht van het Woord Gods. Wanneer wij tot een dode zeggen: „Word levend", gebeurt er niets. Maar wanneer Christus het zegt, gebeurt het wel. Ezechiël moest op een kerkhof gaan prediken. Velen zeggen: wat een dwaasheid. Wat heeft het nu voor zin om tot dode zondaren te prediken dat ze zich moeten bekeren en geloven en ontwaken uit hun dood? Maar wanneer Christus het door de prediking van het Evangelie zegt, dan gebeurt het door de onwederstandelijke werking van Zijn Heilige Geest.
Het derde bezwaar tegen de prediking van het welmenend aanbod van genade is, dat Christus' kruisverdienste niet alleen de uitverkorenen zou gelden, maar ook de verworpenen, omdat ook aan hen de genade wordt aangeboden.
Ook dit is weer zo'n scheve, rationalistische redenering. Wanneer Christus voor één zondaar de zaligheid had verworven, had Hij niet minder kunnen lijden. Maar wanneer Hij voor de gehele wereld de zaligheid had verworven, had hij niet meer behoeven te lijden. Hij heeft gedragen de ondeelbare toorn van God tgen de zonden van het ganse menselijke geslacht. (Zondag 15 H.C.)
De beperking ligt niet in het offer van Christus, want dat is genoegzaam voor de zonden van de ganse wereld, maar in het Welbehagen des Vaders.
Ds. G. H. Kersten schrijft in zijn Dogmatiek (dl. 2, blz. 75): Niemand wordt uitgesloten van de nodiging tot Christus te komen; niemand wordt om de grootheid van zijn zonde afgewezen; in Christus is een eeuwige gerechtigheid, genoegzaam tot verzoening van de zonde der gehele wereld. Hij vermag te verlossen en Hij zal verlossen, ieder, die Zijn sterkte door genade aangrijpt. (Rom. 5 : 15) Hoeren en tollenaren zelfs wordt de ingang in het Koninkrijk der hemelen geopend (Matth. 21 : 31) Alleen de vijandschap, die in ons van nature heerst, verhindert ons tot Christus te komen.
Joh. 5 : 40: Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben." Hoe rechtvaardig zal dan het oordeel Gods zijn over allen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn.
1 Petr. 4 : 17: Want het is de tijd, dat het oordeel begint van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welke zal het einde zijn van degenen, die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn? " Zij komen om door ongeloof. Hebr. 4:1, 2 Hebr. 2 : 3."
Dhr. L. M. P. Scholten gaat ook in op dit leerstuk en zegt dan op blz. 179: „Gods genade in Christus wordt in en door deze prediking aan alle hoorders gelijkelijk aangeboden. En de aanbieding is de grond voor de aanneming." Die tweede zin lijkt mij een verkeerde interpretatie?
......Dit is inderdaad een slag in de lucht. Ik zou liever zeggen: de aanbieding is de middellijke weg, waardoor de Heere door de onwederstandelijke werking van de Heilige Geest wil brengen tot de aanneming.
Welke bijbelse argumenten hebt u voor dit leerstuk van het welmenend aanbod?
Bij de beantwoording van de vorige vragen heb ik al verschillende teksten genoemd. Ik noem verder nog: oh. 3 : 36, 2 Thess. 1 : 8, Matth. 20 : 16 en 22 : 14, Mattth. 28 : 19 en Markus 16 : 15.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1978
Daniel | 24 Pagina's