JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE CHRISTELIJKE HOOP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CHRISTELIJKE HOOP

8 minuten leestijd

(n.a.v. 1 Petrus 1 : 3-9)

De hoop heeft de mens door alle tijden bezig gehouden. Hopen hoort bij het menszijn. Hoop doet leven, zeggen we. Als het ons niet goed gaat, hopen we dat het in de toekomst beter zal gaan. Tegelijkertijd voelen we dat zodra we zo van hoop spreken er een element van onzekerheid in is. We komen met onze hoop zo vaak bedrogen uit. Het blijkt een huis der spinnekoppen te zijn. Het heeft geen fundament. Deze hoop heeft ten diepste altijd de wanhoop om zich heen.

In de Bijbel wordt ook veel over de hoop gesproken. Dat is een geheel andere hoop. Daarin is wel zekerheid. Want deze hoop is gericht op de Heere en op Zijn Woord. We kunnen niet beter doen dan naar dat Woord luisteren als we met elkaar nadenken over de hoop. We doen dat aan de hand van het bovengenoemde schriftgedeelte:1 Petrus 1 : 3-9.

Leven doet hopen

Zoals Paulus de apostel van het geloof, Johannes de apostel van de liefde, zo wordt Petrus wel de apostel der hoop genoemd. In deze zendbrief staat de hoop centraal. Petrus richt zijn brief aan de verstrooide christenen (vreemdelingen!) die in bepaalde streken van het tegenwoordige Klein-Azië woonden. Zij hadden te lijden omwille van hun geloof. Het doel van deze brief is de gemeenten te bemoedigen door hen te wijzen op de Drieënige God en op wat ze in Hem mogen hebben. Ook om hen op te wekken hun hoop op God te stellen, en Gode waardig te wandelen.

In vers 3 wordt de God en Vader van onae Heere Jezus Christus geloofd. Daar moeten we op letten. We zouden, verwachten dat Petrus begint met het lijden van de gemeenten ter sprake te brengen. Dat is echter niet zo. Petrus begint daar waar de oorsprong der zaligheid ligt: bij de Heere. Hij wordt geloofd om de gave der wedergeboorte. Door de wedergeboorte heeft men deel gekregen aan het leven der hoop. Voorheen stonden ze daar buiten. Zonder God en daarom zonder hoop in de wereld. Verschrikkelijk is dat. Zo is het met ons allen van nature. En we blijven daaronder nog onbewogen ook, tenzij de Heere ons stilhoudt. Dat doet Hij in de wedergeboorte. Als de Heere zondaren bekeert dan gaat dat geheel van Hem uit. Naar Zijn grote barmhartigheid, zo lezen we. Daarom is er nog grond de Heere te bidden om de waarachtige wedergeboorte.

Het gevolg van de wedergeboorte is een levende hoop. Dat is hoop op leven. Hèt leven: Jezus Christus die de Opstanding en het Leven is. Hij is het voorwerp der hoop voor allen wier toestand in eigen waarneming hopeloos is geworden.

Christus wordt hier hoog verheven. Als Hij niet in het middelpunt gesteld wordt zo zullen wij Gods goedheid nimmer recht begrijpen, schrijft Calvijn bij deze tekst. Ziende op Hem komt er in het hart van Gods kind een levende hoop. De hoop ontspringt aan het door God geschonken leven en is gefundeerd op de waarheid van de opstanding van Christus.

Hoop doet leven

De hoop is nauw verbonden met het geloof. Wat Gods Kerk bezit, bezit ze in het geloof. En dit geloofsbezit wijst weer boven zichzelf uit naar de hemelse erfenis. Dat uitzien naar en verwachten van wat nog uitstaat noemen we hoop. In vers 4 wordt gesproken van een erfenis. Dat is een bekend woord in de bijbel. In het Oude Testament is het land Kanaan Israëls erfenis. In het Nieuwe Testament is er voor de gemeente des Heeren ook een erfenis. Het volk Gods leeft nu in het laatste

der dagen, in de tijd tussen Hemelvaart en Wederkomst. De erfenis wordt in de hemel bewaard, bij de Heere. In Christus, die opgevaren is en zal wederkeren, is die erfenis gegarandeerd. In Hem is ze veilig gesteld. Niemand kan er aan komen. De duivel niet, de wereld niet en de mens niet. Deze erfenis weerstaat de tand des tijds, is verheven boven alles wat zonde is en behoudt altijd haar glans en schoonheid (vers 4). De inhoud van deze erfenis kan in één woord worden omschreven: zaligheid (vers 9). Dat is: God alles in allen. Het Lam in het middelpunt. De Drieënige God verheerlijkt op de aarde en in de hemel. Dat is nu reeds het verlangen van Gods kinderen geworden. In beginsel, straks volkomen. Het reikhalzend verlangen naar die volkomenheid maakt de hoop uit van hen, die de Heere lief hebben gekregen.

Waar een erfenis is, is ook een testament. Daarin staat de wilsbeschikking van de Erflater, Christus, met betrekking tot de erfenis en de erfgenamen. Wat is het een uitnemend voorrecht als daar je naam in mag staan. Dan heb je alles ook al ben je zelf straatarm. „Voor u", staat er in vers 4. Zo persoonlijk. Wat een liefde en tedere zorg ligt daarin. Wat een wonder om daarin te mogen delen. Wat groot als de Heere daar werkzaamheden mee geeft door de leiding van Zijn Heilige Geest. Dan wordt er een gebed in ons hart geboren: Geef dat mijn oog het goed' aanschouw', 't welk Gij uit onbezweken trouw, uw uitverkoor'nen toe wilt voegen.

Het leven van de hoop

Voor de vreemdelingen aan wie deze brief geschreven is, is het hier het land der ruste niet. In deze bedeling is er de strijd, de verzoeking en de beproeving. Onder verzoeking verstaan we het lijden omwille van het geloof (vers 6 en 7). Het is een opgelegd lijden, vanwege het deel hebben aan Christus die geleden heeft. Door het lijden wordt het geloof beproefd. Het geloof van ieder kind des Heeren heeft loutering nodig. Opdat alles van de mens uitgezuiverd wordt. Zo zien we dat de heiligmaking nauw verweven is met het leven der hoop. Een ieder die deze hoop op God heeft reinigt zichzelf gelijk Hij rein is. Gods kinderen zijn in het leven der hoop als de bruid die zich toebereidt op de ontmoeting met haar bruidegom. De loutering brengt ook de echtheid van het geloof aan het licht tot meerdere glorie van Christus (vers 7). In de dag der dagen, bij Christus' Wederkomst, zal al het werk dat Hij aan Zijn Kerk ten koste heeft gelegd, ook in de beproeving en in het lijden, reden geven Hem te meer te prijzen.

Toch geeft het lijden ook droefheid. De mens blijft mens. Er is immers de strijd. De duivelse machten strijden met Christus op het erf van de gemeente. Op het slagveld is het gevaarlijk. Je kan er verwond of meegesleept worden. Maar temidden van dat alles wordt de gemeente des Heeren bewaard in de kracht Gods (vers 5). Zoals de erfenis in de hemel bewaard wordt, zo ook de erfgenamen op de aarde. Letterlijk staat er voor bewaren: bewaakt worden. De Heere Jezus bewaakt als de Goede Herder Zijn kudde. Ook als de wolven er op af komen. Ook als droefheid dreigt te overmannen. Dan mag het oog des geloofs wel eens geslagen worden op de Heere en Zijn beloften. „Hoop op God", zegt dan de dichter van psalm 42. Gods kracht is altijd groter dan die van de vijand. Wat Zijne liefde wil bewerken ontzegt Hem Zijn vermogen niet. Daarom reist de strijdende pelgrim zijn weg toch niet alleen. Hij heeft een Heere in de hemel en een testament (Gods Woord), waarin hem de hemelse erfenis is beloofd. Ziende daarop wordt het geloof levend en wordt de liefde gaande gemaakt. Dan is er ook vreugde, temidden van de droefheid. En tegelijk, juist door de voorsmaken, een verwachten van het einde (doel) des geloofs: de volkomen zaligheid. „Als gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn".

Hoe meer Gods kind de voorsmaken van die zaligheid heeft, hoe sterker het verlangen om „volkomen te genieten de beloften Gods in Jezus Christus, onze Heere" (art. 37 N.G.B.). Alles in het leven van het geloof gaat vragen om de vervulling der hoop. Als die grote dag is aangebroken dan neemt de pelgrim afscheid van het geloof en de hoop. Dan blijft de liefde. De reiziger naar het hemelse Kanaan is dan thuis gekomen. Vol verwondering roept hij het uit: „De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja, een schone erfenis is mij geworden".

Gespreksvragen

1. De Bijbel spreekt vele malen en op onderscheiden wijze over de hoop. Ga aan de hand van een concordantie een aantal Schriftplaatsen na.

2. Het beoefenen van het leven der hoop houdt niet in een verzaken van de aardse plicht. Bespreek een aantal plaatsen uit de le Petrusbrief waaruit dit blijkt.

3. Denk eens na over de verhouding tussen geloof en hoop enerzijds en van hoop en liefde anderzijds. Let op 1 Petrus 1 : 8, 9.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1978

Daniel | 24 Pagina's

DE CHRISTELIJKE HOOP

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1978

Daniel | 24 Pagina's