HOOP
't Was wel even wennen op de nieuwe school. Het gebouw zelf, de omgeving, de leraren en leerlingen. Vrij snel paste Roel zich aan, voelde zich na enige tijd echt „erbij horen", wist geaccepteerd te zijn. De onderlinge sfeer in de klas was goed. Tijdens de pauze hadden ze vaak plezier, andere keren waren ze zo verdiept in een felle discussie, dat ze de tijd vergaten. Ook Roel nam dikwijls aan die discussies deel. Gedachtenwisselingen over de meest uiteenlopende onderwerpen, vaak naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen, in binnen-of buitenland. Als het ging over zaken die Roel niet persoonlijk raakten, dan kon hij z'n mening duidelijk formuleren. Dan vóélde hij zich. Lokte tegenwerpingen uit en genoot ervan anderen van z'n gelijk te overtuigen. Nooit echter gingen ze met ruzie uit elkaar, hoewel de pro's en contra's soms fel over en weer gingen. En dat waardeerde hij. Hij voelde zich de gevierde als anderen zijn mening overnamen. Dat gaf hem een gevoel van bevrediging. Maar degene die dikwijls dat gevoel tot minimale proporties terugbracht, was Elise, een klasgenootje van hem. Elise, klein, rustig, beslist niet knap, maakte Roel ónrustig. Elise had niet veel woorden nodig om haar mening te zeggen, ze drong zich nooit op de voorgrond, maar ze had iets waarom Roel haar benijdde. Een innerlijke zekerheid, die hij miste. Iets wat hij met alle geweld trachtte te verbergen en wat hem tegenover z'n klasgenoten nog lukte ook. Maar soms had hij de gedachte dat Elise merkte dat z'n zekerheid een camouflage-laagje was. Dat ze echter óók wist dat hij het „gevierd" zijn in de klas nódig had. Meestal schudde hij die gedachte van zich af. Hij onzeker? Onzin, hij wist wat hij wilde. Was dat werkelijk zo? Er waren vragen in z'n leven waar hij niet uit kon komen. Over God, over de zin van het leven. Studeren? Waarom eigenlijk? Wie garandeerde hem een baan? — Hoop doet leven —, zei z'n vriend Edwin. Hij reageerde er niet op. Hij hield niet van dat woord. Hoop! 't Was niet wezenlijk, niet konkreet, niet tastbaar.
Tijdens een lome zomermiddag zaten ze met een groepje op 't grasveld voor 't hoofdgebouw. De laatste schooldag voor de vakantie. „Nog een jaar en onze groep valt uiteen. Volgend jaar examen jongens!" Niemand maakte zich er druk om. Volgend jaar, dat lag nog zo ver in 't verschiet! Bovendien was 't te warm om over
examens te denken. De vakantie kwam ter sprake en wie er over begon, kon Roel zich later niet meer herinneren, maar opeens ging het over toekomstplannen. Een baan, een studierichting. Roel voelde dat gevoel van onzekerheid weer over zich komen. Als ze hem naar z'n toekomstplannen vroegen, zou hij 't antwoord schuldig moeten blijven. Nou en dat was toch geen schande? Hij was niet de enige. Maar hij wist Elise naast zich. Elise die, daar was hij van overtuigd, haar plannen al definitief gemaakt had. Hij luisterde naar de anderen, hield zich met opzet buiten het gesprek. Hij slaakte een zucht van verlichting toen de pauze om was. Gelukkig, niemand had hem iets gevraagd. Langzaam slenterden ze naar school terug. En opeens kon Roel zich niet meer inhouden. Hij wilde het weten. „Wat zijn jouw toekomstplannen? " vroeg hij Elise die naast hem liep. Hij keek haar niet aan. „Ik hoop de verpleging in te gaan", klonk de rustige stem van Elise. „Ik hoop, niet ik ga, nee, ik hóóp! Wat een afhankelijk kind", zei hij sarcastisch.
Even keek hij snel opzij en zag de bezeerde ogen van het meisje. Waarom deed hij zo? Hij gaf haar geen gelegenheid om zich te verdedigen en sneerde, z'n gezicht van haar afgewend: „En mejuffrouw wil verpleegkundige worden. Je bent nogal zeker van je zaak. Denk je dat aan te kunnen? De opleiding en allerlei problemen waar je mee te maken zult krijgen, euthanasie, abortus, sterilisatie enzovoorts. Jij hebt een ideaal-beeld van de lieve zuster voor ogen, die zó goed voor de patiënten zorgt, hen een glaasje water brengt en de kussens opschudt. Jij bent vervuld met idealisme. Maar ideaal en werkelijkheid stroken niet met elkaar. Met jouw idee van de verpleging zit je er goed naast. M'n broer loopt momenteel stage in een ziekenhuis, 'k Hoor hem wel eens aan als hij z'n hart lucht. Dat de zieken geen mensen meer zijn, maar nummers. Dat het persoonlijke kontakt meer en meer verdwijnt. Dat de technische middelen een steeds grotere taak gaan vervullen en zo het werk van het verplegend personeel voor een groot gedeelte overnemen. Jij hebt medelijden met de zieken. Maar wat heb je daaraan? Je kunt tegen een patiënt die ongeneeslijk ziek is, toch niet zeggen: De moed niet verliezen hoor, u wordt wel weer beter. Hoe kun je hoop geven aan de hopelozen? Bedenk je nog maar eens goed".
Zo, had hij dat gezegd! Daar was toch geen speld tussen te krijgen! Elise, dat zachte kind, zou het in de verpleging nooit volhouden.
Zwijgend had Elise naast hem gelopen, hem niet één keer in de rede vallend. Zwijgend gingen ze door de hal naar binnen. Hij had haar gekrenkt, diep gekrenkt. Waarom deed Roel zo? Zo kende ze hem niet. Maar wat wist zij ervan dat hij zich wilde „handhaven" tegenover haar? Dat hij, de onzekere wat z'n eigen toekomst betrof, haar die zekerheid ontnemen wilde? Dat hij gewild had dat ze gezegd had: „Ik weet nog niet wat ik ga doen na m'n eindexamen". Dat hij haar beschermen wilde, en onbewust tegelijk ook steun zocht bij haar, met haar spreken wilde over de toekomst, hün toekomst. En met enkele woorden had Elise hem rustig verteld dat ze haar toekomstplannen voor de eerste jaren al gemaakt had. En dat nam Roel niet. Hij wist dat hij onredelijk was, dat hij bewust kwetste, bewust iets tussen hen verbrak. Iets dat nog geen naam had, dat hij nog geen naam had durven geven, maar waar hij wel op hoopte, iets moois, iets teers. Na deze krenkende woorden van hem zou Elise nooit meer met hem te maken willen hebben.
Na schooltijd zei hij ongeduldig tegen Edwin: „Schiet nou toch op joh!" „Wat heb jij? " vroeg z'n vriend verwonderd, „wat doe je ongezellig man, blijf nog even nakletsen". Roel weigerde pertinent. Samen reden ze naar huis. „Gelukkig in wéken geen school meer", juichte Edwin. „En geen Elise" mompelde Roel. „Wat zei je? " vroeg Edwin. „O niets", was het onverschillig antwoord. Géén Elise. Het speet Roel én hij was er blij om. Hij wanhoopte én hoopte. Wonderlijke tegenstrijdigheid.
„Voor jou", zei moeder en ze overhandigde hem een smalle lichtblauwe envelop. Ze vroeg niets, maar toch las hij een vraag in haar ogen. Hij kreeg een kleur als vuur toen hij de envelop aanpakte. Z'n broer bukte zich snel om te kijken naar de afzender. Z'n ogen vertoonden pretlichtjes toen hij plaagde: „Niet für Elise, maar van Elise. Je uitverkorene heeft een mooie naam Roeit je! M'n schoonzusje Elise, hoe klinkt dat moeder? Offe er is natuurlijk nog een mogelijkheid, waar ik zo gauw niet aan dacht. Laat ze je soms een blauwtje lopen in die blauwe envelop? " Roel maakte snel dat hij wegkwam, hoorde z'n moeders stem op de achtergrond, blijkbaar z'n broer vermanend om hem niet zo te plagen. Hij hield de brief stijf in z'n hand
geklemd. Zorgvuldig sloot hij z'n kamerdeur en bleef eerst wat verwezen op bed zitten, voor hij de brief openmaakte. De aanhef was heel simpel: Roel, zo zeker van mezelf ben ik niet. Ik heb zelfs de moed niet om je persoonlijk te zeggen wat ik je nu wil schrijven. Misschien omdat ik bang ben voor jouw cynisme (hoewel ik wéét dat je anders bent). Ik weet heus wel wat me in de verpleging te wachten staat (in theorie), 'k Heb hier en daar m'n licht opgestoken. Op drie opmerkingen wil ik ingaan. Je zei dat de technische middelen een steeds grotere plaats innemen bij de verpleging van patiënten. Ik las iets dat als antwoord kan dienen: Bij technisch werken is liefde de finishing touch. Je „verweet" me medelijden met zieken te hebben. M'n oma is een nuchtere vrouw. Zij heeft ons altijd voorgehouden: Medelijden is slechts hol gepraat, medeleven vindt de meeste baat. En tenslotte: Hoop geven aan hopelozen, nee, dat kan ik niet. Maar verplegen is de mens zien in z'n totaliteit, lichamelijk en geestelijk. In de Bijbel staat dat er zovelen zijn die zonder hoop en zonder God in de wereld zijn. Maar er staat ook: Dient den Heere. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed en daartussenin staat: Verblijdt u in de hoop. De meeste mensen willen leven, hopen op gezondheid, beterschap, maar het belangrijkste is dat „het geloof en hoop op God zijn zou". Dat kan ik hun niet geven, maar ik bid de Heere of Hij me door genade ware liefde voor m'n naasten wil geven, om als Zijn instrument dienstbaar te zijn. Om hopelozen te geven. Elise.
Lang staarde Roel voor zich heen, z'n gedachten „vermenigvuldigden" zich.
Hij las en herlas de brief. O, om Elise te kunnen vertellen over z'n onzekerheid waarover dat bedrieglijke laagje zekerheid lag. Over z'n agnst voor de toekomst om als toeschouwer te moeten blijven toekijken, zonder zelf ingeschakeld te worden in 't arbeidsproces. Hoop doet leven, zei Edwin. Ik hoop in de verpleging te gaan, zei Elise. Deo Volente! Hoop, wat een wonderlijk woord toch. Voor de één betekende het zich vastklemmen aan een strohalm, voor de ander had het een basis als onderpand. Ook al werd het aarzelend uitgesproken, het bevatte toch altijd iets van vreugde, van troost. Als tegenpool van wanhoop, van hopeloosheid. Hij zocht z'n Bijbeltje op. Vreemd, dat een meisje hem tot Bijbellezen „dwong". Wat zocht hij in de Bijbel? Zo goed was hij er niet in thuis. Bijbellezen was iets dat er nogal eens bij „inschoot". Hoop voor hopelozen? Ja, voor schuldigen, voor hopelozen was er het antwoord: Hoop op God, sla 't oog naar boven.
Zou Elise, na hetgeen hij haar zo cynisch toegevoegd had, nog met hem te maken willen hebben? Met haar zou hij een echt gesprek willen hebben. Praten over dingen die hem persoonlijk raakten. Oók over een woord als hoop, dat hij voorheen van zich afschoof als niet konkreet, niet tastbaar. Niet bestaand? Toch wel, soms zichtbaar in de ogen, in een stem, een gebaar, soms in 't verborgen aanwezig. Zou Elise ? Roels hoop herleefde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1978
Daniel | 24 Pagina's