DE LIEFDE
De liefde wordt in 1 Kor. 13 getekend in haar wezen, dus wat liefde is en waarin zij tot uiting komt. Maar ook in haar nauwe relatie met het geloof en de hoop. Ten opzichte van deze twee wordt ze zelfs de meeste genoemd.
Nu is ze dat niet omdat het geloof en de hoop maar tijdelijk zouden zijn en de liefde blijvend. Want waar de liefde is blijft het geloof en ook de hoop. Gods Woord zegt van de liefde dat ze alle dingen gelooft en alle dingen hoopt. En waar de liefde niet eindigt, eindigt ook niet de hoop en ook niet het geloof.
Het kennen en het vertrouwen van het geloof zal ook in de hemel voor Gods Kerk aanwezig zijn: een volmaakte kennis en een volmaakt vertrouwen. Nooit zal God gewantrouwd worden. Het geloof gaat over in aanschouwen, maar het kennen en vertrouwen zal toch eeuwig blijven.
Zo gaat het ook met de hoop. Ze zal vervuld worden in de heerlijkheid. Maar er zal een vaste hoop blijven dat de heerlijkheid tot in eeuwigheid zal voortgaan. Geloof en hoop leggen dus niet hun wezen af maar wel de bepaalde vorm die ze in de tijd hebben.
De meeste is de liefde
Maar waarom is de liefde de meeste? De liefde is het hart van het geloof en van de hoop. Ze is fundamenteel, ze draagt en beheerst alle verhoudingen, ze geeft een levensrichting aan. Als het geloof mag geloven en als de hoop mag leven, is dat nooit zonder de liefde.
Het geloof zonder liefde is een vals geloof: een klinkend metaal, een luidende schel. Zo is ook de hoop zonder de liefde niets: het zou slechts een zelfzuchtig begeren, een hoop uit baatzucht zijn. Alles is zonder waarde zonder de liefde.
Wanneer we nu zien welke betekenis het woord „liefde" in de Bijbel heeft, zien we dat allereerst gesproken wordt van Gods liefde. Die komt bijzonder tot openbaring in het zenden van Zijn Zoon. God heeft op een zodanige wijze lief, dat Hij Zijn Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons alles overgegeven (Rom. 8 : 32). Dit liefhebben Gods waaruit het heilsplan der verlossing voortkwam is een verkiezend liefhebben: ij heeft lief die Hij wil.
De liefde vindt haar oorsprong in God, ze komt niet uit de mens voort maar wordt als gave aan de Zijnen gegeven. Het is een gave van de Geest, Ze is a.h.w. een weerspiegeling van het liefhebben Gods en vertoont hetzelfde kenmerk van offerbereidheid en dienstvaardigheid.
Van nature zijn we zulke liefhebbers van onszelf, dat wij God haten. In de genade wordt de Heere zo beminnelijk, dat we een walg krijgen aan onszelf. De liefde Gods moet ons daarvoor als overmannen, zodat we het er niet tegen uit kunnen houden. Door de liefde worden we herboren: we krijgen God lief zoals Hij is, ook Zijn heiligheid en gerechtigheid.
Deze liefde komt op verscheidene wijzen openbaar n.1.
— in de liefde van de kennis; — in de liefde van het gemoed; — in de liefde van de daad.
Deze zijn niet te scheiden, maar mogen onderscheiden worden.
De liefde van de kennis
De liefde in het geheiligd denken komt tot uiting in de belangstelling en in de betrokkenheid op het Woord van God. Wie ooit daarin zijn lust genoot, doorzoekt die ijverig en bestendig. Wie God liefheeft, heeft Zijn Woord lief, verlangt Hem te kennen en meer en meer te mogen kennen. Het is de belangstelling der liefde waarmee telkens Zijn Woord wordt onderzocht en naar Zijn Woord wordt geluisterd. We ver-
langen te weten Wie God is en we verlangen er naar Hem ook in Zijn werken in natuur en genade te mogen kennen.
Het is met de liefde tot de Heere slecht gesteld als er geen lust is tot het onderzoek, lezen, indenken en uitspreken van wat God ons geopenbaard heeft. „Mijn volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft", zegt de Heere. Dit is geen intellectualisme in de dienst van God, maar een drang naar het Woord van God te onderzoeken.
Het is mijn hartelijke wens dat deze liefde de drijfveer mag zijn van het onderzoek der Schriften, dat op de verenigingen gebeurt.
De liefde van het gemoed
Daarnaast is er ook de liefde van het gemoed. Hiermee bedoel ik het verborgen gemeenschapsleven met de Heere, die uit de vereniging met Christus voortvloeit. De band van de Heilige Geest en van het geloof trekken naar de Heere en doen naar Zijn gemeenschap verlangen. Het is de liefde die God doet beminnen om Hem Zelf, niet allereerst om Zijn gaven. Het is zich verlustigen in God in grote vrede. „Het is mij goed nabij God te wezen", zegt Asaf.
Daarmee is alle Deisme afgewezen: wel een God boven ons, maar niet in ons. Maar ook het Pantheisme: waarbij het onderscheid tussen Schepper en schepsel wegvalt. Er is geen opgaan in God, geen opgelost worden in Hem. Maar door Christus is er een nauwe vereniging met God; die door het geloof gekend wordt en waar door de liefde naar verlangd wordt.
De middelen om die te verkrijgen en te vermeerderen zijn: het gebed, het lezen en het horen van Gods Woord en het bezig zijn met geestelijke zaken. Denk ook aan het bekende woord: voegt u bij de God-gezinden, wie weet u mocht er Jezus vinden.
Vooral het nauwe gebedsleven is middel om te mogen ervaren wie de Heere voor ons is, maar ook het lezen en horen van Zijn Woord. Liefde vraagt ontmoeting, de liefde roept om de ervaring van de liefde. Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond. Verstaan we het woord van Asaf: Wien heb ik neven U in de hemel? Nevens U lust mij niets op de aarde? Hartelijk zal ik U liefhebben, Heere mijn Sterkte?
Door deze liefde leeft juist het verlangen in ons: te mogen weten of het wel werkelijk Gods werk is, dat in ons is verheerlijkt. Dan hebben we God en de waarheid te lief dan dat we onze ziel aan misleiding zouden wagen. Deze zelfbeproeving is nuttig en nodig omdat het werk der genade er vaak door wordt verdiept en vermeerderd. Wie in deze niet leert zijn ziel te verliezen door haar over te geven aan de toets van het Woord, om het even hoe de uitkomst zal zijn, zal haar ook niet behouden.
De liefde van de daad
Tenslotte komt ook de liefde openbaar in de daad, in de nieuwe gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid uit liefde is de kern van onze rechte verhouding tot de Heere. Ze openbaart zich in de liefde tot God boven alles en de naaste als onszelf.
Die tot God bekeerd wordt vraagt: wat wilt Gij Heere, dat ik doen zal? Het maakt ons juist zo ongelukkig dat we niet voldoen aan wat de Heere, Die zo dienenswaardig is, van ons vraagt. Dan verlangen we naar bekering, naar vernieuwing. Om van de zonde af te komen en tot eer van God te mogen leven.
Helaas blijkt onze bekeringsinspanning zo weinig vrucht af te werpen. Maar door de nood die daardoor ontstaat wordt de behoefte aan een Borg, Die door Zijn Geest vernieuwt en tot een nieuw leven doet opstaan, gewekt. Denk aan Paulus: dat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding.
En zo worden we weer gebracht bij de Bron van de liefde, de Heere Zelf. Ook kunnen we uit Gods liefde leren wat liefde is. Hoe dichter bij God, hoe dichter bij de liefde: de trekkende liefde des Vaders, de stervende liefde van de Zoon en de liefde van de Heilige Geest in het toepassen van Christus' arbeid.
Dat is een liefde die het stenen hart doet verbreken en die een sterke wederliefde opwekt, waardoor we onszelf leren verloochenen. De liefde zal de band der zalige gemeenschap zijn in het eeuwige leven.
Kennen wij die liefde en komt ze tot uiting in ons leven? Waaruit komt ons godsdienstig bezig zijn voort? Mogen we Petrus nazeggen: Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik U liefheb?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1978
Daniel | 24 Pagina's