GERTS OVERWINNING (2)
't Is nacht
't Is nacht. Ook in de grote kantine van de limonadefabriek, die op een afstand van zes a zevenhonderd meter van de kleuterschool staat. Er brandt volop licht in de kantine. Hier is het krisiscentrum van de regering. Hier vergaderen de minister-president, de minister van Justitie en hun medewerkers. Hier zitten de journalisten en lopen de fotografen rond. Hier komen de berichten binnen en spreken de onderhandelaars met de Molukkers in de kleuterschool. 't Is nacht, ja, maar in de kantine slaapt niemand.
Nog een halve dag en dan . . .
Drie dagen en nachten zijn voorbijgegaan. Dagen van spanning, nachten vol onrust. De gijzelaars hebben een ultimatum gesteld. Morgen om halftwee loopt het af. Zijn hun eisen dan niet ingewilligd, dan zullen ze één lokaal van de school opblazen met alle gevolgen van dien. Koortsachtig wordt onderhandeld, in het krisiscentrum staan de telefoons roodgloeiend. In de bouwkeet verbijten de militairen hun ongeduld. Als 't aan hen lag, dan stormden ze er op af. Maar ze weten het, ze zouden de levens van al die kinderen en hun jufs in gevaar brengen. Nog één nacht, nog één halve dag en dan
Laat je waarschuwen Gert
Gert is weer beter, hij is al buiten geweest. Samen met Hektor is hij in de richting van de kleuterschool gelopen. Hij kwam niet ver. Aan het eind is de Staringlaan afgesloten. Je kunt het schooltje niet eens zien liggen. Hij is niet de andere kant van de laan ingelopen. Dan moet hij voorbij Joops huis, Z'n ergste woede is bekoeld. Vader heeft ernstig met hem gepraat. „Wat jij daar doet Gert is niet goed. Ik weet ook niet waarom Joop weggereden is. Hij geeft er geen antwoord op als je 't hem regelrecht vraagt. Maar jongen, wat jij nou voedt in je hart, dat is de haat. En dat is gevaarlijk Gert. Denk toch eens aan Kaïn. De Heere waarschuwde hem voor de zonde, die aan de deur van zijn hart lag. Laat je waarschuwen Gert. Haat is van de duivel. Wat die mannen doen is vreselijk. Maar jij mag ze niet haten, vraag of God ze bekeren wil jongen". Onverschillig had Gert de kamer uit willen lopen, maar toen hij even
naar moeder keek, was hij stil blijven zitten. Wat was ze bleek, wat zag ze er slecht uit. „Ik, ik vind het alles zo moeilijk'', had hij zacht gezegd. „Ik, ik kan ze niet liefhebben, ik haat ze allemaal." „Allemaal Gert? " had moeder zacht gevraagd. „Toen Korach, Dathan en Abiram opstandig waren en de Heere het hele volk wilde doden, vroeg Mozes: „Heere om de zonde van een enig man zoudt Gij daarom het hele volk straffen? " Wat die gijzelaars doen is heel, heel erg, maar jij mag er een heel volk niet om haten. Ga morgen eens naar Joop toe. Hij is al die dagen ook niet naar school geweest. Niet omdat hij niet naar school wilde, maar de direkteur vond het beter dat hij thuis bleef, 't Is niet ongevaarlijk voor hem om op straat te komen. Er zijn er meer Gert, die hem en zijn volk haten. Toe, ga naar hem toe. Wie zichzelf overwint is sterker dan die een stad inneemt."
Onrustig
Voor de vierde keer maken de drie jufs alles klaar voor de nacht, 't Is heel wat beter nu, dan de eerste keer. Er zijn dekens gekomen en schone handdoeken en zeep. Er is nu eten en drinken en ekstra speelgoed. Maar 't wordt niet gemakkelijker de kinderen bezig te houden. Juffrouw Anneke heeft de hele dag al hoofdpijn en de spanning dreigt haar te veel te worden. Juffrouw Gerda heeft na het eten voor alle kinderen een verhaal verteld, nu mogen ze allemaal het mooie verhaal tekenen, 't Gaat over Petrus, die uit de gevangenis verlost is. Het is de hele dag onrustig geweest. Tweemaal hebben de gijzelaars geschoten, toen er naar hun zin te veel geloop was bij de grote bouwkeet. Onderling hebben ze onenigheid gehad en er zijn harde woorden gevallen. De kinderen waren lastig. Ze kibbelden, huilden en jengelden voortdurend. Onrustig is het ook in de natuur. Het stormt en felle regenvlagen kletteren tegen de ruiten. De ramen van het grote speellokaal zijn met vellen tekenpapier dichtgeplakt. In de lokalen zijn dag en nacht de gordijnen dicht. Een raampje op de gang slaat met een irriterend geluid open en dicht. Eén van de mannen heeft het proberen vast te zetten, maar zonder veel resultaat. Na een uur stond het weer te klapperen. In één van de lokalen is lekkage en op de hoek naast de ingang klatert met veel lawaai het regenwater over een verstopte dakgoot. Onrustig is het ook in het hart van juffrouw Anneke en de beide andere kleuterleidsters. Stil zitten ze bij elkaar in de speelzaal, die flauwtjes verlicht wordt door twee kaarsen, die met hun flakkerende vlammetjes het donker proberen op te klaren. Als de mannen morgenmiddag zullen doen wat ze aangekondigd hebben, waar zullen de kinderen dan veilig zijn?
Mag ik Joop even?
Gert is aan 't vechten, aan 't vechten met zichzelf, de handen in zijn zakken loopt hij met grote stappen de kamer op en neer. Vader en moeder zijn boven. Ze proberen wat te slapen. Gert bijt op z'n lip als hij aan zijn moeder denkt. Wat ziet ze wit en wat is ze mager geworden. Allemaal de schuld van die ellendi Hier stokken zijn gedachten. Zie je, hij wint het nooit. De woorden van vader en moeder zitten de hele dag als vastgehaakt in zijn hoofd. Elke keer komt hij langs het tafeltje, waarop het telefoontoestel staat, 't Is alsof dat glimmende toestel zegt: „Toe jöh, draai Joops nummer. Zeg dat je spijt hebt van je uitval". Gert blijft aarzelend bij het tafeltje staan. Het met Joop goedmaken is het enige niet. Dan zal ook de haat tegen die drie gijzelaars, ja tegen alle Molukkers uit z'n hart weggenomen moeten worden. Waarom die woede, die haat eigenlijk? Gert weet het antwoord wel, al valt 't niet mee het te bekennen: omdat Gert van Dam zichzelf zo belangrijk vindt, omdat hij diep in z'n hart vreselijk beledigd is, dat hij in de steek gelaten is. En — en nu gaat Gert weer ijsberen — omdat hij zoveel van Keesje en Ineke houdt! De gedachte alleen al dat er iets met de tweeling zou kunnen gebeuren maakt hem dol van woede. Morgen halftwee. Als hij minister-president was, hij zou 't wel weten. Mariniers er op af. Weer komt Gert langs het telefoontoestel. O die woorden van vader en moeder. Om één, om vier een heel volk schuldig? Gert steekt zijn hand uit en pakt de hoorn, aarzelend, weifelend. Dan, resoluut draait hij 't nummer. „Ja meneer Verhoeven, met Gert, mag ik Joop even? "
Alles in rust?
't Is nacht geworden. Gert slaapt. Joop ligt ook al lang op één oor, ontspannen nu en zonder die zorglijke trek op zijn gezicht. Meneer en mevrouw Verhoeven
hebben nog lang zitten praten die avond en God gedankt voor wat Hij deed in Gerts opstandige hart. Ook meneer en mevrouw van Dam zijn eindelijk in slaap gevallen. Eén zorg is van hen afgenomen, die andere, die grootste zorg bleef. Maar toch ondanks dat is er grote dankbaarheid in hun hart. Ja, op de Staringlaan is alles in rust, maar daar buiten in die onrustige stormachtige, donkere nacht
Tegen wie spreekt hij?
Onder een waterdicht afdak, beschermd tegen de felle regenvlagen tuurt kapitein van Dalen door zijn kijker. Elke avond, elke nacht, afgelost door zijn mannen, is uur na uur gespeurd hoe de gijzelaars zich gedragen in de school. Ook als er geen enkel lichtpuntje te bespeuren valt, houden de mannen in de bouwkeet vol. De achterkant van de kleuterschool wordt ook nauwkeurig in de gaten gehouden. En nu weten ze het zeker, de Molukkers hebben een vast systeem. Twee op wacht, één slapen en dat om de drie uur. Onder zijn afdakje speurt de kapitein de donkere nacht in. „Ze staan nu in het middelste lokaal, " zegt hij hardop. Vreemd, er is niemand bij hem, hij is helemaal alleen daar. O, maar wacht, , hij verschuift iets met zijn hand, een klein staafje dat op zijn borst hangt. Ah, een kleine zender, maar tegen wie spreekt hij eigenlijk?
Roerloos wachten ze af
Dichtbij de kleuterschool, in de richting van de dichtgeplakte zijramen van de speelzaal sluipen in gebukte houding een stuk of dertig mannen. Onhoorbaar op hun dikke rubberzolen en door de krachtige stormwind, komen ze steeds dichter bij de school. Als ze de zijmuur bereikt hebben, laten ze zich voorzichtig op de grond zakken. Roerloos wachten ze af. Eén, twee, tien minuten. Dan, als op kommando, kruipen er vijftien in de richting van de voordeur, drie gaan er gebukt onder de ramen van de lokalen staan, de anderen richten zich geruisloos op en halen vanonder hun donkere regenkleding een karabijn te voorschijn. Oh, wat gaat er nou gebeuren?
Sukses Jaap
Onder zijn afdakje praat kapitein van Dalen rustig verder. Onder zijn pet steken de ronde kleppen van een koptelefoon. „Ze staan nu met hun rug naar de deur van het lokaal". Even stokt de stem van de kapitein, dan zacht: „Sukses Jaap".
Er gaat wat gebeuren
In de kantine van de limonadefabriek is de spanning voelbaar. Iedereen, ook degene die niet ingewijd is weet: er gaat wat gebeuren. De minister-president, de minister van justitie en hun medewerkers zijn de hele dag aanwezig geweest. Er is druk getelefoneerd en in de donkere avond is een grote groep mariniers aangekomen. Journalisten en verslaggevers ruiken groot nieuws, fotografen hebben hun toestellen schietklaar. Ja er gaat wat gebeuren, maar hoe en wanneer?
Rustig en zeker
„Ze staan allebei met hun rug naar de deur van het lokaal". Bij het horen van die mededeling schuift één van de mannen zijn capuchon weg, zegt zacht:
„Begrepen" en stopt het kleine zend-en ontvangapparaatje in zijn borstzak. Hij richt zich op en verwijdert, alsof het zijn dagelijks werk is de grote ruit. Eén voor één kruipen de anderen achter hem naar binnen. Zo snel mogelijk glippen ze door de tochtdeuren de lange gang in. De wind rukt aan het raampje op de gang en het water uit de verstopte goot klettert met veel lawaai op de tegels van de speelplaats.
Wie zou het openen van die deuren horen bij al dat lawaai? Alsof ze zelf al jaren op de kleuterschool gaan, zo zeker sluipen de vijftien mannen de gang
door. Vier gaan twee bij twee aan weerszijden van de deur van het middelste lokaal staan. De anderen verspreiden zich in de lange gang. Niets wordt gehoord dan 't geklapper van het raampje en 't geluid van de wind en de regen. En in de donkere gang wachten de mariniers, rustig en zeker van hun zaak op 't openen van de deur van het middelste lokaal.
Vrij
„Ringgg. Ringgg. Ringgg". Luid en doordringend klinkt de bel van de telefoon. „Ringg. Ringg, Ri " „Ja, hallo met van Dam". Aan de andere kant van de lijn: „De kinderen zijn vrij meneer van Dam en ongedeerd. Wilt u zo vlug mogelijk naar de school komen? "
God alleen de eer
Voor de bank in de huiskamer liggen drie mensen op hun knieën. Hun harten lopen over van dankbaarheid. Keesje en Ineke zijn vrij. Zie, daar staan ze op, ze kijken elkaar aan. „Nu gaan we ze halen Gert, God alleen de eer".
„En ik ga Joop opbellen vader, mag dat? "
Zij aan zij op weg naar school
't Is maandagmiddag. Achter het hek van de kleuterschool staan twee kinderen te roepen en te zwaaien. „Dag Gert, dag Joop". De beide jongens draaien zich nog één keer om en zwaaien terug. Dan zwieren ze de hoek om en de lange rechte Constantijn Huygenslaan ligt voor hen. Ze kijken elkaar aan, hun ogen glinsteren. „Om 't hardst? " vragen die vrolijke ogen. Tegelijk buigen ze zich over hun stuur en zij aan zij spurten ze de laan uit op weg naar school.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1978
Daniel | 20 Pagina's