JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

GERTS OVERWINNING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GERTS OVERWINNING

12 minuten leestijd

(1)

Het doel heiligt de middelen

't Is stil in lc. Zes en twintig meisjes en jongens zitten gebogen over evenveel velletjes papier. Repetitie Nederlands. Vijftien onmogelijk lange zinnen ontleden en tien spreekwoorden „vertalen". Gert van Dam begint vol moed aan de zinsontleding. „De gekaapte Jumbo stond met gierende motoren in de gloeiende zon te wachten op het sein van vertrek." Na vijf en twintig minuten zet hij voldaan een dikke punt achter het laatste zinsdeel. Zo, dat is dat. Nu de spreekwoorden.

„Het doel heiligt de middelen". Wat betekent dit gezegde en geef een duidelijk voorbeeld. „Hm, da's niet moeilijk, als ze allemaal zo zijn. Wat voor voorbeeld zal hij geven. De Jezuïeten? Nee, dat is zo gewoon. Hitier? O nee, hij weet er één, en een goeie!! Triomfantelijk pent hij: „De Zuidmolukkers". Zo, de volgende: „Als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen". Gert kijkt op z'n horloge. O, dat haalt ie gemakkelijk.

Nou, van hem niet

Roekeloos suist Gert van Dam de hoek om. Een vlugge blik op de torenklok vertelt hem dat het bijna kwart over één is. Hij ook met z'n grote mond. Komt daar halverwege de tekenles de direkteur binnen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik stoor, meneer Duins. Maar dit is de laatste les van lc en ik heb even een mededeling, die alleen voor deze klas is bestemd. Jongelui, jullie krijgen bij leven en welzijn a.s. maandag een nieuwe leerling. Nu is het mijn gewoonte niet, dat zo officiéél aan te kondigen, maar" en hier wacht meneer Karman even „die nieuwe leerling is een Zuidmolukker." Bah, Gert geeft een ekstra trap tegen z'n pedalen, had ie nou z'n mond maar gehouden! Maar 't was er uit voor hij er erg in had. „Zei je wat Gert van Dam? " „Eh, nee, eh ik bedoel ja meneer." „Straks bij mij melden." Nou, dat had ie geweten. Kostte hem drie kwartier. En een preek, niet mooi meer. Poe, 't mocht wat, de Molukkers je naasten. Kan best, maar van hem niet. Nou, vooruit niet zeuren, voorlopig is hij vrij. Maandagmiddag halftwee pas beginnen, Joepie!!

Nee, wel 'n preek

„Zo, zo, de Molukkers gaan een reis door Indonesië maken", lees ik hier. „Meneer van Dam kijkt even op van z'n dagblad. Moeder komt net de kamer binnen. Ze heeft Keesje en Ineke naar bed gebracht. „Ik ga koffie zetten, " kondigt ze lakoniek aan, „verdiep jij je maar in de problemen van de Molukkers, wat jij Gert." „Eh, Molukkers? " mompelt Gert, die worstelt met een wiskundesom. Maar dan ineens er helemaal bij: „Da's waar ook, d'r komt er bij ons een maandag eentje in de klas. Nou zei ik tegen de direk eh, ik bedoel, de direkteur zei het tegen ons." Vader legt de krant neer en moeder blijft, met het theeblad in haar hand, halverwege de kamer staan. „Wat zeg je nou Gert? " vraagt vader verwonderd. Gert kan z'n tong wel afbijten. Sukkel die hij is. Nou houdt vader natuurlijk niet op of hij moet het naadje van de kous weten. „Nou, gewoon hè, maandag krijgen we een nieuwe, Joop Verhoeven heet hij." „Joop Verhoeven? Dat is anders geen Molukse naam." „Nee, maar hij is ook geadopteerd. Toen hij een paar maanden oud was, verongelukten zijn vader en moeder allebei." „Hoe weet je dat zo goed Gert? Heeft meneer Karman dat jou zo haarfijn verteld? " „Eh, ik, nou ja, " hakkelt Gert, „ik kon m'n mond niet houden toen de direkteur het kwam zeggen en toen moest ik na 't laatste uur bij hem komen en toen heeft hij me dat alles verteld." „Wat zei je dan, Gert? " wil vader weten. „O, ik bromde: „Laat ie in Assen blij-

ven, daar hoort die vent." Ondanks alles schiet Gert in de lach. „Hij komt niet eens uit Assen, vader." Meneer van Dam fronst z'n wenkbrauwen. „Jij moet eens beter op je woorden letten en minder vlug zijn met je mond. Straf gehad? " „Nee, wel een preek." „Gert toch", komt moeders stem bij de kamerdeur. „Waaruit bestond die preek? " vraagt vader streng. Gert aarzelt even. Het „uit drie punten" ligt hem op het puntje van zijn tong. Maar als hij vaders gezicht ziet, slikt hij die woorden maar gauw in. „Eh, dat de Zuidmolukkers onze naasten zijn en die knul dus ook." 't Blijft even stil in de gezellige huiskamer. Dan zegt vader: „Meneer Karman heeft gelijk jongen. Heb je naasten lief als jezelf. Het is één van de twee geboden waaraan de ganse wet hangt en de profeten.

Dat beest krijgt veel te weinig beweging

„Met attestaie overgekomen uit de gemeente D., Jan Willem Verhoeven en Gertruida Verhoeven-van Beveren met één kind, Johannes, als dooplid." Gert schokt op. Wat? !! Ongelovig kijkt hij naar de mededeling in de kerkbode. Zou die Molukker nou ook nog bij hen naar de kerk gaan? ! Alle mensen, kijk nou, „Staringlaan 11. Dat is helemaal een toestand. Uitgerekend bij hen in de laan, nr. 11, dat is drie huizen verder. Ja, dat huis staat al wekenlang te koop. Fijne boel, kan hij zeker, met die vent samen naar school fietsen. Val je even op zeg, naast zo'n Molukker. Bah", Gert mikt de kerkbode in de krantenbak. Wacht, hij loopt er eens langs met Hektor, , , 'k Ga een rondje lopen met Hektor, moeder." „En je bent net terug met hem", zegt moeder verwonderd. Gert geeft geen antwoord.

Hij vist de riem van de kapstok en fluit de hond. Op het garagepad helpen Keesje en Ineke bij 't schoonmaken van de auto. „Ga je alweer met Hektor uit? " vraagt vader verwonderd. „Hé? O ja, vader, dat beest krijgt veel te weinig beweging."

O nee, we zijn met ons drieën

„Dag Gert, daag". Keesje en Ineke zwaaien om 't hardst naar hun grote broer. Deze draait zich nog een keer om en zwaait terug, 's Maandagsmiddags brengt hij altijd de tweeling naar de kleuterschool. Keesje op de stang, Ineke bovenop de boekentas, 't Is een leuk schooltje, helemaal nieuw, alleen nog wat eenzaam, zo in het weiland, met enkel wat straten er omheen. Terwijl Gert naar school spurt en Keesje en Ineke met de andere kinderen ronddollen op het speelplein, stopt er een lichtgrijze Opel voor het hek van de school. Een jongeman met een bruine gelaatstkleur en bijna zwarte ogen stapt uit. Hij wenkt de juffrouw, die met de kinderen meespeelt. „Juffrouw, kunt u mij de Sta-rringlaan wijzen? Ik raak helemaal in de warr in deze nieuwe buurrt." Terwijl de kindertjes om haar heendringen, vertelt juffrouw Anneke hoe hij rijden moet. De jongeman bedankt haar vriendelijk. „U hebt veel kinderen om voorr te zorrgen." „O, nee", lacht de juf. „We zijn met ons drieën, dag meneer." „Dag juffrouw en nog vriendelijk bedankt."

Smerige Molukkers!

Weken zijn voorbijgegaan. Joop Verhoeven is helemaal ingeburgerd. Dagelijks fietst hij met Gert naar en van school. Deze deed in 't begin wel stug tegen hem, maar dat is van lieverlede overgegaan. Samen brengen ze elke maandagmiddag Keesje en Ineke naar school. Ook nu staat de tweeling achter het schoolhek te roepen en te zwaaien. Joop en Gert zwieren bij de verlaten bouwkeet de hoek om. Joop neemt de bocht wat ruim. Van de andere kant komt een lichtgrijze Opel met grote vaart aanrijden. Joop schrikt en maakt een onverwachte, onverhoedse beweging. De chauffeur van de Opel remt, maar kan niet voorkomen, dat Joop met zijn bagagedrager de zijkant van de auto raakt. De fiets schiet onder hem vandaan en Joop tuimelt tegen de grond.

„Stommerd", schreeuwt de chauffeur geschrokken, „kijk uit je doppen." Gert, die

van schrik op zijn rem is gaan staan, voelt een grote woede in zich opkomen. Wat! Joop de schuld geven? Hij loopt op de auto toe en z'n woede wordt nog groter als hij ziet, wie er in de Opel zitten. „Smerige Molukkers, jullie reden veel te hard. 't Is jullie schuld." Joop is opgekrabbeld. Hij wordt bij het horen van die woorden nog witter dan hij al is. Met bevende handen wringt hij zijn stuur recht, hijst z'n tas weer op de bagagedrager en rijdt zonder omzien weg. Zo heeft hij er geen erg in, dat de chauffeur het portier openrukt, naar buiten springt en Gert zo'n dreun om z'n oren geeft, dat deze tegen de grond valt en stil blijft liggen. De grijze Opel schiet er met een vaart vandoor.

Het is nacht geworden, de maan is schuilgegaan achter een dik wolkendek. Honderden, ja wellicht duizenden mensen zijn pas na het laatste nieuwsbericht naar bed gegaan. „In de situatie wat betreft de gijzeling van de kleuterschool aan de Da Costalaan is geen verandering gekomen. Verder binnenlands nieuws." Ook mc-neer en mevrouw Verhoeven hebben in spanning geluisterd. Joop ligt al in bed. De slaap wil maar niet komen. De gebeurtenissen van de afgelopen middag trekken als een angstige droom aan hem voorbij. Het ongeluk, de scheldwoorden die Gert riep, de angst, toen deze niet op school verscheen. Het gesprek met de direkteur: „Gert heeft een ongeluk gehad Joop, de chauffeur van die auto, heeft hem neergeslagen en hij is met zijn hoofd op de stoeprand terechtgekomen. Hij is nu thuis, de dokter is geweest, hij moet een paar dagen in bed blijven. Die mannen zijn er vandoorgegaan." Joop draait zich voor de zoveelste maal om. Och, dat alles is het ergste niet. Nee, een uur later kwam dat andere bericht. Als Joop daaraan denkt houdt hij het in bed niet langer uit. Hij gaat voor het raam staan en tuurt de donkere nacht in. Weer werd hij bij de direkteur geroepen.

„Joop, 'k heb weer een naar bericht voor je jongen, de kleuterschool van Gerts broertje en zusje is gegijzeld." „Molukkers? " had hij moeilijk gevraagd. „Ja Joop, Molukkers, dezelfden waarschijnlijk waar jullie zo hardnekkig mee hebben kennis gemaakt. Eh, jij moet straks niet alleen naar huis fietsen jongen. Ik breng je thuis." Joop tuurt in de richting van de kleuterschool. Hoe zouden Keesje en Ineke het hebben? Zouden ze slapen? Wanneer zouden Gert en hij de tweeling weer naar school kunnen brengen? Als alles goed af zou lopen toch nooit meer, want en als Joop daaraan denkt. „Jij", had Gert hem toegebeten, „jij liet me in de steek hè. Je durfde niet omdat het je broeders zijn. Nee, zeg nou maar niks, ga maar naar de kleuterschool, dan kun je je dappere landgenoten helpen om kleine kinderen te gijzelen. Als, als ze Keesje en Ineke wat doen, dan dan sla ik jou dood, Molukker!"

Geen nieuws

't Is nacht ook in het huis van de familie van Dam. Gert is eindelijk in slaap gevallen. Zijn bonzende hoofdpijn is gezakt, zijn verwarde gedachten zijn tot rust gekomen. Vader en moeder zijn nog op. Geen nieuws uit de kleuterschool, geen enkel bericht van Keesje en Ineke. Slapen, och wel nee, de angst om hun gegijzelde kinderen, de zorg over Gert, het verdriet van Joop, houdt hen wakker.

Ja, daar loopt er één

't Is nacht ook in de grote bouwkeet op de hoek van de Da Costalaan. Er is een militaire post in gevestigd. Kapitein van Dalen en zijn manschappen houden de kleuterschool nauwkeurig in de gaten. „Van Duinen, geef de kijker eens. Dank je. Ja, doe het licht maar uit." Op de tast schroeft de kapitein de doppen van de lenzen en zet dan de nachtkijker voor zijn ogen. En dwars door het duister van de nacht, dwars door de gordijnen, die zijn dichtgeschoven, zoekt die wonderlijke kijker naar een lichtpuntje en „Ja", mompelt van Dalen, „daar loopt er één jongens, z'n sigaret verraadt hem. Als, als ik mocht, ik zou hem. 'k Zie hem net zo goed, alsof ik bij hem sta, elke keer als hij aan zijn sigaret trekt wordt z'n tronie verlicht alsof het dag is. O, jongens, daar komt er één bij hem staan. Ai, dat zou twee in één klap zijn. Die derde laat zich niet zien. Zit natuurlijk in de speelzaal bij die arme kindertjes." De kapitein knijpt zo hard in de kijker, dat z'n vingers pijn doen. „O, nou gaat er één weg, nee hij komt naar buiten, wat zou die " Plots een steekvlam, een verscheurende knal, dan stilte. Een handgranaat is ontploft een goede vijftig meter vóór de fundamenten van de nieuw te bouwen

HAVO, vlakbij de kleuter-school. De kapitein brengt in een reflex-beweging zijn arm voor de lenzen van de kostbare kijker. Licht en zeker fel licht kan hem onherstelbaar vernielen. „Ze slapen daar niet, kapitein." „Nee", antwoordt van Dalen grimmig, „maar wij zijn ook wakker, wacht maar."

„Doe het maar zachtjes"

't Is nacht ook in de kleuterschool. Alle kindertjes slapen nu. De grote speelzaal ligt vol. De kleinsten opgerold op de springmatten, de groteren zomaar op de harde grond. Sommigen een opgevouwen handdoek onder hun hoofd als kussen, anderen een jack of een jasje. En tegen de muur zitten de drie jufs. Ze proberen ook wat te slapen, maar 't lukt niet erg, telkens schrikken ze wakker.

En na de felle klap van de handgranaat durven ze niet meer weg te doezelen. Een wonder dat er geen enkele kleuter wakker werd van die ontploffing. Een wonder ook, dat ze in slaap gevallen zijn na zoveel angst en schrik. Keesje en Ineke liggen stijf tegen elkaar aan. „Ik durf wel op de grond te slapen juf", had Keesje dapper gezegd, , , 't Is net als in een tent hè Ineke? " En Ineke had geknikt: „Ik durf ook wel hoor." Juffrouw Anneke had hardop gebeden met alle kinderen voor ze gingen slapen. „Jullie mogen het voor jezelf ook nog doen hoor, doe het maar zachtjes, de Heere hoort het wel." De meesten hadden het gedaan en Keesje had tegen Ineke gezegd: „Ik heb aan de Heere gevraagd of wij

morgen weer naar huis mogen." „Ik ook", had Ineke geantwoord.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1978

Daniel | 24 Pagina's

GERTS OVERWINNING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1978

Daniel | 24 Pagina's