DOPERSEN EN DOOPSGEZINDEN
In de Gouden Eeuw kende een ieder de benaming „dooperse schipper". In een eeuw waarin het ook voor de koopvaardijschepen maar geraden was zwaar bewapend de zeeën te bevaren, was het de doopsgezinde schipper vanwege zijn geloof verboden geweld te gebruiken. Ze gebruikten nooit enig geschut, geen musket hadden zij aan boord. De konsekwentie van hun houding was wel dat jan en alleman zich aan boord klampte en leegplunderde.
De historie der doopsgezinden is niet altijd even vreedzaam geweest. Hoewel zij al in de oud-christelijke kerk voorkomen, beperken wij ons maar tot de reformatie en de tijd daarna.
Melchior Hoffmann
In Zürich voelden jonge volgelingen van Zwingli zich zeer teleurgesteld dat deze reformator nog veel bevoegdheden aan de overheid toekende in geloofszaken. Zij wilden een heilige, echt-bijbels gemeenschap vormen. Deze groep beschouwde de doop als getuigenis van een breken met het vroegere leven. De doop moest dus bewust worden ondergaan, zodat de kinderdoop voor hen geen betekenis meer had. Een voormalig Luthers predikant, Melchior Hoffmann, kwam met hen in aanraking en voegde zich bij hen. Hij bracht een nieuw element in hun verkondiging. Menend dat Christus zeer spoedig op aarde zou terugkeren, wilde hij de mensen op die komst voorbereiden. De gelovigen zouden immers met de Heere duizend jaar mogen heersen (Openb. 20 : 4). Hoffmann riep op deze prediking te aanvaarden en zich aan Christus toe te vertrouwen.
Voor velen die slecht met aardse goederen bedeeld waren, leek er in die aankondiging van Hoffmann een nabije verbetering van hun lot te schuilen. Er volgde voor deze beweging, ook in Nederland, een snelle groei. Onder de indruk van het komende wereldeinde, van de mogelijke redding, van de belofte van blijvend geluk, raakten velen in extase. In 1531 bevond Hoffmann zich in Amsterdam, waar zich een vrij grote groep aanhangers had gevormd. Hij predikte daar in de overtuiging dat hij zelf de „Elia", de voorloper van Christus, was. Lijdzaam moesten de gelovigen wachten op Christus' komst. In deze fase van zijn ontwikkeling is de doperse richting dus nog niet op geweld ingesteld. Wel ondervindt zij heftige bestrijding van de zijde der vorsten en der reformatoren. Voor eerstgenoemden is dan natuurlijk vooral motief het aantasten van de bezitsverhoudingen, de sociale dimensie die Hoffmann aan zijn prediking had toegevoegd.
Münster: een doperse stad
In 1533 werd Hoffmann te Straatsburg gevangen gezet. Hij verheugde zich hierin, omdat daarmee de eindtijd leek te zijn aangebroken. Bakker Jan Matthijsz. riep zich intussen tot vervanger van Hoffmann uit. Hij zond twaalf apostelen uit om te prediken, te dopen en in elke plaats bisschoppen aan te stellen.
Hoog laaiden de verwachtingen op toen in februari 1534 Munster een doperse stad werd.
Alle „ongelovigen" werden nu de stad uitgezet; d.e gemeenschap van goederen moest worden ingevoerd, en kon zelfs met het zwaard afgedwongen worden. Nu leek de belofte vervuld, maar de weerloosheid was opgegeven. De wereld behoorde voortaan met het zwaard gereinigd te worden. Van alle kanten probeerden de dopersen Münster te bereiken. Zij die uit Holland de Zuiderzee waren overgestoken, werden in Overijsel gevangen genomen. De duizenden boden geen enkel verzet, ondanks de meegebrachte wapens.
Te Münster moest een vernietiging van boeken laten zien dat de stad voldoende had aan de Bijbel. Jan Matthijsz., die zich graag met Gideon vergeleek, waagde een uitval in april 1534 en sneuvelde. De nieuwe leider werd Jan Beukelsz., een kleermaker uit Leiden en daarom ook wel Jan van Leiden genoemd. Toen hij bij de verdediging van de stad sukses had, steeg zijn aanzien. In de zomer voerde hij met een beroep op het Oude Testament de veelwijverij in. Begin september werd hij gezalfd tot „koning der gerechtigheid". Toch was de stad bij gebrek aan hulp van de buitenwereld tot de ondergang gedoemd. Elke doper werd nu verdacht van plannen tot omwenteling en tot hulp aan Münster. Bijna overal volgden doodvonnissen. Zo viel Münster op 25 juni 1535. De meeste verdedigers werden direkt gedood, Jan van Leiden werd met twee andere leiders verhoord en gepijnigd. Hij erkende dwalingen over het rijk Gods en over de veelwijverij, maar hield vast aan de doperse opvattingen over doop en avondmaal. Hij werd met de anderen in 1536 op een afschuwelijke wijze doodgefolterd. Hun lijken werden in ijzeren kooien aan de toren van de kerk te Münster te kijk gehangen.
Een gevaarlijke radikale stroming binnen de reformatie was hiermee afgewezen. De schok die het „Münsterse koninkrijk" had veroorzaakt, werkte echter nog jarenlang na. Alle dopersen stonden nu in een kwaad gerucht. Aan oogluikende toelating was een einde gekomen. De overheid kende nu alleen nog doodstraf of verbanning. Precies dezelfde straffen had Jan van Leiden toegepast voor een ieder in Münster die zijn inzichten niet deelde.
Menno Simons
De dopersen ontwikkelden zich na dit echec weer in een andere, meer vreedzame richting. In ons land raakte Menno Simons, de pastoor van Witmarsum, onder de indruk van de bijbelse argumenten van de dopersen. Na lang weifelen legde hij in januari 1536 zijn kerkelijk ambt neer. Al spoedig moest hij een zwervend leven leiden om aan arrestatie te ontkomen. Menno wilde een strenge tucht op het levensgedrag. Een gemeente „zonder vlek of rimpel" moest voldoende hebben aan Christus' bevel en zich verre houden van besmetting door de wereld. Het sprak voor Menno vanzelf dat de eed, het dragen van wapens en het bekleden van een overheidsambt onbijbels waren. De mennonieten waren echter de sterke toekomstverwachting van Hoffmann kwijt. De doopsgezinden onderscheiden zich door een angstvallig teruggetrokken bestaan, en door een grote soberheid in hun persoonlijk en kerkelijk leven. Aan hun kleding droegen zij in plaats van knopen, haken met ogen. Alleen effen stoffen waren toegestaan bij het vervaardigen van kledingstukken.
In deze gewijzigde vorm herkregen de doopsgezinden hun werfkracht. De gedachtenis aan de martelaren bleef levendig binnen hun kring. Het gewillig aanvaarden van lijden werd kenmerkend voor de doopsgezinden. Zij beschouwden dit lijden als verbonden aan het lijden van de Heere (Col. 1 : 24). Uit
de „Navolging" van Thomas van Kempen troffen hen de woorden: „Jezus heeft thans veel beminnaars van Zijn hemels rijk, maar weinig dragers van Zijn kruis". De doperse martelaren wilden tot het uiterste trouw zijn aan de roeping tot heiligheid.
In de strijd tegen Spanje konden de doopsgezinden niet aktief meedoen. De overheden eisten van hen een eed van gehoorzaamheid of gewapende burgerdienst. Maar hier kwam Oranje voor hen op. Al in 1577 schreef hij aan de magistraat van Middelburg dat hun jawoord moest gelden als een eed. Het gewetenskonflikt over het dragen van wapens werd meestal opgelost door de dopersen de verzorging van gewonden of het blussen van branden op te dragen. Na de eerste, angstige periode van plaatselijke belegeringen verdween dit probleem, omdat veldtochten grotendeels door gehuurde troepen werden uitgevoerd. In de oorlog van 1672 toonden de doopsgezinden hun vaderlandsliefde door zich speciaal te belasten met het blussen van branden, het helpen van gewonden en het ruimen van puin.
De invloed van het modernisme
In de 17e eeuw is er een teruggang te bespeuren in aanhang voor de doopsgezinden. Tegen 1700 telde de beweging zeer waarschijnlijk slechts een 57.000 zielen. In haar bloeitijd moeten we denken aan een zielental van 120.000, d.w.z. een 7% van de bevolking, al lijkt dat wat aan de hoge kant te zijn. In de 18e eeuw onderging ook deze beweging de zuigkracht van het modernistische verlichtingsdenken. Zij heeft zich daar nimmer meer aan kunnen ontworstelen. Slechts een enkele gemeente (in Friesland) hield vast aan het oude leefpatroon en denkklimaat. Vele doopsgezinden waren tot grote welvaart gekomen. Tot op de dag van heden bestaat de Doopsgezinde Broederschap in Nederland. Zij telt momenteel een 40.000 zielen. Nog steeds willen zij pogen christenen te zijn, zoals „Jezus zelf zijn discipelen zo gaarne had gezien". Vandaar dat de Bergrede met zijn zedelijke eisen een grote plaats inneemt in hun gedachtenleven. In het moderne vrijzinnige denken betekent dat een toespitsing van het Evangelie op de maatschappij; los van de verwachting van een spoedige wederkomst van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1978
Daniel | 20 Pagina's