IN DEZE NACHT
De dokter onderzocht Per en schudde het hoofd.
Je hebt misschien nog een uur te leven, zei hij, of een minuut.
Je hart is op. De dokter was bars en kortaf van aard en met rijke Per had hij geen extra medelijden.
Dat was een man, die zelf niet wist wat medelijden was.
— Gaat u nu weg, dokter? vroeg hij.
— Natuurlijk, zei de dokter.
— En laat u mij dan alleen?
— Als je gaat sterven ben je altijd alleen.
--Kunt u niets voor mij doen, dokter?
— Niemendal.
— Maar u kunt al mijn bezittingen krijgen, als u iets weet om mij beter te maken. U kunt heel mijn vermogen krijgen, heel mijn hoeve.
— Dank je, die zou ik niet willen hebben. Die zal je broer Olaf krijgen en meisje, zij hebben nu lang genoeg op je toezeggingen gewacht. Per lag met zijn handen op het dekbed te tasten. zijn arme
— Er moet iemand bij mij komen. Zoudt u bij blinde Gustaaf willen Hij is altijd thuis. kloppen?
— Dat zal ik doen.
— Dank u, dokter.
Nu hoorde Per, dat de staande klok één slag sloeg en dadelijk daarna sloeg de klok van de kerktoren. Nu was het één uur. Over een uur zou hij dood zijn. Of misschien over een minuut. Ja, hij had het gevoel of hij elk ogenblik sterven kon. En voor de eerste keer, sedert héél lang vouwde Per zijn handen en bad tot God.
— Grote God, bad hij, laat mij leven tot blinde Gustaaf komt. Laat mij zolang mogen leven, zodat ik nog met blinde Gustaaf kan praten.
En de minuten verliepen, lange stille minuten. Per hoorde de klok tikken en slaan. Gek, dat die voort zou gaan met tikken, terwijl zijn hart stil zou staan. Men zei, dat de dingen dood waren, maar de dingen waren meer levend dan de mensen! Het huis en de meubels, alles zou er nog zijn, als hij er niet meer was. Het huis had zijn vader gebouwd en de stoelen in de kamer waren uit grootvaders tijd, en de kist met zijn waardevolle papieren erin stamde uit de zeventiende eeuw. Dat alles zou hier blijven, het zou leven, de oude klok zou slaan, maar zijn hart zou stilstaan.
Wonderlijk, dat hij het zó aanvoelde om te sterven. Hij leed geen pijn, hij kon alleen niet meer. Hij had geen kracht, kon nauwelijks zijn hand opheffen, kon haast niet meer spreken, nauwelijks denken. Weer sloeg de klok een slag en dadelijk daarop weer de kerkklok. Nu was het half twee. Als blinde Gustaaf eens niet wilde komen! Of als de dokter had vergeten het hem te vragen, of dat blinde Gustaaf niet thuis was? Misschien dom, dat hij de dokter niet had gevraagd liever naar de dominee te gaan. De dominee was immers verplicht bij zieken en stervenden te komen.
Nu voelde Per hoe eenzaam hij was en hoe eenzaam hij zijn hele leven was geweest. Stel je voor, dat hij nu iemand had gehad, die van hem hield. Stel je voor als hij nu een vrouw had gehad, die schreide, en kinderen, die om hem heen stonden.
Als hij één vriend had gehad, één enkele maar. Nee, niemand wilde nu bij hem zijn. Op feestjes in het hotel, als hij wat aanbood, dan wilden zij wel komen. Maar wat zouden zij nu zeggen, als zij geen feest konden vieren, of drinken, of kaart spelen, of gekke verhalen vertellen?
Neen, er ontbrak iets aan zijn leven, zodat het eenzaam, en arm en leeg om hem heen was, nu hij ging sterven. Als nu blinde Gustaaf maar wilde komen!
Blinde Gustaaf was een arme mandenmaker, die in een armzalige hut woonde, daar, waar Per's bezittingen eindigden.
Overdag vlocht hij manden en 's zondags ging hij naar de kerk. Hij was één van de weinigen in het dorp, die naar de kerk ging.
En nu lag Per daar en verlangde naar blinde Gustaaf. Waarom verlangde hij naar hem? Ja, de oude man had iets in zijn gelaatsuitdrukking, dat hij wist, dat hem helpen kon.
Men kon blinde Gustaaf gemakkelijk voor een gek aanzien, zo wonderlijk zag hij eruit; maar als men een paar woorden met hem had gesproken, dan begreep men, dat hij een bijzonder mens was. Hij had een vreedzame stem en een vriendelijke tongval en wanneer hij iemand een hand gaf, dan liet hij die hand niet dadelijk weer los, maar hield die een ogenblik in de zijne, als wilde hij een kleine vriendelijkheid bewijzen.
Hier lag Per nu naar te verlangen. Vroeger ergerde het hem altijd, dat blinde Gustaaf zo lang zijn hand vast hield. Hij placht dan zijn hand weg te rukken als bedoelde hij: Dit is mijn hand, wat heb jij er mee te maken! Maar nu verlangde hij er naar een hand te mogen vasthouden, die hem nooit los zou laten, een hand, die hem heel stevig vast zou houden, nu dat hij eenzaam was en ging sterven.
En de minuten verliepen, en de klok tikte, en eindelijk hoorde Per, dat er iemand aan kwam. Hij hoorde een hand, die de wand aftastte, nu kreeg de hand de trapleuning te pakken. Het begon al licht te worden buiten. Nu pakte iemand de deurknop beet en nu was blinde Gustaaf er. Nu stond hij bij het bed en nam Per's hand. Toen ontplooide er iets daarbinnen in het hart, dat vele jaren gebonden was geweest. Rijke Per, de grote, bazige, rijke Per schreide als een klein kind. En blinde Gustaaf, de armste van de hele gemeente, zat aan zijn bed en hield zijn hand vast.
Hij zat daar met zijn wonderlijk, naar de hemel gericht gelaat en toen Per naar dat gezicht keek leek het hem toe of het straalde.
En blinde Gustaaf sprak. Hij sprak eenvoudig en stil over de arme menselijke ziel. En over de barmhartige Verlosser, die uitging om alle arme, verloren zielen te gaan zoeken om hen te helpen.
Wat helpt het een mens als hij de hele wereld wint, maar zijn ziel verliest! Jij, Per, zei blinde Gustaaf, je hebt in deze wereld zoveel gewonnen, maar nu zie je hoe weinig je dat geeft, nu je zult sterven. Je bent vergeten, dat je een ziel hebt en als een mens zijn ziel vergeet en zonder ziel leeft, dan leeft hij zo armzalig in de wereld, al is hij ook nog zo rijk.
Maar nu wil God nog horen in het laatste uur van je leven. Hij kan en wil je vergeven alles wat je vergeven moet worden. Hij kan alles verzoenen wat verzoend moet worden. Hij handelt niet met ons naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze misdaden. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven
heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwigen leven hebbe.
Rijke Per zei niets meer in dit leven. Hij lag alleen maar te luisteren naar de woorden van blinde Gustaaf. Zijn blik was gevestigd op het lichtende gezicht van de arme man. Hij keek naar dat licht en luisterde naar die woorden.
Zijn ogen werden groter en groter, totdat zij uitdoofden. Blinde Gustaaf ging door met spreken, tot de hand in de zijne koud en stil werd.
En de oude klok sloeg en de klok van de kerktoren sloeg, en op de dansvloer dansten de jonge mensen, maar een van de vele zielen op aarde was op weg gegaan naar de eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1978
Daniel | 24 Pagina's