Prille lente
Een nieuwe ritseling van leven doorzindert stil de dorre hof. Wij wachtten tot door dode dreven gezangen klonken tot Gods lof. Waar eens het leven werd gegeven, breekt bloeisel los door 't grauwe stof.
Zo lang was alles ingedoken, beveiligd in de moederschoot, totdat de aarde werd doorbroken en leven opstond uit de dood: de witte klokjes stil ontloken, als boden van het morgenrood.
De winterkou mag grimmig komen en pijnigen het pril gewas — de knoppen zwellen aan de bomen, de wei groent weer van teder gras. De vogelzang wordt toch vernomen, want alles door Gods zon genas.
Wie wachten leert op Gods genade, al is de winter lang en guur, slaat stil vertrouwend alles gade, berust in 't Goddelijk bestuur: Het ijs smelt en de witte zoade op Gods tijd in het lenteuur.
Illustratie: Adri Spruit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1978
Daniel | 24 Pagina's