VRIJBLIJVEND
Toen vorige week de voorzitter van de jeugdvereniging vroeg wie er mee wilde helpen evangelisatiekrantjes te verspreiden, had Wouter Timmermans zich ook opgegeven. „Kan best, " had hij gezegd, , , 't Is immers nog paasvakantie." Zo stapt hij dan op een druilerige dinsdagavond de deur uit.
Onder het lopen haalt hij het briefje voor de dag, waarop „zijn" straten staan vermeld. Gelukkig allemaal dicht in de buurt. In de Hendrikstraat gaat hij beginnen. Hij haalt de blaadjes voor de dag en begint ze in de brievenbussen te stoppen. De huizen zijn smal, met steeds twee voordeuren naast elkaar. Niet veel kunst aan, denkt hij. Bellen aan de deur zoals de Jehovah-Getuigen, daar is heel wat meer moed voor nodig. Dit is tenminste vrijblijvend werk
Op nr. 21 van de Hendrikstraat raapt het pasgetrouwde mevrouwtje Peters de folder van de mat. „Bah, " zegt ze dan, na er een vluchtige blik op geworpen te hebben, „alweer Jehovah-Getuigen." Ze propt het krantje in elkaar en gooit het in de gloednieuwe prullemand.
Bij het volgende huis overstemt het geluid van de televisie het bescheiden geklep van de brievenbus. Pas na een uur vinden zij het krantje en het wordt direkt bij het oud papier gelegd. Ze zijn immers milieu-vriendelijk. Maar daarnaast wordt het blaadje vluchtig door gekeken en daarna op de schoorsteen gelegd. Straks even lezen
Wouter weet van dit alles niets. Af en toe werpt hij vluchtig een blik naar binnen. Bijna overal staat de t.v. aan voetballen. Hij kan de wedstrijd haast volgen, zo langs de huizen lopend. Hier is wel evangelisatie nodig, denkt hij. Het volgende moment schrikt hij even van zijn eigen gedachten. Hij voelt zich toch wel erg goed!
Het begint een beetje te regenen. Wouter zet zijn kraag op. Jammer! Hij wil het toch liever even afmaken, want hij begint nu toch wel naar het eind te verlangen. Nog één straat
De Van Amstelstraat is een lange saaie straat met overal dezelfde keurige huizen. Hij zal eerst de ene kant maar nemen en dan langs de andere kant teruglopen. Bij een van de eerste huizen zit een jongen voor het raam naar buiten te kijken. Vreemd, er is toch niets te zien zo in het donker? Maar misschien verwacht hij iemand. Wouter stopt de folder in de bus en kijkt nog eens. Even ontmoeten hun ogen elkaar en hij schrikt. Wat een vreemde jongen. Zo'n wit gezicht en zulk slap lang haar. Zou hij ziek zijn misschien of geestelijk niet helemaal normaal? Vluchtig ziet hij dat de jongen opstaat en naar de gang loopt. Zeker even kijken. In de kamer zit nog een vrouw, ziet hij.
Als hij een eindje verder is, dwingt een vreemde nieuwsgierigheid hem nog eens om te kijken. De jongen staat weer voor het raam en kijkt naar hem. Hij zegt iets tegen de vrouw en kijkt dan weer... Vlug loopt Wouter door. Nu hebben ze 't over mij, bedenkt hij. Wat zullen ze zeggen? Wat een degelijke knul is dat?
Aan het eind van de straat steekt hij over. Nu deze kant nog en dan is hij klaar. Maar hij kan toch niet laten om tersluiks naar de overkant te kijken, als hij tegenover nr. 15 is. Nu staat alleen de jongen er nog. Dan schrikt hij opeens. De voordeur gaat open en de vrouw komt naar buiten. 't Zal toch niet om hem te doen zijn. Zie je wel, daar heb je 't al.
„Dag " hoort hij haar wat verlegen zeggen. Ze heeft een vriendelijke stem en ze ziet er ook heel netjes uit. „Dag we hebben je krantje even doorgekeken,
en nu liep je hier nog Zou je niet even binnen willen komen? Ik eh mijn zoon zou je graag wat willen vragen."
De vlammen slaan Wouter uit, maar er is geen keus. Tevergeefs zoekt hij naar een uitvlucht. Schutterig loopt hij achter haar aan naar binnen. Daar stelt ze zich voor: „Mevrouw Langenhout. En dit is mijn zoon, Peter."
De jongens geven elkaar een hand en meten elkaar even met de ogen. Wat een vreemde, denkt Wouter weer. Vaal en moe ziet hij er uit, met doffe ogen. Haast verlopen, zou je zeggen. Hij kijkt naar mevrouw Langenhout en ziet dat ze met iets van pijn in haar ogen naar hen tweeën kijkt.
„Jullie moeten ongeveer even oud zijn, denk ik, " zegt ze.
„Zestien ben ik, mevrouw." „Zie je wel, Peter ook."
Kan die Peter zelf niets zeggen? vraagt Wouter zich af. Zou hij misschien doof zijn?
„Wil je een kopje koffie misschien? " hoort hij haar dan vragen.
Hij wil weigeren, want hij voelt zich niets op zijn gemak. Maar ze kijkt hem zo smekend aan, dat hij al zegt: „Graag, mevrouw."
„Ga even op je gemak zitten dan." Ze knipt een schemerlampje aan en verdwijnt naar de keuken.
Er wordt geen woord gesproken tussen de twee jongens. Wouter staart naar buiten en zoekt naar een begin, want de stilte wordt steeds onbehaaglijker.
't Houdt op met regenen gelukkig, " zegt hij. Maar hij hoort zelf hoe nietszeggend dat klinkt. Slechts een instemmend gebrom is het antwoord. Weer stilte. Nu zeg ik niets meer ook, denkt Wouter koppig, luisterend naar de tikkende klok, die de stilte nog lijkt te benadrukken. Iiij is blij dat mevrouw Langenhout binnen komt met de koffie.
„Loop je wel vaker met krantjes? " vraagt ze.
„Nee, 't is de eerste keer nu."
„Hoe kom je eraan? Of doe je 't voor bijverdienste? "
„Bijverdienste? " herhaalt Wouter verbaasd. Dat idee komt hem absurd voor. „Nee, op de jeugdvereniging van onze kerk werd gevraagd wie er krantjes rond wilde brengen. Toen heb ik me ook opgegeven."
Mevrouw Langenhout neemt het blaadje op en kijkt het door. „Gelezen heb ik het nog niet, maar ik eh tenminste mijn zoon zou graag weten " Ze kijkt hulp zoekend de kant van Peter op. Maar deze staart apathisch voor zich uit. Dan wijst ze naar de grote letters op de voorpagina: „De Heer is mijn Herder..." en „Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen "
„Is dat nu waar wat daar staat? Is het geloof een troost, een houvast in het leven? "
„Ja " zegt Wouter aarzelend. Hij krijgt het warm. Waar willen deze mensen heen?
Opeens mengt Peter zich ook in het gesprek. „Dus het geloof is net zoiets als heroïne. Als je je rot voelt, kun je daarheen je toevlucht nemen!"
Het klinkt rauw in de intieme sfeer van de schemerverlichte kamer. Geschrokken kijkt Peter hem aan. Opeens begrijpt hij het. Deze jongen is verslaafd aan drugs.
Vertwijfeld zoekt hij naar een antwoord. „Het is in ieder geval een toevlucht, " zegt hij dan. Maar hoe arm klinkt dat uit zijn mond.
Na een korte stilte begint Peter te vertellen. „Ik spuit ook, zoals je begrijpt. Maar ik weet dat het slecht is. Ik ga er aan zo, maar ik kan niet zonder. Ik probeer het telkens weer. Maar ik kan niet tegen die leegte op." Hij zwijgt even, alsof hij op adem moet komen.
Bijna fluisterend komen dan zijn woorden. „En nu staat daar opeens in dat blaadje iets over de schaduw des doods... Daar leef ik ook in. In de schaduw van de dood " Zijn vermoeide grijze ogen zijn bijna zwart als hij Wouter aankijkt.
Wouters hart krimpt ineen van medelijden. Naast hem hoort hij een vreemd geluid, een snik bijna, en hij ziet dat mevrouw Langenhout onverhoeds de kamer uitloopt. Peter merkt het niet eens op. Hij wil praten, praten. „Voor mij is het de schaduw van de dood maar voor jullie staat er nog iets achter! Of niet? "
„ Ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij, " vult Wouter aan. Hij kan wel huilen. Wat erg als je zo bent!
En toen zag ik jou opeens lopen en ik dacht: „Zo'n jongen moet toch iets hebben, wat ik niet heb."
Wouter houdt verschrikt de adem in. Wat moet hij wat wil hij? Opeens beseft hij: Hier moet hij getuigen, van
de Heere Jezus. Maar dat kan hij immers niet? Hij kijkt naar het dodelijk-vermoeide gezicht tegenover hem en hij begrijpt: Mijn armoede is even groot! En toch, hij moet iets zeggen. Hier is iemand in nood, het is zijn plicht te helpen. De rijkdom van het evangelie mag niet voor de kerk alleen worden gehouden.
„Christus is een toevlucht voor diegenen, die hem werkelijk zoeken, " zegt hij tenslotte. Hij bladert het krantje door en wijst hier en daar iets aan en vertelt er iets over. Hij zou niet graag hebben, dat iemand van thuis hem hoorde. Gewoonlijk praat je immers niet zo gauw over die dingen. Af en toe vraagt Peter wat en dan legt Wouter uit. Het gesprek blijft verder algemeen, tot Wouters opluchting. Want Peter schijnt het een vanzelfsprekende zaak te vinden, dat hij, Wouter, er óók bij hoort. Hij gaat immers naar de kerk? En Wouter mist de moed om daar eerlijk over te praten. Ook dat is armoede, voelt hij. Hij zal de dominee vragen hier eens naar toe te gaan.
„Ik zoek het in drugs, maar ik moet het volgens jouw in de kerk zoeken, " houdt Peter aan.
„Ja, " zegt Wouter eerlijk. En tegelijkertijd schiet hem te binnen wat hij pas hoorde in een preek. „Een hart vindt geen rust, totdat het rust vindt in God." „Rust in God, " prevelt Peter. Opeens zakt hij slap in zijn stoel ineen en glijdt dan onverhoeds met een zachte bons op de grond. Wouter neemt een ren naar de deur, maar mevrouw Langenhout is er al.
„Hij heeft telkens van die flauwtes, " zegt ze gedempt. „Als je even helpen wilt " Samen sjorren ze het vermagerde jongenslichaam op de bank. Dan ziet ze Wouters verschrikte ogen. „Hij zal zo wel weer bijkomen, hoor. Drink maar even wat in de keuken. Ik ik bens er aan gewend, zie je."
Een kwartier later loopt Wouter weer buiten. Hij propt de laatste blaadjes in de brievenbussen en loopt dan door naar de rivier. Hij kan er niet toe komen om direkt naar huis te gaan en te praten over koetjes en kalfjes. Hij moet eerst nadenken, het is één warboel in zijn hoofd.
Op een van de bankjes langs het water gaat hij zitten en kijkt naar de enkele schepen, die voorbij varen. En hij dacht nog wel dat krantjes rondbrengen vrijblijvend werk was. Je bent nóóit vrijblijvend, weet hij nu. Altijd is er de plicht om te getuigen, om te evangeliseren. En dan beginnen bij jezelf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1978
Daniel | 24 Pagina's