Bericht
Leeuwarden, 30 maart 1978.
Beste jongelui,
Laatst ontmoette ik een jong stel, dat me iets meedeelde, dat me geweldig trof. 'k Geloof dat het jullie ook wel iets te zeggen heeft. Maar laat ik hen eerst maar eens zelf hun verhaal laten vertellen:
„We hadden een paar beste buren, 't Was voor hen en voor ons de eerste eigen woning. Je deed veel dingen samen. Je kwam niet te vaak bij elkaar; maar dat was ook niet nodig. We wisten gewoon dat het goed was en dat, als er nood was, je op elkaar kon rekenen. We vonden het wel erg jammer dat onze buren „nergens aan deden". Maar ja dat komt meer voor. „Helaas", zeggen we er dan nog netjes achteraan. We spraken met elkaar over alles, behalve over het ene nodige. Zou dat wel zin hebben. En een natuurlijk mens verstaat toch niet de dingen die des Geestes Gods zijn (ja, we weten het degelijk te zeggen).
Na ongeveer IV2 jaar gingen onze wegen uiteen, want zij hadden een ander huis gekregen. Voor ons vertrek brachten we onze buren nog een afscheidsbezoek. Van tevoren hadden mijn vrouw en ik overlegd, wat we hen als aandenken zouden geven. Na lang beraad waren we het er over eens dat het een Bijbel moest zijn.
Op de bewuste avond praatten we over koetjes en kalfjes. Maar ja tegen het eind van de avond moest het hoge woord er toch uit. Elke keer dat ik wilde beginnen kwam er wat tussen. M'n vrouw knikte me al eens toe: vooruit joh.
Eindelijk, alle moed bijeen verzamelend, stak ik van wal. „Zeg, buurtjes, 'k hoop dat jullie het ons niet kwalijk nemen, maar we wilden jullie graag een aandenken geven aan de goede tijd die we hier samen gehad hebben. Jullie zullen het misschien wat vreemd vinden, maar we wilden graag een Bijbel geven". Hé, 't hoge woord was er uit.
En toen hun antwoord!
„Fijn bedankt zeg, dat hadden we eigenlijk al veel eerder van jullie verwacht !"
'k Ben blij dat ik bovenstaand verhaal van die jongelui verder mag vertellen, 't Heeft ook ons veel te zeggen. Weet, dat de „wereld" iets van ons verwacht; weet dat er meer op ons gelet wordt dan we zelf beseffen. Het is zó ook wel eens goed om naar de „wereld" te luisteren. Waarschijnlijk kennen jullie het gedicht dat gaat over een overleden buurman. Het eindigt zo:
Want 'k vrees, dat hij alleen en zeer verlaten het Goddelijk gericht moest ondergaan. Wat kan, in dit gericht, een mens nog baten als Jezus Zélf niet voor hem in wil staan
Doch, hoe dit zij, welk deel hij heeft verworven het is voorbij, voor hem is 't pleit beslecht. Mijn rechterbuurman is vannacht gestorven, en ik heb nooit één woord tot zijn behoud gezegd.
„Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is". (Matth. 10 : 33).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1978
Daniel | 24 Pagina's