JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

aandacht voor de jeugd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

aandacht voor de jeugd

8 minuten leestijd

Meermalen hebben we in ons jeugdblad aandacht besteed aan de situatie van de jeugd in onze moderne tijd. Een zaak van de allergrootste betekenis, in de eerste plaats voor de jongeren zelf. De jongeren van onze gemeenten leven immers niet op een eiland, maar staan midden in het leven, waar ze met alle moderne opvattingen in aanraking komen. Anderzijds is het ook voor de ouderen van belang zicht te hebben op de situatie van de jeugd. De zorg voor de jeugd kan immers pas werkelijk gestalte krijgen, als we de situatie kennen waarin de jongeren dagelijks verkeren.

Schrijvend over de situatie van de jeugd kunnen we echter ook het gevaar lopen de jeugd teveel in een uitzonderingspositie te plaatsen.

Daarom dient altijd de relatie tussen het gezin en de jeugd en de verhouding tussen de kerk en haar jongeren benadrukt te worden. In een onlangs bij de Jeugdbond verschenen boekje, getiteld „Opvoeding en vorming in gezin en kerk" hebben de skribenten gepoogd hieraan vorm te geven.

Dus: geen uitzonderingspositie voor de jeugd, maar wél afzonderlijke aandacht. Daarop hebben de jongeren recht! Ook als het gaat om de afzonderlijke aandacht van de kerk voor haar doopleden. De jongeren verkeren immers in een eigen situatie en de levensfase waarin ze verkeren heeft zoveel eigens, dat de kerk niet ongemerkt aan haar jeugd mag voorbij gaan!

Geringe aandacht

In de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten is aan de eigen situatie van de jeugd niet altijd evenveel aandacht besteed. Een uitzondering vormt de aandacht voor het christelijk onderwijs voor de jeugd van de Gemeenten. Ds. G. H. Kersten heeft zich bijvoorbeeld beijverd om Gereformeerd Schoolonderwijs, uitgaande van onze gemeenten, van de grond te krijgen. Met klem wees hij op de doopbelofte van de ouders om hun kinderen „In de voorzeide leer te onderwijzen en te doen onderwijzen". Middels de school wilde hij de kinderen enerzijds wapenen tegen ongeloof en wereldzin én anderzijds tegen de neo-gereformeerde opvattingen van de veronderstelde wedergeboorte. Daarbij dacht ds. Kersten ook aan het kerkelijk leven. „Immers bij het gemis aan voldoende leraars zijn

velen onzer gemeenten herderloos; hier kan dus vooral het Christelijk onderwijs tegemoet komen aan de noodtoestand heersende in onze kerken" (M. Golverdingen: Ds. G. H. Kersten blz. 94).

De aandacht voor de jeugd, die ook voor het kerkelijk leven zo nodig is, moest bij gebrek aan ambtelijke zorg dus met name middels het christelijk onderwijs gestalte krijgen. Ten opzichte van het jeugdwerk stond men in onze gemeenten aanvankelijk minder positief, hoewel we ook moeten bedenken dat ds. Kersten met het oog op het christelijk onderwijs heel wat weerstanden moest overwinnen. Hij achtte het jeugdwerk van groot belang, mits onder toezicht van de kerkeraad en bekwame, bij voorkeur ambtelijke leiding. Het jeugdwerk komt echter na 1945 pas goed op gang. In 1946 gaf het toenmalige bestuur van de Jeugdbond onder leiding van Ds. A. Verhagen een brochure uit, getiteld „De Jeugd in Nood". Met klem werd hierin gewezen op de zorg voor de jeugd. De jeugd was in deze na-oorlogse jaren in nood. Laten we echter bedenken dat de nood in onze ontkerstende tijd nog veel ingrijpender is.

De situatie van de jeugd nü

Ondanks de sterke groei van het jeugdwerk binnen de Gereformeerde Gemeenten moeten we vaststellen dat lang niet alle jongeren in de leeftijd van 12 t/m 20 jaar aan het jeugdwerk deelnemen. Van de 39.155 doopleden per 31-12-1976 kunnen wat hun leeftijd betreft ongeveer 18.000 jongeren aan het jeugdwerk deelnemen. In werkelijkheid zijn dit er niet meer dan ± 4800 jongeren, ongeveer 27% van alle doopleden. Aan deze jongeren wordt aandacht besteed middels de verenigingen, de distriktsbijeenkomsten, de zomerkampen en bijvoorbeeld de bijeenkomsten voor jongeren die in de verzorgende beroepen werkzaam zijn.

Gelukkig worden nog vele jongeren die niet aan het jeugdwerk deelnemen bereikt middels de ambtelijke zorg van de kerk. Ik denk daarbij aan de prediking, de catechese en het christelijk onderwijs. Het behoeft op zich niet verontrustend te zijn dat niet alle jongeren aan het jeugdwerk deelnemen. Toch is het echter van groot belang dat de jongeren van de gemeente zoveel mogelijk bij het kerkelijk leven betrokken zijn. Steeds groter wordt het getal van hen die niet of slechts moeilijk bij de gemeente te betrekken zijn. Ook onze gemeenten krijgen randkerkelijke jongeren. Het is moeilijk om ze op de catechisatie te krijgen of ze komen helemaal niet. De kerkgang kost de ouders soms veel moeite en strijd. Laten we vooral in deze dagen hier eens bij stil staan. Binnenkort zullen weer vele jongeren zich met hun „ja"-woord aan de gemeente mogen verbinden. Daarvoor mogen we dankbaar zijn! Maar die anderen ? ? Zij komen niet tot het moment waarop ze in het midden van de gemeenten zich aan de Heere en Zijn dienst mogen verbinden.

De kerkelijke statiestiek vertelt dat de laatste jaren heel wat doopleden zich hebben onttrokken, zonder zich bij een andere kerk aan te sluiten.

jaar naar andere kerken onttrokken totaal doopleden 1970 358 105 463 1973 507 125 632 1974 446 152 598 1975 572 249 821 1976 489 111 600

In 5 jaar onttrokken 742 jonge mensen zich van onze gemeenten en in het totaal verlieten ruim 3100 doopleden de Gereformeerde Gemeenten.

Deze statistische gegevens onderstrepen nogeens de noodzaak van de zorg voor de jeugd.

Gelukkig hebben onze gemeenten ingezien dat de pastorale zorg voor de jeugd dringend geboden is. Op de Generale Synode van 1968 werd voor het eerst een deputaatschap voor jeugdzorg ingesteld, terwijl in 1971 het deputaatschap voor studerenden werd gevormd. Beide deputaatschappen kregen de taak om de (pastorale) zorg voor de jeugd ter hand te nemen. Het deputaatschap voor Jeugdzorg kreeg de opdracht om het jeugdwerk binnen de gemeenten, in nauwe samenwerking met de Jeugdbond, te stimuleren en te begeleiden. Met het oog op de niet aan het jeugdwerk deelnemende jongeren ligt hier voor dit deputaatschap nog een belangrijk terrein braak. Maar juist op dit terrein is het zo moeilijk om de zorg voor de jongeren vorm te geven. In het genoemde boekje „Opvoeding en vorming in gezin en kerk" geeft de voorzitter van het deputaatschap, ds. P. Honkoop, dit ook aan: „de begeleiding van de randkerkelijke en ongeorganiseerde jeugd geeft toenemende zorg".

In de plaatselijke gemeente

Regelmatig wordt er door de genoemde deputaatschappen en door het bestuur van de Jeugdbond een beroep gedaan op de kerkeraden om meer aandacht te besteden aan de (pastorale) zorg voor de jeugd. Voor sommige groepen jongeren wordt gelukkig ook heel wat gedaan. Ik denk aan de opvang van de jongens die in militaire dienst zijn. Het deputaatschap voor de militairen en de kontaktadressen in de diverse gemeenten zijn voor menige jongen van grote betekenis geweest. Hetzelfde kan gezegd worden van de zorg die in sommige gemeenten besteed wordt aan verpleegsters en studenten. Voor vele jongeren in onze gemeenten is ook het jeugdwerk van grote betekenis. Laten we de waarde van het onderling kontakt tussen de jeugd van de gemeente toch niet uit het oog verliezen.

Door heel veel ambtsdragers in onze gemeenten wordt dit ook beseft. Onlangs heb ik ter afronding van mijn studie aan de G.S.E. te Ede een aantal vragen voorgelegd aan de amtsdragers van onze gemeenten.

Daaruit bleek dat veel ambtsdragers van het jeugdwerk ook verwachten dat het een positieve bijdrage levert aan de versteviging van de band met de gemeente. Laten we als leidinggevenden in het jeugdwerk hieraan niet voorbijgaan. Maar ondanks al deze arbeid voor de jeugd is er echter nog geen sprake van (pastorale) zorg voor alle jongeren van de gemeente.

Soms hebben jongeren het gevoel dat er alleen aandacht voor hen is middels de catechese en het jeugdwerk. Hoe belangrijk dit werk ook mag zijn, toch meen ik dat de plaatselijke gemeente tekort schiet in haar pastorale zorg voor de jeugd als er niet meer wordt gedaan.

Ongetwijfeld hangt dit samen met het tekort aan predikanten binnen onze gemeenten. In vele vakante gemeenten zijn nauwelijks mensen te vinden die zich kunnen en willen inzetten voor de jeugd. Toch zouden we alles in het werk moeten stellen om elkaar hierin te helpen. Onze jonge mensen mogen, kunnen en moeten begeleid worden! Jeugdzorg mag niet alleen de zorg zijn van een bepaald deputaatschap, maar iedere oudere in de gemeente moet doordrongen zijn van de taak en de opdracht, die de gemeente voor de jonge leden heeft.

Laten kerkeraden, ouders en jeugdverenigingen, ja allen binnen de gemeente zich beraden op verantwoorde mogelijkheden, die er zijn om de jeugd in de crises van hun leven te helpen en de weg te wijzen.

Verantwoorde leiding zou in veel gevallen nog behoudend kunnen werken. De Heere heeft zich ook in de kerk door alle eeuwen heen van eenvoudige middelen willen bedienen. Het gaat om onze jeugd. De jeugd van onze gemeenten. Een jeugd in nood!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1978

Daniel | 24 Pagina's

aandacht voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1978

Daniel | 24 Pagina's