De christelijke gemeente, N.T. - nú
Om toen en nu te vergelijken, moeten wij eerst eens gaan kijken wat „christelijke gemeente" betekent. In het Nieuwe Testament vinden wij voor gemeente het woord „ekklesia". Dat bestaat uit twee woorden, n.1. „roepen uit". Met deze wetenschap voelen wij al de betekenis aan: de Heere Jezus roept uit de zonde tot Zijn dienst, uit de dood tot het leven, uit de macht van satan tot God, uit de duisternis tot het licht. Dat gebeurde al direkt na de zondeval. Daar hoort Adam: „Adam, waar zijt gij". Denk aan het roepen van Abram uit Ur der Chaldeën. En dat gaat door tot de jongste dag. De Heere Jezus gaat ook nu rond om te zoeken en zalig te maken, om te roepen tot Zijn dienst en gemeenschap. Wij belijden dat zo treffend in de Dordtse Leerregels I, 3: „En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, de Gekruisigde".
Denk daarbij aan de belofte uit Joh. 5 : 25 „Doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven".
Het is dus duidelijk dat de gemeente bestaat uit leden, die één voor één door Christus uit de dood tot Zijn dienst zijn geroepen. Zij hebben niet Hém, maar Hij heeft hén gekozen.
Nu staat er voor het woord gemeente een bijvoeglijk naamwoord: christelijke. Dit betekent, dat Hij niet alleen de Zijnen roept en vergadert, en zo tot een gemeente vormt, maar dat deze gemeente Zijn eigendom is. Wij kennen allemaal het antwoord, dat de Heere Jezus geeft op Petrus hartelijke belijdenis. „Gij zijt Petrus en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen".
Hij heeft de Zijnen gekocht, daar heeft Hij Zijn leven voor afgelegd. Als de gemeente zo het wettig eigendom van de Heere Jezus is, dan is zij ook veilig, want Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. „Zie Ik ben met u alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld". Niemand
zal hen uit Zijn hand rukken! Hij heeft hen liefgehad tot het einde.
De christelijke gemeente in het N.T.
Daar weten wij gelukkig heel wat van. Natuurlijk kijken wij eerst in het boek Handelingen. In Hand. 2 zien wij hoe op de pinksterdag 3000 tot de gemeente toegedaan worden. Zij horen Petrus' prediking, komen tot bekering en nemen gaarne zijn woord aan. En daar blijft het niet bij, nee, de Heere doet dagelijks toe, die zalig worden. En waardoor valt die gemeente op? Wel, door het volharden in de leer van de apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods en in de gebeden.
Zij komen bijeen, hebben alle dingen gemeen, zijn dagelijks eendrachtig in de tempel, zij prijzen God en hebben genade bij het ganse volk. En het schoonste, als het ware de kroon op het werk: En de Heere doet dagelijks toe tot de gemeente, die zalig worden. Zo ziet de Nieuwtestamentische gemeente er dus uit. Helaas, ook daar is al kaf onder het koren. Wij kennen de geschiedenis van Ananias en Saffira. Aangrijpend. Zij horen bij de gemeente, maar zij zijn er niet wezenlijk één mee. Zij hebben zich er bij gevoegd, maar zij zijn niet het eigendom geworden van de Heere Jezus.
De heidenwereld waartussen de gemeente opgroeit, valt op door zedelijke verwording, lees daarvoor Romeinen 1 : 18-32. Als wij dat schriftgedeelte doornemen, zullen wij het met elkaar eens zijn, dat de omschrijving „zedelijke verwording" niet te scherp is. Helaas, ook dit laat de gemeente niet onberoerd. Sla maar op 1 Cor. 5 en 6. Hoe is het mogelijk, zeggen wij dan, dat diezelfde gemeente uit Handelingen 2 nu zo'n beeld geeft. En hoe is de onderlinge omgang?
Nog eendrachtig? Nee, kijk maar eens in 1 Cor. 3 : 3. Er is nijd en twist. Volharden zij nog in de leer der apostelen? Paulus moet aan de Galaten schrijven: Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie." Indroevig is het om te zien, hoe Christus' gemeente zo in ieder opzicht het spoor bijster is geraakt. En toch: et is Zijn gemeente. Vandaar dat de apostel zijn brieven begint met: Aan de Gemeente Gods, die te Corinthe is, de geheiligden in Christus Jezus". Zeker, satan gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zal kunnen verslinden, maar daar staat altijd tegenover het woord, dat de Heere Jezus sprak tot Simon Petrus: Satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude".
De Heere gaf niet alleen Zijn Woord aan de gemeente, Hij zorgde ook voor dagelijkse leiding. In Hand. 6 vindt d.e verkiezing tot diakenen plaats, zodat deze de armen van de gemeente kunnen verzorgen. Als Paulus op zijn zendingsreizen gemeenten mag stichten, is er sprake van het kiezen van ouderlingen. Ouderlingen of oudsten. Oudsten kennen wij al uit het O.T. Het Griekse woord daarvoor is presbyteros, dat wij weer terugvinden in onze kerkorde, die zoals men dat noemt, presbyteriaal is, d.w.z. de presbyter, de ouderling, is een centrale figuur. Elders in het N.T. valt de term „opziener", in het grieks „episcopos", waar het woord bisschop vandaan komt.
Uit het vele dat van de Nieuwtestamentische gemeente vanuit de Bijbel vermeld kan worden, tenslotte nog dit aspekt: vervolging. Dat is ook eigen aan de gemeente. De Heere Jezus heeft dit voorspeld: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, doch hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen". „Zij hebben Mij vervolgd, zij zullen ook u vervolgen". In Hand. 4 begint het ai. Daar slaan de priesters, zeer ontevreden, omdat de apostelen het volk leren en in Jezus ae opstanding uit de doden verkondigen, de handen aan Petrus en Johannes. Denk aan de steniging van Stefanus, denk aan Paulus, die moord en dreiging blaast tegen de gemeente des Heeren. Maar ondanks dit alles, mag deze zelfde Paulus later uitroepen: „Want ik ben verzekerd, dat noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen , ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere."
De christelijke gemeente nú
Daarvoor is het misschien goed, om eerst onze belijdenis na te slaan. Wat zegt art. 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis?
„Wij geloven en belijden een enige, Katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-
gelovigen —. Deze Kerk is geweest van het begin der wereld af en zal zijn tot het einde toe". Zij is soms klein, ja schijnt er soms niet te zijn, maar zij is er wel, denk maar aan de 7000 ten tijde van Elia. Ook is deze Kerk niet gebonden, of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar verspreid over de gehele wereld. Toch verenigd met hart en wil in éénzelfde Geest.
Wat valt hier op als verschil met de Nieuwtestamentische gemeente? Zij is nu verbreid over de gehele wereld. Dat was ook volgens de opdracht van Christus, en deze taak is nog niet geheel uitgevoerd. Verder is er het oordeel van de scheiding tussen de kinderen Gods. Hoeveel verschillende kerken zijn er alleen in ons land al niet? In de tijd van het N.T. kon Paulus nog schrijven aan de gemeente van Jezus Christus te Corinthe en dan was er geen probleem met de bezorging van de brief. Er was maar één gemeente. Dat ligt nu helaas anders.
Wat de struktuur van de gemeente betreft, die herkennen wij nog wel in onze kerken. Er is de gemeente met ouderlingen en diakenen, die op de eerste dag van de week samenkomt om Gods Woord te horen. Hoe is het met de andere kwaliteiten van onze gemeente? Mag ook van ons gezegd worden, dat de gemeente volhardt in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, God prijst, en dat de Heere dagelijks toe doet tot de gemeente, die zalig worden?
De werkelijkheid zal misschien in een pijnlijk kontrast daarmee staan.
Laten wij daar niet aan gewoon raken en laat het ons voor het eerst of opnieuw heilig verontrusten. De Heere heeft zich bekend gemaakt als Degene, Die gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid. Ons land heeft zijn opwekkingen gekend, waarvan ooggetuigen zeiden: „Het is dat wij in de Bijbel lezen van David, die huppelde achter de Ark en van Gods grote daden op de Pinksterdag, anders zouden wij het niet voor mogelijk houden, wat ter plaatse gebeurt". Dat kan God weer doen.
Direkte vervolging ter wille van het geloof kennen de meesten van ons niet in ons goede land. Maar genoeg informatie uit andere gebieden, achter het ijzeren en het bamboe gordijn, uit verschillende Afrikaanse landen, is beschikbaar om de waarheid van het woord van Christus — zij zullen ook u vervolgen — ook vandaag de dag bewezen te zien. Wij leven in Nederland momenteel zonder vervolging en wij kunnen rustig naar de kerk gaan. Maar laat ons wel bedenken, dat dit een uitzonderlijke toestand is, die zo om kan slaan. Draag ook de lasten van de broeders en zusters, die waar ook ter wereld moeten lijden om Christus' Naam. Tenslotte: de gemeente wordt door de kracht Gods bewaard tot de zaligheid. Over haar behoeven wij dus niet in te zitten. Waar komt het voor jou en mij op aan? Of ik van die gemeente een levend lidmaat ben, ja of neen. En dat kunnen wij weten, zie art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Daar worden bijbelse kenmerken gegeven van hen, die van de Kerk zijn. Leg je hart er bij.
Mag je door genade zeggen dat dit je leven is, bid dan: „Uw werk, behoud dat in het leven". Indien niet, smeek: „Heere, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1978
Daniel | 24 Pagina's