ANGST EN VREES SN IGEDE
Een van de weinige oudere Igedes in onze omgeving, die vele jaren geleden brak met zijn heidense godsdienst en Christen is gebleven, is Jonathan Ikpegi, een Igede van ongeveer 60 jaar
Hij is één van de weinige oudere christenen, omdat de meesten weer zijn teruggekeerd naar hun juju's (ongeveer te vergelijken met afgoden). Enkele maanden geleden werd deze Jonathan opgenomen in ons zendingsziekenhuis en zo kreeg ik de gelegenheid om met een geoefend Christen te praten over verschillende zaken, o.a. ook over de vraag waarom het christelijk geloof tot nog toe zo weinig ingang gevonden heeft bij de Igede-bevolking. Ik laat hem hier zelf aan het woord, waarbij ik soms ter verduidelijking enkele aanvullingen geef.
„Angst is de belangrijkste reden dat er niet meer christenen in Igede zijn. Angst namelijk dat er wat gebeuren zal, met jezelf, met je kind, met je oogst, met alles waarmee wat gebeuren kan: je kunt ziek worden, overlijden, tegenslag krijgen. Om dit te begrijpen moet je iets weten van de achtergrond van ons, Igedes; over onze kuituur en religie. Hoewel ik daar nu niet veel over wil zeggen, moet je wel weten dat de Igedes (hij bedoelt de heidense Igedes) wel in een god geloven die alles gemaakt heeft, maar dat zij hem zich voorstellen als ver weg, zo ver dat de gewone dingen door hem niet meer geregeld worden. Voor de dingen van alledag zijn de juju's veel belangrijker. Dat God ver weg is, vinden ze nog best ook, want een God van nabij is gevaarlijk: als mens kun je dat niet verdragen, en je kunt dan gek worden! Van de juju's hebben ze er een heleboel, de een is tegen diefstal, de ander voor bescherming onderweg, weer een ander om een goede vrouw te krijgen etc. Het is belangrijk om hen dus te vriend te hebben en te houden, want als je ze tegen je hebt, is het niet best: dan komt er ziekte en onheil. Hoe je zo'n „vriend" kunt krijgen en houden? Meestal koop je hem. van iemand die hem al heeft (soms voor een hoge prijs: hoe belangrijker, hoe duurder). Je krijgt dan van zo iemand een stukje huid, een botje of iets dergelijks; dit hang je dan ergens op, b.v. om je lenden, aan het dak van je huis. Zo krijg je deze vriend. En hem te vriend houden doe je door hem af en toe te offeren, een geit, een schildpad, een hond of een ei. Niet iedereen kan elke juju krijgen; om b.v. Ebi (een belangrijke juju) te krijgen, moet je vrouw een kind in stuitligging hebben gekregen. Als dat gebeurd is, ben je gelukkig, want dan kun je Ebi krijgen; ook al moet je je kind dan opofferen aan hem. (Dat betekent: doden, wat verschrikkelijk!).
Dat heb je er wel voor over, want hij zal je voortaan grote welvaart geven. De belangrijkste van alle juju's is voor hen Akpang, die alle kwade mensen straft; het symbool van hem is een stukje huid van een dier. Als je als Igede-jongen naar de grote stad gaat, b.v. om te studeren, dan zal je vader je aanraden (of dwingen) om zo'n stukje huid rond je lenden te binden. Er zijn n.1. een heleboel leden van een andere stam en die zullen je proberen te schaden, als je betere prestaties hebt dan zij. Maar in dat geval zal Akpang je beschermen.
En nu wat over die angst. Door niet te offeren, krijgen je juju's honger en worden boos en willen je niet langer beschermen en helpen. Dus als je Christen wordt, dan kom je alleen te staan.
De juju's zorgen niet meer voor je, vroeg of laat zal er ziekte en onheil in je leven komen. Vandaar dat zoveel christenen na enige tijd bezwijken en terugkeren naar hun oude juju's, uit angst voor ziekte en onheil.
De grote fout van deze mensen is, dat men denkt dat je als Christen alleen komt te staan. Vaak stelt men de God van de blanken (de God van de Bijbel) op één lijn met de andere juju's. Men verwacht van Hem dat Hij sterker is dan de juju's en hen zal beschermen tegen ziekte en onheil. En deze gedachte stelt natuurlijk teleur: een Christen wordt net zo goed ziek als een heiden!
Wat lezen we echter in Jesaja 43? Dat God bij ons is, temidden van onze nood: „Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken".
En in Psalm 23: „Al ging ik ook , ik zou geen kwaad vrezen" Ik ben niet bang, ook al heb ik geen juju's meer."
R. v. Schoonhoven, zendingsarts.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1978
Daniel | 20 Pagina's