JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

MET WIE GA JE OM?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MET WIE GA JE OM?

(VERHAAL)

15 minuten leestijd

„Zeg Joke, ga je vanavond nu eens mee naar onze soos? Heus, het is erg gezellig". Anneke probeert haar vriendin, Joke van der Plas, over te halen. Ze zitten allebei in dezelfde klas van de mavo en vaak maken ze samen hun huiswerk. Ze kunnen het erg goed met elkaar vinden, die twee, maar 's zondags gaan ze allebei hun eigen weg.

Joke gaat trouw met haar familie naar de kerk, terwijl Anneke alleen gaat als zij zin heeft. Een enkele keer is Anneke wel eens met Joke meegeweest naar de kerk, maar de preek vond ze zo zwaar te verteren. De dominee bij hun in de kerk preekte anders. Anneke heeft al een paar keer aan Joke gevraagd of ze meegaat naar de jeugdsociëteit, maar steeds wilde Joke niet.

„Nou goed, ik zal vragen of ik mag", antwoordt ze. „Kom je mij dan halen? " „Oké, om half acht ben ik bij je".

Als Joke thuiskomt, vraagt ze meteen of ze met Anneke een keertje mee mag. Mevrouw van der Plas maakt eerst wel wat bezwaren, maar geeft dan toch toe.

Ze begrijpt wel dat het voor Joke ook niet altijd gemakkelijk is en tenslotte is het een sociëteit van de kerk van Anneke, dus misschien valt het nog wel mee. Wel moet Joke om tien uur naar huis komen.

Het is net half acht als Anneke bij Joke belt.

„Dag Mam, ik ga hoor!" roept Joke en meteen is ze al buiten. Bij de soos staan al heel wat fietsen.

Zodra ze binnenkomen hoort Joke al muziek die ze thuis niet gewend is. Ze hangen hun jassen op en stappen de zaal binnen. In een hoek van de zaal hebben ze een bar getimmerd met er omheen een stel krukken. Overal staan lage tafeltjes met wat stoelen en verder liggen er een hele serie kussens om op te zitten. , , 't Ziet er gezellig uit" zegt Joke.

„Ja hè", antwoordt Anneke, „we hebben er ook hard aan gewerkt om dit voor elkaar te krijgen. Het was zo'n saaie boel hier".

Ondertussen loopt Anneke naar een groepje jongelui bij de bar.

„Hallo, mag ik jullie Joke van der Plas voorstellen? M'n schoolvriendin". Joke glimlacht wat en de lui bij de bar zeggen: „Hoi".

Anneke gaat er gezellig bij zitten en Joke, die nog wat verlegen is, bekijkt het groepje jongens en meisjes eens.

Hmm, 't lijken wel geschikte lui. Sommigen zien er wat hip uit, maar verder valt het best mee. Ze praten wat over hun werk op school. Een van de jongens komt naar Joke toe en gaat naast haar zitten.

„Hoi, jij zit dus bij Anneke op school? ", vraagt hij, , , 'k heb er ook nog een jaar op gezeten, maar 'k ben niet zo'n ster wat leren betreft".

„O nee", lacht Joke, „waarin dan wel en hoe heet je eigenlijk? "

„O ja, sorry, dat weet je nog niet. Ik ben Wim Bakker. Waar ik wèl een ster in ben? O, dat zal je wel merken. In een heleboel dingen. Wil je wat drinken? " Joke bestelt sinas en Wim neemt cola. „Jongelui, we gaan beginnen".

De leider roept de jongens en meisjes bij elkaar. Ieder pakt een kussen en weldra zitten ze allen in een soort kring

op de grond. Wim en Joke zitten weer naast elkaar. Anneke ziet het en ze denkt: „Oppassen Joke. 'k Hoop dat dat niet verkeerd gaat".

„Vanavond", begint Wout „zullen we het erover hebben hoe je houding moet zijn ten aanzien van ontwikkelingshulp".

Er volgt een flinke diskussie, waar Joke met genoegen naar luistert en soms vertelt ze zelf iets. De meningen zijn nogal verdeeld; sommigen vinden dat je heel goed moet uitkijken voor welk projekt of land je geeft, terwijl anderen vinden dat alle ontwikkelingshulp goed en nuttig is. Na ongeveer een uur wordt de diskussie gesloten en men verspreidt zich weer in groepjes. Wim draait steeds maar om Joke heen. Ze merkt dat hij erg getapt is en daarom vindt ze zijn belangstelling wel leuk. Als het tegen tienen is zegt Joke dat ze naar huis wil.

„Nu al? ", vraagt Wim. „Je lijkt wel een begijntje dat om tien uur in het klooster moet zijn".

Joke kleurt en Anneke zegt: „Bah, wat een flauwe opmerking, Wim".

„Nou ja, ik bedoelde het niet vervelend hoor. Zal ik je thuisbrengen, Joke? " Joke vindt het best. Buiten gekomen legt Wim meteen met een bezitters-air zijn arm om Joke's schouder.

„Nou zeg, doe niet zo amicaal" snibt Joke en ze schudt zijn arm van haar af. Wim grijnst, maar zegt niets.

„Zeg Wim" begint Joke als ze vlak bij haar huis zijn, „ga bij de hoek maar terug. Ze hoeven thuis niet te weten dat jij mij weg brengt".

„O net zoals je wilt, maar van dat stiekeme gedoe houd ik niet, hoor".

„Wat stiekum, wie praat er over stiekum. Ik vind gewoon dat je me heus niet helemaal hoeft thuis te brengen. Snap je? "

„Al goed, kruidje-roer-me-niet. Kom je de volgende keer weer? Nou, waar is die hoek? Hier? O, dan moet ik hier dus terug. Nu, ajuus, tot volgende week. Bye!" En vrolijk fluitend fietst Wim weg. Joke kijkt hem na. Ergens voelt ze zich zeer vereerd dat zo'n type als Wim zoveel aandacht aan haar schenkt.

Thuisgekomen vragen vader en moeder hoe het was. Joke vertelt wat over de diskussie die gevoerd is. Over Wim en de andere jongelui zwijgt ze.

In de weken die hierop volgen denkt Joke vaak terug aan de avond op de soos. Anneke is ook een keer mee geweest naar de verenigingsavond bij Joke, maar dat was wel een verschil. De diskussie was heel anders en ging over een bijbels onderwerp. Ook de muziek en de bar ontbraken. Anneke had het ook wel naar haar zin gehad, alleen vond ze het een beetje tam. Joke had het altijd erg fijn gevonden, maar sinds ze met Anneke meegeweest is, is ze niet zo tevreden meer. Komt het door de lossere sfeer die daar heerste of heeft de belangstelling van Wim er mee te maken? Joke weet het zelf niet zo goed, maar als Anneke vraagt of ze weer mee gaat, zegt ze grif „ja".

Die avond gaat de diskussie op de soos over „naastenliefde". Na de diskussie zegt Wim, die Joke meteen al opgezocht heeft: „Ga je mee een eindje op de brommer rijden? 'k Heb vorige week een brommer gekregen".

Joke vecht met zichzelf wat ze zal doen, wel of niet meegaan en ze vraagt het aan Anneke. „Poeh kind, dat moet je zelf weten hoor", mompelt Anneke en ze haalt haar schouders op. „Je bent nogal weg van Wim".

„Och kind, je kletst, maar 'k vind het best leuk om achterop de brommer te zitten. Ben je soms jaloers? "

Anneke vindt deze opmerking niet eens de moeite waard om antwoord op te geven. Ze denkt: „Jaloers, stel je voor.

Er gaan zoveel vreemde geruchten over Wim. De een zegt dat hij wel eens een stickie rookt en een ander vraagt zich af hoe hij aan zoveel zakgeld komt".

Maar iets zeker weten doet Anneke niet en daarom vindt ze het flauw om iets ervan tegen Joke te zeggen.

Even later zit Joke bij Wim achterop, 't Gaat lekker! Joke wil wél op tijd thuis zijn en hoewel Wim het vreselijk vroeg vindt, brengt hij Joke toch naar huis.

Joke was op de heenweg bij Anneke achterop de fiets gegaan, dus dat kwam nu meteen goed uit.

Ze stapt van de brommer af, zegt Wim gedag en gaat door de achterdeur naar binnen. Wim rijdt snel weg. Hij vindt Joke best een leuke meid, maar ze moest niet zo bang zijn voor haar ouders. Ha. hij zal haar eens een keer meenemen naar zijn vrienden.

Een paar dagen later. Fluitend zet Joke haar fiets in de schuur. Ze is blij want Wim had haar uit school gehaald. Alle meisjes uit haar klas hadden gezien dat ze met Wim meeging en dat had Joke's ijdelheid wel gestreeld. Ze waren naar een snackbar geweest, maar daardoor

was ze nogal laat thuis. Als moeder nu maar niet vroeg waarom ze zo laat is. Maar als ze in de kamer komt, zit moeder te naaien en prompt komt de vraag: „Ha Joke, wat ben je laat".

„O ja, 'k heb nog wat staan praten bij school en toen ben ik met een paar meisjes meegefietst", antwoordt Joke luchtig. Maar van binnen in haar hart zegt een stemmetje: „Bedrieg jij je moeder zo? Leugenaar!" Joke begint vlug een liedje te fluiten. Och, zo'n leugentje, dat 's toch niet zo erg. Ze liegt nooit terwijl sommigen uit haar klas heel vaak liegen. Stel je voor dat moeder het zou weten van Wim. Joke heeft het idee dat ze dan vast niet meer naar de soos zou mogen. Haar intuïtie zegt haar dat haar ouders de vriendschap met Wim toch niet goed zouden keuren. Ze probeert niet meer aan dat leugentje te denken, al zit het haar toch wel dwars.

Als ze 's avonds naar bed gaat en ze leest, zoals ze gewend is, een stukje uit een dagboek en uit haar Bijbeltje, dan is het net of ze haar gedachten er niet goed bij kan houden. „Och toe, laat ik nu maar gaan slapen en vrijdag ga ik weer naar de soos." Omdat ze erg moe is, valt ze toch gauw in slaap.

Vrijdagavond. Joke is al weer op weg naar de soos. Ze is al vroeg bij de soos, maar Wim is er al.

„Hallo" begroet hij Joke, „zeg luister eens, ik moet vanavond eigenlijk ergens anders naar toe. Ga je mee? "

Joke twijfelt. Thuis weten ze niet beter of ze zit vanavond hier, maar Wim gaat weg. En dat geeft toch wel de doorslag, zodat ze zegt: „Oké, ik ga met je mee. Waar moet je naar toe? "

„Naar de „Dimp", in de binnenstad, 'k Moet daar een boodschap afgeven en 't is wel eens leuk om een avondje met jou uit te gaan. Op een andere avond mag je toch niet weg van je ouders". Joke kleurt als ze dit laatste hoort.

„Laat je fiets hier maar staan en klim maar achterop de brommer. Die kar halen we straks wel op", beslist Wim.

Joke gaat achterop zitten en even later schieten ze met een vaart de straat uit. Al gauw zijn ze in de binnenstad bij de „Dimp". Het is een bar waar meestal jongelui komen en als ze binnenstappen ziet Joke aan verschillende tafeltjes wat jongens en meisjes zitten. Het valt Joke op dat ze zelf netter gekleed is dan de jongens en meisjes die hier zitten. De meeste hebben een vies spijkerpak aan.

Wim loopt naar een tafeltje, helemaal achterin de zaak en Joke loopt maar mee.

„Hoi, dit is Joke. Ze komt er ook bij", zegt Wim.

Hij loopt naar de bar en komt terug met twee cola. Al gauw presenteert een van de jongens een sigaret. Joke wil al weigeren, maar als ze naar Wim kijkt, ziet ze zijn spottende blik, alsof hij wil zeggen: „Mag dat niet van je ouders? "

„O bedankt" zegt Joke en ze pakt de sigaret aan. Ze merkt niet dat de jongen vragend naar Wim kijkt en dat Wim hem een knipoogje terug geeft.

Nadat Joke een vuurtje gekregen heeft, trekt ze aan de sigaret. Ze heeft er wel eens meer een gerookt, maar deze is toch erg pittig. Joke zit naast een meisje dat Marieke heet. Ze praten wat met elkaar over allerlei dingen. Als ze haar sigaret op heeft zegt Marieke: „Ik heb er nog een paar. Wil jij er nog één? " „Nee, dank je", zegt Joke.

„Nou zeg", bemoeit Wim zich ermee, „op één been kan je niet lopen. Neem er nog een. 't Kan heus geen kwaad, hoor".

Joke wil vooral niet kinderachtig lijken, dus neemt ze de sigaret van Marieke aan. Ze weet niet dat dit haar tweede stickie is. Even heeft ze wel met die gedachte gespeeld toen de sigaret wat vreemd smaakte, maar zó zal Wim toch niet zijn. Marieke giechelt een beetje. „Wim kan zelf ook niet hinkelen. Die rookt er ook minstens twee", zegt ze.

Joke kijkt eens naar Marieke. „Wat een vreemde ogen heeft ze en wat beven haar handen, 't Lijkt wel of ze zenuwachtig is", denkt Joke. Opeens vertrouwt ze het toch niet meer. Ze herinnert zich een les op school over drugs en de leraar vertelde toen ook over dat beverige gevoel. Erg goed weet ze het niet meer, want ze voelt zich wat duf worden. Bah, ze wordt zelfs slaperig. Ze kijkt eens op haar horloge. Half tien. Tijd om naar huis te gaan.

„Wim, 'k wil naar huis", zegt Joke. Ze staat meteen op, maar ze moet zich vasthouden aan het tafeltje om niet te vallen. Even later gaat het wel weer en samen gaan ze naar buiten.

„Zo, 'k dacht dat jij zo christelijk was", zegt Wim als ze bij de brommer zijn.

„Christelijk? ", vraagt Joke, „waar slaat dat nou op? "

„Voel je je wel normaal of ben je een beetje „high"? ".

't Is net of Joke ineens heel helder wordt. „Wat!", schreeuwt ze, „dat waren

geen gewone sigaretten, maar stuff! Gemenerd!"

„Toe nou Joke, stel je niet zo aan. Van die paar sigaretjes krijg je heus niets hoor. Kom op!"

„Nee, laat me van de brommer af. Schiet op! Ik wil niets meer met je te maken hebben. Stiekemerd!"

Nu wordt het Wim te gortig en net wil hij wegrijden, als Joke er vlug afspringt en met een vaart wegrent. Wim gaat er als een haas achteraan. Joke hoort het en steekt zonder uit te kijken de straat over. Opeens een gierend geknars van remmen en Wim ziet tot zijn grote schrik hoe Joke tegen de straatstenen smakt. Al gauw staat er een groepje mensen om Joke heen. Ze merkt het niet want ze ligt bewusteloos op de grond. Eén van de bewoners heeft een ziekenauto gebeld en tegelijkertijd arriveert de politie. „Kent iemand dit meisje? ", vraagt de agent.

„Ja ik", zegt Wim en hij noemt haar naam en adres.

„Waren jullie samen? Hoe is het gebeurd? "

Wim vertelt dat Joke zo maar de straat overstak. Intussen wordt Joke in de ziekenwagen gedragen. „Waarschijnlijk een hersenschudding", zegt de arts. De auto rijdt weg en de agenten stappen ook weer in.

„Ja", denkt Wim, „dat is allemaal vervelend. 'k Vond het een leuke meid, alleen dat kinderachtige gedoe om een paar stickies. Enfin, er zijn meer meisjes, hoor." En zonder zich ergens om te bekommeren, stapt hij weer op zijn brommer en rijdt naar huis.

In het ziekenhuis ligt Joke. Ze is al weer gauw bij bewustzijn gekomen en nu ligt ze stil voor zich uit te staren. Ze heeft hoofdpijn en de dokter heeft verteld dat ze een hersenschudding heeft, maar het valt allemaal gelukkig nogal mee en morgen mag ze al weer naar huis om thuis verder te rusten. Ze ligt nu te wachten op haar ouders. Die zijn inmiddels gewaarschuwd. Ze schrokken vreselijk en ze begrijpen er niets van.

Joke zat toch op de soos? En dat ongeluk gebeurde in de binnenstad? Ze haasten zich naar het ziekenhuis en als ze het kamertje binnen komen, zien ze Joke liggen. Moeder loopt vlug op haar toe en zegt: „Kind, wat een narigheid. Maar wat zijn we dankbaar dat het zo afgelopen is".

Joke zegt niets en kijkt nog steeds stil voor zich uit. O, ze is zo blij dat ze haar ouders weer ziet, maar wat schaamt ze zich. Wat heeft ze de laatste tijd in zichzelf haar ouders niet verweten, dat ze zo'n bekrompen opvoeding kreeg, dat haar ouders ouderwets waren en nog zoveel meer. En hoe heeft ze moeder voorgelogen en wat is er vanavond allemaal niet gebeurd. Ze durft haar ouders bijna niet aan te kijken.

„Ja Joke", zegt vader nu, „de Heere heeft nog geduld met je gehad en Hij heeft jou nog gespaard".

Nu houdt Joke het niet langer meer uit. De tranen lopen over haar wangen en ze snikt het uit: „Vader! Moeder!" Ze vertelt alles. „En ik wil nooit meer naar die soos, want 'k wil Wim niet meer zien. Was ik maar bij onze eigen vereniging gebleven".

Vader en moeder zijn eerst vreselijk geschrokken van het verhaal en ze begrijpen nu ook hoe Joke in de binnenstad kwam.

„Stil maar Joke", zegt moeder en ze legt haar hand op Joke's hoofd. Vader zegt: „Zullen we nu eerst God om vergeving vragen. Joke en tegelijk danken dat de Heere nog over jou gewaakt heeft? "

Door haar tranen heen knikt Joke „ja" en als vader zijn gebed beëindigd heeft gaan Joke's ouders naar huis. Joke voelt zich vreselijk opgelucht nu ze alles verteld heeft. Ze denkt nog eens over alles na en beseft dat het geen onverschillige zaak is waar je je vrienden zoekt. Dat heeft ze wel geleerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1978

Daniel | 24 Pagina's

MET WIE GA JE OM?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1978

Daniel | 24 Pagina's