ALS GEVANGENE LEERDE IK WAT EEN BIJBEL WAARD IS
Toen ik de lange rij gevangenen voor het eerst zag, drong het tot me door: er komt een dag dat je hun lot zult delen. Je kunt het niet ontlopen. Scheeuwende agenten van de veiligheidsdienst zullen je barak binnenvallen en Olga ondersteboven lopen. Ze zullen je meenemen en Olga zal achterblijven. Misschien zie je haar nooit meer terug.....
Het was een afschuwelijk gezicht, die groep gevangenen. De meesten droegen een gerafelde broek die met een touw bij elkaar werd gehouden. Hun schoeisel bestond uit om hun voeten geknoopte stukken buitenband. Maar het ergste waren hun ogen. Ze waren diep weggevallen in hun kassen en keken zonder iets te zien.
De groep gevangenen die voortsjokte, werd begeleid door een aantal vloekende bewakers. Het ging te langzaam en de waakhonden gromden dreigend. De gevangenen werkten, evenals ik, in een steenfabriek. Zij kregen lang niet genoeg voedsel voor het werk dat ze moesten doen. Soms wankelde er een met een wit-weggetrokken gezicht, omdat hij overvallen werd door een flauwte, maar de striemende slag van een bewaker bracht hem dan tot de werkelijkheid terug.
Het was vlak na de tweede wereldoorlog. Wij waren naar Aschchabad gebracht, zo'n 500 km ten oosten van de Kaspische zee. Aschchabad lag midden in een woestijn en het was er 's zomers zo heet, dat we ons 's nachts in een natte deken wentelden om te kunnen slapen. We mochten als Duitse bevolkingsgroep de stad niet verlaten en woonden in een barakkenkamp. We waren geen gevangenen, maar het leek er wel op alsof wij verantwoordelijk gesteld werden voor de wandaden, die Hitier in de Sowj et-Unie had bedreven.
Aardbeving
In 1948 trouwde ik met Olga, die ouder is dan ik. Het was haar tweede huwelijk, want haar man was omgekomen in de oorlog. Zij nam Maria mee uit haar eerste huwelijk, die toen 15 jaar was. We kregen een kamer toegewezen voor ons gezin, een ongekende luxe want daarvoor bivakkeerden wij met zo'n 20 a 30 man in één kamer.
Toen we net getrouwd waren, op 6 oktober 1948 om kwart over één 's nachts, werd Aschchabad getroffen door een aardbeving. Olga, Maria en ik waren in de steenfabriek. Stukken kalk en stenen vielen naar beneden, maar wij werden niet getroffen. We renden naar het barakkenkamp om te zien of er nog iets overeind stond.
Wat we onderweg zagen en hoorden was onbeschrijflijk. Kinderen renden gillend rond op zoek naar hun ouders, die dood of kreunend van de pijn ergens onder een hoop puin bedolven moesten liggen. Een man stond naast het lijk van zijn vrouw. Hij was de wereld om zich heen vergeten en mompelde voortdurend: Natasha Natasha
Achter een barak vlakbij, trof ik een weduwe aan met vier kinderen. Ze waren de enige over-
levenden van haar barak. „God heeft u bewaard", zei ik. „Ja", antwoordde ze, „ik weet het. Het ging allemaal zo vlug, ineen was ik buiten met mijn kinderen". We knielden samen neer tussen het puin om God te danken en zijn verdere bescherming af te smeken. Mensen die nog nooit in hun leven gebeden hadden, knielden die nacht naast ons neer en schreeuwden tot God. De volgende morgen ontdekten we dat er niets meer overeind stond. In één nacht was de helft van de bevolking van Aschchabad omgekomen, 75.000 doden.
Temidden van het puin bouwden we een onderkomen. We gebruikten ons huisje als kapel om er samenkomsten te houden. De kring groeide snel. De mensen hadden ontdekt hoe onzeker hun bestaan was. Ze smachtten naar eeuwige zekerheid.
Door chaotische toestanden na de aardbeving was de controle van de geheime politie verzwakt. We maakten er dankbaar gebruik van en bouwden zelfs een zaaltje voor samenkomsten.
Ben je bereid?
Onze vrijheid duurde niet lang. We kregen te horen dat we niet meer mochten samenkomen op straffe van 25 jaar gevangenisstraf. We gingen onze samenkomsten in verschillende delen van de stad houden in het diepste geheim.
Natuurlijk moest het een keer fout gaan. Ik probeerde de gedachte aan de gevangenis zoveel mogelijk van mij af te zetten en durfde er ook niet met Olga over te spreken. Ik herinner mij de laatste regels van een lied dat ik altijd heel graag zong: „Lijden in het leven is immers goed, als geloof, hoop en liefde het hart tot rust brengen." Nu zong ik alleen het eerste gedeelte van het lied, want de laatste regels kon ik niet zingen. Ik zweeg en keek beschaamd naar de punten van mijn schoenen.
Ik kon de vraag, die uit mijn hart omhoog rees, niet langer onderdrukken: ben je bereid om terwille van Jezus alles te verlaten en d.e lijdensweg in te slaan? Het was God die in Zijn grote genade mij klaarmaakte om Zijn Zoon naar Golgotha te volgen.
Ik weet niet meer precies van wie, maar op een dag kreeg ik een briefje met de naam van een oude gelovige man die in Aschchabad gevangen moest zitten. De volgende zondag was ik vrij en zocht ik hem op. Er stonden lange rijen mensen voor de gevangenis. De meesten waren vrouwen die hoopten even hun man te mogen zien. Eindelijk was onze rij aan de beurt. Ik vroeg de portier of ik even de hand mocht schudden van de oude man. Een bewaker ging met mij mee naar zijn cel en het luikje in de deur mocht open. Toen de man mij zag vroeg hij: „bent u een visser uit Calilea? " Ik knikte. Tranen vulden zijn ogen en de oude man kon de eerste momenten van ontroering geen woord uitbrengen. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag er even smerig uit als de andere gevangenen. Zijn handen zaten vol diepe kloven en zijn gezicht gaf jaren lijden weer. Maar als hij sprak glansden zijn ogen, zijn hele voorkomen vervaagde bij die bovennatuurlijke glans.
Die ontmoeting maakte mij bereid om de moeilijkste weg te gaan, mijn weerstand tegen het lijden werd gebroken. Ik begon ook de noodzaak van het lijden in te zien. Ik had het de Pottebakker nog zo vaak onmogelijk gemaakt om mij te kneden naar Zijn model. Als dit Zijn weg was wilde ik die gaan, maar wat het inhield kon ik mij nog nauwelijks voorstellen.
Arrestatie
In 1951 werden de maatregelen tegen de gelovigen aanzienlijk verscherpt. We hoorden hoe de een na de ander werd gearresteerd en hoe de politie samenkomsten uiteen joeg. Het kwam steeds dichterbij en als Duitse bevolkingsgroep konden wij niet vluchten.
Op 7 augustus 1951 kwamen drie mannen naar ons huisje om mij te arresteren. Mijn vrouw lag op bed, want ze verwachtte binnen drie weken haar derde kind. Voordat ze mij meenamen zochten ze het huis door. Niets bleef op zijn plaats. Ze trokken de dekens van de bedden en haalden de kasten leeg. We moesten machteloos toezien hoe onze Bijbels en met de handgeschreven gezangboeken in hun zakken verdwenen. Voordat ze mij wegvoerden vroeg ik hen of ik samen met mijn vrouw en kinderen mocht bidden. „Je hebt genoeg gebeden", snauwde er een terug, maar de hoofdagent zei kortaf: „Maak het niet te lang". We knielden neer onder het hoongelach van de agenten. „Heere in de hemel", bad ik. „Ik kan niet langer zorgen voor Olga en de kinderen. Ik vertrouw hen met lichaam, ziel en geest aan U toe." Ik stond op en keek in de niet begrijpende ogen
van Nelly, mijn dochtertje van twee. Ik streek haar over de strik op haar blonde haar en dacht: hoe vaak zal ze in de komende dagen naar haar pappa vragen?
Ze brachten mij naar het binnenste gedeelte van de gevangenis, dat zich onder de grond bevond. Toen de ijzeren deur achter mij dichtsloeg, kon ik nog niets in mijn cel herkennen. Helemaal boven in één van de wanden was een klein raampje, dat nauwelijks licht doorliet.
Een ijzeren bed en een houten emmer, d.ie als W.C. dienst deed, was alles wat ik in mijn cel aantrof. Ik moest de hele dag op het ijzeren bed zitten met mijn gezicht naar de deur. Bewegen was verboden. In de deur was een klein gaatje, waardoor de bewakers mij voortdurend in de gaten konden houden. Alleen 's nachts mocht ik liggen, maar dan uitsluitend in één houding met mijn gezicht naar de deur. Het bed was zo hard dat ik onder de blauwe plekken kwam te zitten.
Het raampje was altijd dicht, waardoor het in de cel erg benauwd was. De heerlijkste momenten waren als ik een kwartier naar buiten mocht om frisse lucht te happen. Erger nog dan de cel waren de verhoren. Zowel overdag als 's nachts haalden ze me uit mijn cel.
Tijdens de verhoren werden valse getuigen opgeroepen die allerlei beschuldigingen uitten aan mijn adres. Ik mocht dan niets terugzeggen. „Jullie christenen zijn de pest onder het volk", schreeuwden de G.P.U. agenten (tak van de Russische geheime dienst). Ik moest een beschuldiging ondertekenen ten laste van een predikant die de staat belasterd zou hebben tijdens een dienst. Tenslotte was ik zo murw van de eindeloze verhoren, dat ik bijna mijn handtekening onder het stuk papier zette. Maar op d.at moment dreef in mijn verwarde hoofd de gedachte naar boven: je kunt een broeder niet door leugen verraden. In mijn cel teruggekomen begon ik te huilen. Ik snikte het uit. Daarna kwamen ze niet meer op d< ^e zaak terug. De strijd was gewonnen.
Vrijheid
Na zes maanden voorarrest hoorde ik het vonnis:25 jaar dwangarbeid in een strafkamp. Ik kreeg toestemming om per jaar 2 brieven naar Olga te sturen en één postpakket te ontvangen.
Gelukkig heeft de straf geen 25 jaar geduurd. In de winter van 1956 kreeg ik mijn vrijheid terug.
De mensen hebben mij weieens gevraagd, hoe ik het vijf jaar volhield in de gevangenis. Soms was het zo moeilijk dat ik bijna de moed opgaf om verder te leven. Maar juist op zulke momenten bracht God mij met mensen in aanraking die mij er weer bovenop hielpen.
In die vijf jaar ben ik van het ene naar het andere strafkamp gebracht. In één van die kampen brak opstand uit. De bewakers sloegen op de vlucht en het leger kwam met tanks het kamp omsingelen. We waren met zo'n 60 christenen in het kamp.
Natuurlijk verwachtten de andere gevangenen dat we hun kant kozen in de strijd. We baden over deze zaak en het werd ons duidelijk dat wij niet naar wapens mochten grijpen. Dit legden we uit aan de andere gevangenen, maar tegelijkertijd boden we onze diensten aan voor werk dat onze goddelijke roeping waardig was: in de ziekenzaal en in de keuken. Door de omsingeling van het leger kregen we geen voedsel. We leden honger.
Pas na een maand kwam het leger in aktie en bestormde het strafkamp. Gedurende deze maand hadden we volop gelegenheid om als christenen samen te komen. We hielden onze diensten onder de open hemel, want het was lente. Uiterlijk zagen we er uit als bedelaars, hongerig en vuil, maar innerlijk straalden we zo'n liefde en nederigheid uit, dat ik me werkelijk deelgenoot wist van de bruid van Christus. Gemeenschap der heiligen was voor mij een woord zonder inhoud geweest, vergeleken met deze ervaring. Groter dan onze honger naar brood, was onze honger naar Christus.
Na de bestorming brak het leger het kamp. op. Samen met een andere broeder werd ik in een goederentrein naar de steppen van Kasachstan gebracht. In het verre Siberië moesten we werken in de kopermijnen. Toen ik met mijn vriend de poorten doorging van het nieuwe strafkamp, riep hij luid: „Zijn hier nog zonen van Abraham? "
Zo vonden we een nieuwe gemeenschap. In de gevangenis heb ik ook geleerd wat een Bijbel waard is. Natuurlijk mochten we geen bijbels hebben, maar in het kamp in Kasachstan was er toch een binnengesmokkeld. Een oude broeder liet mij de bijbel zien, ik drukte hem tegen de borst en huilde van vreugde.
We haalden hem uit de band en verdeelden hem onder de gelovigen. De stukken leenden we dan weer aan elkaar uit, om deze over te schrijven. Dit moest heel voorzichtig gebeuren, maar op deze manier kreeg ik toch bijna het hele Nieuwe Testament op papier. Vaak kon ik er dagen niet uit lezen omdat ik teveel in de gaten werd gehouden. Na het lezen begroef ik het boekje ergens in de grond, zodat de bewakers het niet vonden als ze de barakken doorzochten. Het is een keer gebeurd dat een bijbel werd ontdekt door een bewaker, toen twee gevangenen eruit lazen. Hij was net het kamp binnengesmokkeld en ging van hand tot hand. Wat hebben die twee grote kerels toen gehuild.
Tenslotte nog dit. Toen ik de poort van de gevangenis uitliep in 1956, draaide ik mij nog een keer om. Achter de ramen van de barakken zag ik wuivende handen. Ik hoorde stemmen die riepen: „Je bent een gelukkig mens." Deze stemmen bleven als een echo in mijn gedachten naklinken, toen ik naar huis liep. Ik ben gelukkig, maar niet alleen omdat ik een vrij mens ben. Staat er niet in de Bijbel: „Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen"?
(overgenomen uit „Kruistochten", maart 1974).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1978
Daniel | 20 Pagina's